- Arrest van 13 juni 2013

13/06/2013 - C.12.0091.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 1 van de Overeenkomst van Granada van 3 oktober 1985, dat uitsluitend begripsomschrijvingen bevat, strekt niet ertoe verplichtingen of rechten vast te leggen waarop de rechtzoekenden zich zouden kunnen beroepen en heeft bijgevolg geen directe werking in het interne recht (1). (1) Zie AR RvS nr. 97.477 van 5 juli 2001.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0091.F

1. F. C., (...)

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. A. S.,

3. L. F.,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 14 september 2011.

Raadsheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren drie middelen aan.

(...)

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 1 van de Overeenkomst van Granada van 3 oktober 1985 inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa, goedgekeurd bij de wet van 8 juni 1992 en voor zoveel als nodig, die goedkeuringswet;

- de artikelen 149 en 159 van de Grondwet;

- de artikelen 206, 1°, a), 222 en 226 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, gecoördineerd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 9 april 2004, hierna BWRO genoemd;

- de artikelen 516, 517, 524 en 525 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart de oorspronkelijke en nieuwe vorderingen van de eisers niet-gegrond, bevestigt het beroepen vonnis met betrekking tot de kosten en veroordeelt de eisers tot de kosten van het hoger beroep.

Die beslissingen steunen op de onderstaande redenen:

"23. Uit die leer, die het hof [van beroep] overneemt, volgt dat de [eerste verweerder] bij decreet zijn regering kan opdragen om als monument, niet alleen een onroerend goed te beschermen, maar ook de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken, en met name de complementaire uitrusting en de decoratieve elementen;

24. Dat heeft de Brusselse wetgever precies gedaan toen hij, bij zijn ordonnantie van 4 maart 1993 inzake het behoud van het onroerende erfgoed, artikel 206, 1°, a), invoegde in titel V van het BWRO onder het opschrift ‘Bescherming van het onroerend erfgoed' dat als volgt luidt:

‘Voor de toepassing van deze titel moet worden verstaan onder :

1° onroerend erfgoed: het geheel van de onroerende goederen met een historische, archeologische, artistieke, esthetische, wetenschappelijke, sociale, technische of volkskundige waarde, te weten:

a) als monument: elk merkwaardig werk, met inbegrip van de uitrusting of decoratieve elementen die er integrerend deel van uitmaken';

Zoals het Grondwettelijk Hof in het arrest [nr. 25/2010] betreffende een decretale bepaling die erg lijkt op artikel 206 van het BWRO en de Raad van State in zijn arrest van 2 februari 2011, erop wezen, beperkt artikel 206, 1°, a), wanneer het gewag maakt van ‘de uitrusting of decoratieve elementen die [...] integrerend deel van [dat werk] uitmaken', dat begrip immers niet uitdrukkelijk tot de goederen, die hoewel ze integrerend deel uitmaken van dat werk ‘bovendien' zouden voldoen aan alle voorwaarden om te worden gekwalificeerd als onroerende goederen uit hun aard of door bestemming, maar doelt het integendeel, volgens de gebruikelijke betekenis van die woorden, op elk, zelfs roerend, ‘decoratief element', dat integrerend deel uitmaakt van dat werk;

De [eisers] beroepen zich tevergeefs op de parlementaire voorbereiding van de voornoemde ordonnantie van 4 maart 1993 en inzonderheid op een verklaring volgens welke de staatssecretaris ‘erop wijst dat de Executieve haar bevoegdheid wil laten gelden voor alle uit hun aard of door hun bestemming onroerende goederen', want de tekst die toen werd besproken werd uiteindelijk niet in aanmerking genomen, daar de executieve een amendement had ingediend om hem te doen vervangen door een begripsomschrijving in artikel 1, 1°, van de Overeenkomst inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa, gedaan te Grenada op 3 oktober 1985 en goedgekeurd bij de wet van 8 juni 1992, omdat, zoals ook de Raad van State erop wees, die formulering vollediger was. ‘De uitdrukking " elk bouwkundig of beeldhouwwerk' zou het monument inderdaad kunnen beperken tot deze beide artistieke uitdrukkingen. De nieuwe formulering laat toe ook de schilderkunst, de mozaïekkunst en andere verwezenlijkingen te overwegen' (Doc. Raad. Br. H. Gew.., zitt. 1992-1993, A-165/2, p.30 );

Het begrip ‘decoratieve elementen' doelt dus zonder enige twijfel op roerende goederen en niet uitsluitend op onroerende goederen door bestemming;

25. In zijn arrest van 2 februari 2011 wijst de Raad van State erop dat voor de uitlegging van de begrippen ‘decoratief' en ‘integrerend deel', verwezen moet worden naar de Overeenkomst van Granada, en meer bepaald naar het verklarend verslag bij die overeenkomst. Artikel 206 van het BWRO beoogde immers die overeenkomst te integreren in het recht van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;

Welnu, zoals het arrest van de Raad van State terecht vermeldt ‘il y est exposé que les installations et éléments décoratifs faisant partie intégrante des édifices s'entendent «des réalisations artistiques ou techniques s'intégrant à l'architecture et conçues en fonction même de cette architecture', waarbij het verslag voorts vermeldt: ‘la Convention se rapporte aux bâtiments et aux sites. Toutefois, compte tenu de l'importance des objets mobiliers qui ont un lien particulier avec les édifices protégés où ils s'insèrent, une attention supplémentaire devrait être portée à la possibilité de leur étendre la protection de l'ensemble';

De uitrusting of decoratieve elementen die integrerend deel uitmaken van een architecturaal werk in de zin van artikel 206 van het BWRO zijn dus geen esthetische maar juridische begrippen die slaan op de elementen die zo nauw met het monument verbonden zijn dat ze ertoe bijdragen de historische, archeologische, artistieke, esthetische, wetenschappelijke, sociale, technische of volkskundige waarde ervan te bepalen, zodat, zoals de Raad van State erop wees, de bescherming van het monument, als zij geheel en volledig wil zijn, noodzakelijkerwijs moet uitgebreid worden tot die voorwerpen, ‘indépendamment de la valeur intrinsèque qu'ils pourraient avoir de manière isolée par rapport à l-ensemble dans lequel ils s'insèrent, et que s'avèrent indifférentes leur qualification en droit civil et l'identité de leurs propriétaires, ces considérations étant dépourvues de pertinence pour délimiter la partie de l'ensemble qui mérite la protection au titre de monument';

De thesaurus die is opgesteld door het Europees erfgoednetwerk - die ook thans nog het monument zou beschermen met hantering van burgerrechtelijke begrippen - heeft geen enkele weerslag op de juridische omschrijving van artikel 206 van het BWRO;

26. Artikel 206 van het BWRO heeft dus een begrip van internationaal verdragsrecht, specifiek voor de bescherming van monumenten en landschappen, ingevoerd in het nationale recht en het wordt uitgelegd zonder verwijzing naar het door het Burgerlijk Wetboek gemaakte onderscheid tussen roerende goederen, onroerende goederen uit hun aard en onroerende goederen door bestemming of door incorporatie. In deze zaak dient dus niet te worden onderzocht of de door de litigieuze beschermingsbesluiten bedoelde goederen, al dan niet onroerende goederen door bestemming zijn, noch of de inschrijving van het Stocletpaleis een invloed heeft gehad op de roerende of onroerende aard van de in bijlage II van de litigieuze beschermingsbesluiten vermelde zaken, maar enkel te controleren of het gaat om de uitrusting of om decoratieve elementen die integrerend deel uitmaken van de gebouwen van het Stocletpaleis of van zijn tuin in de voornoemde betekenis".

Het arrest past die beginselen toe en beslist dat het beschermingsbesluit van 9 november 2006 net als dat van 13 oktober 2005 naar recht konden bepalen dat de beschermde goederen een uitrusting zijn of integrerend deel uitmaken van het Stocletpaleis.

Inzonderheid vermeldt het arrest onder punt 28 het volgende met betrekking tot het beschermingsbesluit van 9 november 2006:

"De [eerste verweerder] die meende dat alle in de bijlage II van dat besluit vermelde goederen beschermd moeten worden als een uitrusting of decoratieve elementen die voortkomen uit een totaal kunstwerk, heeft geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt die gecensureerd moet worden. Zoals de Raad van State erop heeft gewezen, ‘cette motivation du classement est largement étayée par les pièces versées au dossier administratif' en ‘elle est corroborée par l'abondante documentation scientifique' die de [eerste verweerder] overlegt, zoals het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen en vooral het verslag van de directie monumenten en landschappen volgens hetwelk de meubels en voorwerpen ten volle verbonden zijn met het gehele werk en daarmee een on-losmakelijke collectie vormen, onder voorbehoud van een minderheid die niet werd opgenomen in het besluit van 9 november 2006, waarbij het hof [van beroep] verwees naar nr. 8 [van zijn] arrest alsook naar de passage uit dat arrest die werd vermeld op bladzijde 31 van het arrest van de Raad van State;

Het hof [van beroep] sluit zich aan bij de zienswijze van de Raad van State volgens welke, ‘sur la base de ces éléments, la [première défenderesse] a pu, sans méconnaître l'article 206, 1°, a), du CoBAT, estimer que les objets classés par le second acte attaqué présentent un « lien indissociable » avec le palais Stoclet, lien qui est de nature historique, artistique et esthétique, et qu'ils en font partie intégrante, en sorte qu'ils contribuent à déterminer la valeur du monument et du jardin classés antérieurement et qu'ils doivent donc être protégés in situ avec ceux-ci, leur déplacement étant de nature à porter atteinte à l'intégrité de la réalisation remarquable à protéger'. Aangezien het Stocletpaleis beschouwd kan worden als een totaal kunstwerk ‘le lien existant entre celui-ci et sa décoration ainsi que son ameublement est particulièrement fort, en sorte que l'ensemble peut englober de manière certaine tous les objets, mêmes les plus usuels, qui ont été spécialement conçus pour faire partie de la réalisation';

De [eisers] proberen dus ten onrechte die band voor een aantal voorwerpen te betwisten."

Grieven

Eerste onderdeel

I. Artikel 1 van de Overeenkomst van Granada van 3 oktober 1985 inzake het be-houd van het architectonische erfgoed van Europa, goedgekeurd bij de wet van 8 juni 1992, luidt als volgt: "Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt het begrip " architectonisch erfgoed" geacht de volgende onroerende goederen te omvatten: 1. Monumenten: alle bouwwerken van opmerkelijk historisch, archeologisch, artistiek, wetenschappelijk, sociaal of technisch belang, met inbegrip van de bijbehorende uitrusting".

Uit de tekst van de bepaling alsook uit het verklarend verslag volgt dat de bijbehorende uitrusting de hoedanigheid van een onroerend goed moet hebben om onder de toepassing van de Overeenkomst te vallen.

2. Uit de artikelen 222 en 226 van het BWRO volgt dat, op het grondgebied van het Brussel Hoofdstedelijk Gewest, enkel de goederen die behoren tot het onroerende erfgoed onder de in die bepalingen bedoelde beschermingsprocedure kunnen vallen.

Artikel 206 van het BWRO geeft de volgende begripsomschrijving van het onroerende erfgoed in de zin van de voornoemde bepalingen:

"Voor de toepassing van deze titel moet worden verstaan onder: 1° onroerend erfgoed: het geheel van de onroerende goederen met een historische, archeologische, artistieke, esthetische, wetenschappelijke, sociale, technische of volkskundige waarde, te weten: a) als monument: elk merkwaardig werk, met inbegrip van de uitrusting of decoratieve elementen die er integrerend deel van uitmaken".

Uit de tekst van die bepaling alsook uit de parlementaire voorbereiding ervan volgt dat er voor de uitrusting of de decoratieve elementen die integrerend deel uitmaken van een monument slechts een beschermingsprocedure in de zin van de artikelen 222 en 226 van het BWRO kan worden ingesteld indien ze de hoedanigheid hebben van onroerende goederen uit hun aard of door bestemming, in de zin van de artikelen 516, 517, 524 en 525 van het Burgerlijk Wetboek.

3. Om de in de aanhef van het middel vermelde redenen beslist het arrest dat artikel 206, 1°, a), in die zin moet worden uitgelegd dat het in het nationale recht een autonoom begrip van internationaal verdragsrecht heeft ingevoerd in vergelijking met het door het Burgerlijk Wetboek gemaakte onderscheid tussen roerende goederen en onroerende goederen, zodat de uitrusting en decoratieve elementen die integrerend deel uitmaken van een monument behoren tot het onroerende erfgoed in de zin van die bepaling en dus onder de in de artikelen 222 en 226 van het BWRO bedoelde beschermingsprocedure kunnen vallen, ook al hebben ze niet de hoedanigheid van onroerende goederen uit hun aard of door bestemming in de zin van het burgerlijk recht.

Aldus miskent het arrest zowel de draagwijdte van het internationaal verdragsrecht waarnaar het verwijst (schending van artikel 1 van de Overeenkomst van Granada van 3 oktober 1985 en, voor zoveel als nodig, van de goedkeuringswet ervan) als het begrip goederen behorend tot het onroerende erfgoed (schending van de artikelen 206, 1°, a), 222 en 226 van het BWRO alsook, voor zoveel als nodig, 516, 517, 524 en 525 van het Burgerlijk Wetboek).

Tweede onderdeel

1. Uit de artikelen 222 en 226 van het BWRO volgt dat op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, enkel de goederen die behoren tot het onroerende erfgoed onder de in die bepalingen bedoelde beschermingsprocedure kunnen vallen.

Artikel 206 van het BWRO geeft de volgende begripsomschrijving van het onroerende erfgoed in de zin van de voornoemde bepalingen:

"Voor de toepassing van deze titel moet worden verstaan onder: 1° onroerend erfgoed: het geheel van de onroerende goederen met een historische, archeologische, artistieke, esthetische, wetenschappelijke, sociale, technische of volkskundige waarde, te weten: a) als monument: elk merkwaardig werk, met inbegrip van de uitrusting of decoratieve elementen die er integrerend deel van uitmaken".

Het onroerende erfgoed is dus een wettelijk omschreven begrip. Wanneer de eerste verweerder een beschermingsprocedure instelt of een definitief beschermingsbesluit goedkeurt, is zijn bevoegdheid dus gebonden in zoverre moet worden bepaald of de goederen die hij wil beschermen al dan niet tot het onroerende erfgoed behoren. Die vraag impliceert dat geen enkele discretionaire beoordelingsbevoegdheid kan worden uitgeoefend.

2. Luidens artikel 159 van de Grondwet passen de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zoverre ze met de wetten overeenstemmen.

Krachtens die bepaling hebben de met de eigenlijke rechtspraak belaste organen de bevoegdheid en de plicht om de interne wettigheid en de externe wettigheid van elke administratieve handeling te toetsen waarop een vordering, een verweer of een exceptie gegrond is.

Die wettigheidstoetsing is niet beperkt tot de eventuele kennelijke onregelmatig-heden van die handeling.

Meer bepaald kan de rechter, wanneer hij een administratieve handeling toetst die slechts onder bepaalde voorwaarden kan worden aangenomen en daarvan een wettelijke begripsomschrijving bestaat, zich niet ertoe beperken de kennelijke be-oordelingsfouten van de administratie bij de toepassing van de wettelijke begripsomschrijving te censureren, maar dient hij ook elke miskenning van die begripsomschrijving te censureren.

3. Uit punt 28 van het arrest, dat in de aanhef van het middel wordt weergegeven, blijkt dat arrest, bij zijn beslissing dat het door de eerste verweerder goedgekeurde beschermingsbesluit van 9 november 2006 artikel 206, 1°, a), van het BWRO niet schendt, enkel heeft nagegaan of de eerste verweerder geen "kennelijke beoordelingsfout die gecensureerd zou moeten worden" had begaan, maar niet heeft nagegaan of dat beschermingsbesluit het wettelijk begrip onroerend erfgoed miskende, al was het maar marginaal.

4. Aldus:

1° miskent het arrest het wettelijk begrip onroerend erfgoed (schending van de ar-tikelen 206, 1°, a), 222 en 226 van het BWRO);

2° miskent het de grenzen van het toezicht dat het moet uitoefenen op de wettigheid van de administratieve handelingen dat niet beperkt is tot de kennelijke onregelmatigheden (schending van artikel 159 van de Grondwet);

3° stelt het op zijn minst, doordat het in zijn redenen niet nagaat en vaststelt of het beschermingsbesluit van 9 november 2006 het begrip onroerend erfgoed miskende, al was het maar marginaal, het Hof in de onmogelijkheid om de wettigheid van zijn beslissing te toetsen en is het, bijgevolg, niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).

Derde middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 1 van het eerste aanvullende Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, gedaan te Parijs op 20 maart 1952 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 en, voor zoveel als nodig, die goedkeuringswet;

- artikel 16 van de Grondwet;

- de artikelen 206, 1°, a), 222, 226 en 232 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, gecoördineerd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 9 april 2004, hierna BWRO;

- artikel 815 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 510 van het Wetboek van vennootschappen.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart de oorspronkelijke en nieuwe vorderingen van de eisers niet-gegrond, bevestigt het beroepen vonnis met betrekking tot de kosten en veroordeelt de eisers in de kosten van het hoger beroep.

Die beslissingen steunen op de onderstaande redenen:

"30. De [eisers] voeren ook de schending aan van artikel 16 van de Grondwet en van artikel 1 van het eerste aanvullende Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in zoverre de bescherming van de litigieuze goederen hen de mogelijkheid tot het genot en de beschikking ervan zou ontzeggen. [Zij] betogen dat [zij] feitelijk onteigend worden aangezien [zij] geen toegang tot die roerende goederen hebben zonder de instemming van de eigenaar van de panden en dat [zij], doordat [zij] die niet kunnen verplaatsen, ze slechts kunnen verkopen aan de eigenaar of aan derden die het pand en de beschermde meubels die samen een geheel vormen, zouden aankopen. [Zij] wijzen erop dat die feitelijke onteigening echter helemaal niet wordt vergoed.

31. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt dat niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling. Artikel 1 van het eerste aanvullende Protocol bepaalt:

‘Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht .

De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren';

Artikel 1 van het eerste aanvullende Protocol vermeldt aldus dat het eigendomsrecht geëerbiedigd moet worden, onderwerpt de (volledige) ontzetting uit de eigendom aan bepaalde voorwaarden en staat toe dat het gebruik van de goederen wordt geregeld;

De eigendomsberovende maatregelen in de zin van de voornoemde bepalingen, bestaan niet alleen in de overdrachten van de rechtstitel in de strikte zin als gevolg van een onteigening, een nationalisatie of een verbeurdverklaring, maar ook in de feitelijke onteigeningen, d.w.z. die welke de volledige verlamming van de ei-gendomsprerogatieven beogen. Uit de combinatie van beide voornoemde bepa-lingen volgt dat dergelijke maatregelen een wettelijke grondslag in het interne recht moeten vinden, d.w.z. een juridische grondslag in een geldende norm die zelf moet stroken met de hogere normen van het interne recht. Die wettelijke grondslag moet toegankelijk, voldoende duidelijk en voorzienbaar zijn. Ze moeten dus een openbaar nut nastreven, in het raam van een billijk evenwicht tussen de voorhanden zijnde belangen, waarbij het openbaar nut discretionair wordt beoordeeld door de bevoegde overheden wier beoordelingsfout marginaal wordt getoetst, hetgeen erin bestaat na te gaan of de aangevoerde grond kennelijk geen verband houdt met het aangevoerde openbaar nut;

Tot slot moeten ze, in de regel, gepaard gaan met een billijke en voorafgaande vergoeding die redelijkerwijs overeenstemt met de waarde van het goed;

32. De litigieuze bescherming ontzet de [eisers] niet uit hun eigendom ten voordele van de eigenaar van het pand waar zij zich bevinden, aangezien zij op zichzelf niet ertoe leidt dat die elementen veranderen in onroerende goederen door bestemming waarvan de eigendom zou toekomen aan de eigenaar van het pand, de naamloze vennootschap Compagnie immobilière S.A.S.;

Overigens verbiedt geen enkele bepaling van het BWRO dat de [eisers], in hun hoedanigheid van onverdeelde eigenaars van de litigieuze goederen, de eigendom ervan overdragen aan een derde of ze met de andere mede-eigenaars delen. De eigendomsoverdracht blijft theoretisch en praktisch mogelijk, ofwel tussen mede-eigenaars, ofwel aan de naamloze vennootschap die eigenaar is van de gebouwen, of nog aan een derde die het geheel aankoopt (roerende en onroerende goederen), ofwel ten slotte aan een derde koper van de beschermde roerende goederen die van de eigenaar een bewoningsrecht heeft verkregen om het genot van zijn aankoop te hebben, welke mogelijkheid volstrekt uitvoerbaar is aangezien de [eisers] de meerderheid bezitten van de aandelen van de voornoemde naamloze vennootschap en drie van de vier zetels in het directiecomité hebben;

De eigendomsoverdracht van de roerende goederen aan een derde door een van de mede-eigenaars vereiste overigens, nog vóór de beschermingsbesluiten, voorafgaande verdelingsverrichtingen, terwijl de eigendomsoverdracht van het geheel van de goederen de instemming vereiste van alle mede-eigenaars, waarbij die verplichtingen voortvloeien uit de onverdeeldheid waarin de [eisers] en de tweede en de derde [verweerder] zich bevinden. De verdeling van de beschermde goederen blijft ook mogelijk door ze in loten onder te verdelen;

Ten slotte zouden de eventuele moeilijkheden die deze of gene van de mede-eigenaars zouden hebben ondervonden om de beschermde goederen te gebruiken, in de onderstelling dat ze bewezen zijn, (zij hadden immers een overeenkomst kunnen sluiten om de litigieuze goederen niet te gebruiken), niet voortvloeien uit de beschermingsbesluiten, aangezien ze het gebruik van beschermde zaken toestaan op voorwaarde ze niet te gebruiken of het gebruik ervan zodanig te wijzigen dat ze hun waarde verliezen volgens de maatstaven bepaald in artikel 206, 1°, van het BWRO, maar wel uit de voornoemde onverdeeldheid en uit de onroerende rechten van de Compagnie immobilière S.A.S. Zodoende kon deze of gene van de mede-eigenaars, nog vóór de beschermingsbesluiten, slechts met toestemming van de overige mede-eigenaars en van de eigenaar van het pand, aanspraak maken op het genot van de beschermde goederen;

De bewuste bescherming kan dus niet worden opgevat als een onteigening aange-zien zij niet elke draagwijdte aan het eigendomsrecht van de [eisers] ontneemt, zelfs als de overdrachtswaarde van de litigieuze goederen gedaald zou zijn als gevolg van de bescherming ervan;

33. De bescherming beperkt ongetwijfeld het eigendomsrecht van de [eisers] aangezien zij, volgens artikel 232 van het BWRO het verbod inhoudt de beschermde roerende goederen gedeeltelijk of volledig te vernietigen, ze te beschadigen of te verplaatsen, tenzij de vrijwaring ervan dit absoluut vereist en op voorwaarde dat de nodige garanties voor de afbraak, het overbrengen en de wederopbouw ervan op een geschikte plaats genomen zijn;

In deze zaak zijn die beperkingen niet voor kritiek vatbaar. Immers:

- ze vloeien voort uit een uitdrukkelijke wetsbepaling, die strookt met de hogere normen, en die voorzienbaar en bekend is;

- de bescherming heeft een gewettigd doel in het kader van de behoud van het culturele erfgoed dat de [eerste verweerder] nastreeft conform de Overeenkomst van Granada van 3 oktober 1985 die uitdrukkelijk gewag maakt van de roerende voorwerpen die een bijzondere band hebben met het beschermde gebouw;

- dat gewettigde doel beantwoordt aan een bezorgdheid van algemeen belang; de Raad van State heeft immers in zijn arrest van 2 februari 2011 erop gewezen dat de hoven en rechtbanken de beoordeling van die waarde door de [eerste verweerder] slechts marginaal kunnen toetsen. Het is niet kennelijk verkeerd te stellen dat de bescherming van de litigieuze goederen beantwoordt aan de algemene, historische, esthetische en artistieke waarde en dit, hoewel de binnenkant van het Stocletpaleis thans nog niet toegankelijk is voor het publiek en niet bezocht kan worden; de zichtbaarheid voor het publiek is immers geen door het BWRO vastgelegde voorwaarde voor de bescherming van dergelijke goederen en is niet opgenomen in de litigieuze besluiten;

- de beschermingsmaatregel staat in verhouding tot de bescherming van een erf-goed van uitzonderlijke waarde, die met name wordt bevestigd door het feit dat de Commissie voor het Werelderfgoed het heeft ingeschreven op de werelderfgoedlijst van de Unesco en heeft uitsluitend betrekking op de meubels, decoratievoorwerpen en -elementen die konden worden aangemerkt als integrerend deel van het gehele kunstwerk;

- tot slot valt de wettigheid van die beslissing niet te betwisten (zie de bovenstaande uiteenzettingen van het hof [van beroep] betreffende artikel 206 van het BWRO);

De schending van artikel 16 van de Grondwet en van artikel 1 van het eerste aan-vullende Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is dus niet bewezen."

In punt 4 vermeldt het arrest overigens het volgende:

"De [eisers] zijn, ten gevolge van opeenvolgende erfopvolgingen [...] tevens, met de tweede en de derde [verweerder], de onverdeelde eigenaars van de meubels en de decoratieve voorwerpen [...] die nog in het Stocletpaleis staan".

Grieven

1. De artikelen 16 van de Grondwet en 1 van het eerste aanvullende Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, gedaan te Parijs op 20 maart 1952 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, bekrachtigen het recht op eerbiediging van de eigendom.

Een aantasting van het recht van een persoon op de eerbiediging van zijn goederen kan enkel verenigbaar zijn met die bepalingen als zij het legaliteitsbeginsel naleeft en geen arbitrair karakter vertoont. Zij moet tevens een billijk evenwicht tot stand brengen tussen het algemeen belang van de gemeenschap en de vereisten van de vrijwaring van de fundamentele rechten van het individu. Dat evenwicht wordt verbroken als de betrokken persoon een bijzondere en buitensporige last moet dragen.

In geval van eigendomsberoving vereist het billijke evenwicht dat een bedrag wordt betaald dat redelijkerwijs in verhouding staat tot de waarde van het goed, zo niet gaat het om een buitensporige aantasting van de rechten van de privépersonen.

Overigens is het ontbreken van een vergoeding, zelfs zonder eigendomsberoving, een van de factoren die in aanmerking moeten worden genomen om te bepalen of een billijk evenwicht werd nageleefd.

2. Uit de artikelen 222 en 226 van het BWRO volgt dat de goederen die behoren tot het onroerende erfgoed, op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, onder de beschermingsprocedure in de zin van die bepalingen kunnen vallen.

Artikel 206 van het BWRO geeft de volgende begripsomschrijving van het onroerende erfgoed in de zin van de voornoemde bepalingen:

"Voor de toepassing van deze titel moet worden verstaan onder: 1° onroerend erfgoed: het geheel van de onroerende goederen met een historische, archeologische, artistieke, esthetische, wetenschappelijke, sociale, technische of volkskundige waarde, te weten: a) als monument: elk merkwaardig werk, met inbegrip van de uitrusting of decoratieve elementen die er integrerend deel van uitmaken".

3. Volgens artikel 232 van het BWRO is het verboden:

1° een goed dat behoort tot het beschermde onroerende erfgoed gedeeltelijk of volledig af te breken;

2° een dergelijk goed te gebruiken of het gebruik ervan zodanig te wijzigen dat het zijn waarde verliest volgens de maatstaven bepaald in artikel 206, 1°;

3° in een dergelijk goed werkzaamheden uit te voeren zonder rekening te houden met bijzondere behoudsvoorwaarden;

4° een goed dat behoort tot het beschermd onroerend erfgoed gedeeltelijk of volledig te verplaatsen, tenzij de materiële vrijwaring van het goed dit absoluut vereist en op voorwaarde dat de nodige garanties voor de afbraak, het overbrengen en de wederopbouw ervan op een geschikte plaats genomen zijn.

4. Wanneer een beschermingsmaatregel betrekking heeft op de uitrusting en de decoratieve elementen die integrerend deel uitmaken van een monument, vloeit uit artikel 232, 4°, van het BWRO het verbod voort om die voorwerpen te verplaatsen, ook al vertonen ze niet het kenmerk van onroerend goed uit hun aard of door bestemming.

Bijgevolg heeft de beschermingsmaatregel, wanneer de eigenaar van die voor-werpen niet de eigenaar is van het monument waarvan ze integrerend deel uitmaken, de volgende gevolgen:

1° de eigenaar van de beschermde voorwerpen kan ze niet langer gebruiken wan-neer de eigenaar van het monument hem de toegang ertoe weigert;

2° hoewel de eigenaar van de beschermde voorwerpen in theorie nog vrijelijk over de eigendom ervan kan beschikken, wordt de mogelijkheid om ze over te dragen in de praktijk heel erg beperkt, aangezien elke potentiële koper voor dezelfde beperking van het gebruiksrecht zou staan en die voorwerpen pas zou kunnen aankopen mits ook hij met de eigenaar van het monument tot een vergelijk is kunnen komen over de aankoop van dat monument of, op zijn minst, over het recht op toegang ertoe.

Die beperkingen van het recht op gebruik van en beschikking over de beschermde voorwerpen vormen een aantasting van het wezen zelf van het eigendomsrecht.

5. Uit het bovenstaande volgt dat, bij ontstentenis van enige vergoeding, een beschermingsmaatregel voor roerende voorwerpen die integrerend deel uitmaken van een monument, wanneer die voorwerpen niet aan dezelfde persoon toebehoren als de eigenaar van het gebouw, een aantasting opleveren die gelijkstaat met een eigendomsberoving, of, althans, een aantasting die een bijzondere en buitensporige last vormt die het billijk evenwicht tussen het algemeen belang van de gemeenschap en de vereisten van de vrijwaring van de fundamentele rechten van het individu verbreekt.

Dienaangaande kunnen de omstandigheden dat de beschermde voorwerpen thans in onverdeeldheid zijn, en dat het monument thans toebehoort aan een naamloze vennootschap die gecontroleerd wordt door de eigenaars van de beschermde voorwerpen niet in aanmerking worden genomen, aangezien het om hoofdzakelijk tijdelijke en bijkomstige omstandigheden gaat.

Enerzijds is, krachtens artikel 815 van het Burgerlijk Wetboek, immers niemand verplicht in onverdeeldheid te blijven, zodat de verdeling van de beschermde voorwerpen op elk ogenblik gevraagd kan worden. Anderzijds zijn de aandelen van een naamloze vennootschap in beginsel overdraagbaar overeenkomstig artikel 510 van het Wetboek van vennootschappen, zodat de controle van de vennootschap die eigenaar is van de monumenten nooit definitief verworven is.

6. Om de in de aanhef van het middel vermelde redenen stelt het arrest vast dat de goederen die onder de beschermingsmaatregel vallen op grond dat ze integrerend deel uitmaken van het Stocletpaleis in onverdeeldheid toebehoren aan de eisers en aan de tweede en de derde verweerder, terwijl het Stocletpaleis toebehoort aan de naamloze vennootschap Compagnie immobilière S.A.S.

Het beslist vervolgens, in essentie, dat de beschermingsmaatregel van die voorwerpen geen eigendomsberoving oplevert op grond dat de eigendomsoverdracht ervan theoretisch en praktisch mogelijk blijft, aangezien de eisers de meerderheid bezitten van de aandelen van de voornoemde naamloze vennootschap en drie van de vier zetels in het directiecomité hebben. Het beslist voorts dat de beperkingen van het recht van de eisers op gebruik van en beschikking over de beschermde voorwerpen voortvloeien uit de toestand van onverdeeldheid waarin zij zich bevinden en uit de rechten van de Compagnie immo-bilière S.A.S. veeleer dan uit de beschermingsmaatregel.

Ten slotte beslist het in essentie dat de beperkingen van het eigendomsrecht van de eisers op de beschermde voorwerpen niet voor kritiek vatbaar zijn aangezien ze in de wet zijn vastgelegd, beantwoorden aan een gewettigd doel van algemeen belang en in verhouding staan tot de bescherming van een erfgoed van uitzonderlijke waarde.

7. Zodoende leidt het arrest uit zijn vaststellingen niet naar recht af dat de bescher-mingsmaatregel van de eerste verweerder, zonder enige vergoeding van de eisers, een billijk evenwicht tot stand brengt tussen het algemeen belang van de gemeenschap en de vereisten van de vrijwaring van de fundamentele rechten van het individu (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde bepalingen).

8. Subsidiair verzoeken de eisers dat het Hof, alvorens uitspraak over het middel te doen, aan het Grondwettelijk Hof de onderstaande prejudiciële vraag stelt:

Schenden de artikelen 206, 1°, a), 222, 226 en 234 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, gecoördineerd door het besluit van de Brusselse Hoofdste-delijke Regering van 9 april 2004, artikel 16 van de Grondwet, in combinatie met artikel 1 van het eerste aanvullende Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, gedaan te Parijs op 20 maart 1952 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, gelet op de beperkingen die ze aanbrengen in het recht op gebruik van en beschikking over de betrokken goederen, indien ze in die zin worden uitgelegd dat ze de bescherming zonder vergoeding toestaan van roerende voorwerpen die integrerend deel uitmaken van een monument in het geval waarin die voorwerpen niet toebehoren aan dezelfde persoon als de eigenaar van het monument ?".

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede middel

Eerste onderdeel

Enerzijds bepaalt artikel 1 van de Overeenkomst van Granada van 3 oktober 1985 inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa dat het begrip "architectonisch erfgoed", voor de toepassing van die overeenkomst, geacht wordt de volgende onroerende goederen te omvatten: 1. monumenten : alle bouwwerken van opmerkelijk historisch, archeologisch, artistiek, wetenschap-pelijk, sociaal of technisch belang, met inbegrip van de bijbehorende uitrusting.

Die bepaling die uitsluitend begripsomschrijvingen bevat, strekt niet ertoe verplichtingen of rechten vast te leggen waarop de rechtzoekenden zich zouden kunnen beroepen en zij heeft bijgevolg geen directe werking in het interne recht.

Anderzijds wordt het onroerende erfgoed dat het voorwerp kan uitmaken van de beschermingsprocedure als bedoeld in de artikelen 222 en 226 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, gecoördineerd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 9 april 2004, in artikel 206, 1°, a), van dat wetboek omschreven als het geheel van de onroerende goederen met een historische, archeologische, artistieke, esthetische, wetenschappelijke, sociale, technische of volkskundige waarde, te weten: als monument: elk merkwaardig werk, met inbegrip van de uitrusting of decoratieve elementen die er integrerend deel van uitmaken.

Onder uitrusting of decoratieve elementen die integrerend deel uitmaken van het als monument beschermde werk moet worden verstaan elk voorwerp dat, wegens de historische, archeologische, artistieke, esthetische, wetenschappelijke, sociale, technische of volkskundige band die het met dat werk verbindt, bijdraagt tot de socio-culturele, artistieke of historische waarde ervan.

Anders dan het onderdeel voorhoudt, legt voornoemd artikel 206, 1°, a), niet op dat die voorwerpen bovendien de hoedanigheid van onroerend goed uit zijn aard of door bestemming moeten hebben.

Het onderdeel faalt naar recht.

Tweede onderdeel

Het arrest overweegt, met zijn eigen redenen en met overname van de redenen van het arrest van de Raad van State van 2 februari 2011, dat "en estimant que tous les biens inventoriés dans l'annexe II de [het beschermingsbesluit van 9 november 2006] doivent être classés au titre d'installations ou d'éléments décoratifs parti-cipant d'une œuvre d'art totale, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest n'a pas com-mis une erreur manifeste d'appréciation qu'il conviendrait de censurer" en dat "die motivering van de bescherming ruimschoots gestaafd wordt door de stukken in het administratief dossier en bevestigd door de overvloedige wetenschappelijke documentatie die de [eerste verweerder] overlegt, zoals het advies van de Konin-klijke Commissie voor Monumenten en Landschappen en vooral het verslag van de directie monumenten en landschappen volgens hetwelk de meubels en voorwerpen ten volle verbonden zijn met het gehele werk en daarmee een onlosmakelijke collectie vormen".

Met overname van de redenen van het voornoemde arrest van de Raad van State overweegt het arrest dat, "‘sur la base de ces éléments, la [première défenderesse] a pu, sans méconnaître l'article 206, 1°, a), du Code bruxellois de l'aménagement du territoire, estimer que les objets classés par le second acte attaqué présentent un "lien indissociable" avec le palais Stoclet, lien qui est de nature historique, artistique et esthétique, et qu'ils en font partie intégrante, en sorte qu'ils contribuent à déterminer la valeur du monument et du jardin classés antérieurement et qu'ils doivent donc être protégés in situ avec ceux-ci, leur déplacement étant de nature à porter atteinte à l'intégrité de la réalisation remarquable à protéger'" en dat, "aangezien het Stocletpaleis beschouwd kan worden als een totaal kunstwerk, ‘le lien existant entre celui-ci et sa décoration ainsi que son ameublement est particulièrement fort, en sorte que l'ensemble peut englober de manière certaine tous les objets, même les plus usuels, qui ont été spécialement conçus pour faire partie de la réalisation'".

Met die overwegingen beperkt het arrest zijn wettigheidstoetsing van het beschermingsbesluit van 9 november 2006 niet tot de eventuele kennelijke onregelmatigheden van die akte, maar onderzoekt het of dat besluit het begrip onroerend erfgoed, zoals het is vastgelegd in artikel 206, 1°, a), van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, niet miskent.

Voor het overige miskent het arrest, door de voornoemde overwegingen, dat wettelijk begrip onroerend erfgoed niet en biedt het Hof de mogelijkheid zijn wettigheidstoetsing uit te oefenen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

Hoewel een beschermingsmaatregel van een goed een beperking kan vormen op het uitoefenen van het eigendomsrecht van de eigenaar ervan, levert zij geen daadwerkelijke beroving van dat goed op.

In zoverre het middel de schending aanvoert van artikel 16 van de Grondwet, dat van toepassing is in geval van onteigening ten algemenen nutte, die een gedwongen eigendomsoverdracht onderstelt waaruit een eigendomsverlies, en bijgevolg een daadwerkelijke beroving van een goed voortvloeit, faalt het naar recht.

In strijd met hetgeen het middel voorhoudt, verantwoordt het arrest zijn beslissing dat "de litigieuze bescherming de [eisers] niet uit hun eigendom ontzet" niet uitsluitend met de overweging dat de eisers de meerderheid bezitten van de aandelen van de voornoemde naamloze vennootschap en drie van de vier zetels in het directiecomité hebben en dat de beperkingen van het recht op gebruik van en beschikking over de beschermde voorwerpen voortvloeien uit de toestand van onverdeeldheid waarin zij zich bevinden en uit de rechten van de Compagnie immobilière S.A.S. veeleer dan uit de beschermingsmaatregel.

Het arrest steunt die beslissing ook op de overweging, die los staat van de bovenstaande dat de litigieuze bescherming "op zichzelf niet ertoe leidt dat [de beschermde] elementen veranderen in onroerende goederen door bestemming waarvan de eigendom zou toekomen aan de eigenaar van het pand, de [vennootschap] Compagnie immobilière S.A.S." en dat "de eigendomsoverdracht [van de beschermde goederen] [...] theoretisch en praktisch mogelijk [blijft], ofwel tussen mede-eigenaars, ofwel aan de naamloze vennootschap die eigenaar is van de gebouwen, of nog aan een derde die het geheel aankoopt (roerende en onroerende goederen), ofwel ten slotte aan een derde koper van de beschermde roerende goederen die van de eigenaar een bewoningsrecht heeft verkregen om het genot van zijn aankoop te hebben".

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

Voor het overige voerden de eisers in hun derde aanvullende en syntheseconclusie in hoger beroep, met betrekking tot artikel 1 van het eerste aanvullende Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, aan dat "het Europees Hof voor de rechten van de mens [...] beslist dat een eigendomsberoving, zonder de betaling van een bedrag dat redelijkerwijs in verhouding staat tot de waarde van het goed, normaal gezien een uitzonderlijke aantasting is en dat het totale ontbreken van een vergoeding slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden verantwoord", dat "de litigieuze beschermingsmaatregel neerkomt op een definitieve beroving van de [eisers] van de roerende goederen in het Stocletpaleis", dat "een dergelijke feitelijke onteigening van de [eisers] gebeurd is zonder billijke en voorafgaande vergoeding" en dat "zij dus in strijd is [met artikel] 1van het eerste Protocol", en vorderden, in hoofdorde, met name, dat "voor recht zou worden gezegd dat [de] twee besluiten een fout opleveren die het eigendomsrecht van de [eisers] hebben aangetast door hen de essentie van hun recht op de litigieuze roerende goederen te ontnemen".

Voor het hof van beroep hebben de eisers niet betoogd dat, bij ontstentenis van elke vergoeding, de door de eerste verweerder aangenomen beschermings-maatregel van roerende voorwerpen die integrerend deel uitmaken van een monument, een bijzondere en buitensporige last vormt die het billijk evenwicht tussen het algemeen belang van de gemeenschap en de vereisten van de vrijwaring van de fundamentele rechten van het individu verbreekt.

In zoverre het onderdeel voor het eerst voor het Hof de schending van artikel 1 van het eerste aanvullende Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden aanvoert en daartoe betoogt dat het arrest niet naar recht uit die vaststelling afleidt dat de beschermingsmaatregel van de eerste verweerder, zonder enige vergoeding, een billijk evenwicht tot stand brengt tussen het algemeen belang van de gemeenschap en de vereisten van de vrijwaring van de fundamentele rechten van het individu, is het nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk.

Het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof berust op de onjuiste premisse dat de de artikelen 206, 1°, a), 222, 226 en 234 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening een gedwongen eigendoms-overdracht inhouden.

Er is geen reden om een prejudiciële vraag te stellen aangezien de aangevoerde schending niet mogelijk is.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Michel Lemal en Marie-Claire Ernotte, en in openbare te-rechtzitting van 13 juni 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Antoine Lievens en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Overeenkomst van Granada van 3 oktober 1985 inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa

  • Artikel 1

  • Toepassing