- Arrest van 17 juni 2013

17/06/2013 - C.12.0619.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de wetsgeschiedenis van artikel 2277bis, eerste lid, Burgerlijk Wetboek en artikel 9, eerste lid, van de wet van 25 augustus 1891 blijkt de bedoeling van de wetgever om het ziekenvervoer te onderwerpen aan de tweejarige verjaringstermijn van artikel 2277bis Burgerlijk Wetboek.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0619.N

E.H.,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

AMBI CARE vzw, met zetel te 3840 Borgloon, Lambertusstraat 28 A,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in laatste aanleg van de vrederechter van het kanton te Maasmechelen van 14 januari 2011.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 29 april 2013 verwezen naar de derde kamer.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Artikel 2277bis, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, dat werd ingevoegd door ar-tikel 64 van de wet van 6 augustus 1993, bepaalt dat de rechtsvordering van ver-zorgingsverstrekkers met betrekking tot de door hen geleverde geneeskundige verstrekkingen, diensten en goederen, daar inbegrepen de vordering wegens bij-komende kosten, verjaart ten overstaan van de patiënt door verloop van een ter-mijn van twee jaar te rekenen vanaf het einde van de maand waarin deze zijn ver-strekt.

2. Krachtens artikel 9, eerste lid, van de wet van 25 augustus 1891, zoals ge-wijzigd door artikel 65 van de wet van 6 augustus 1993, verjaren alle rechtsvorde-ringen, ontstaan uit de overeenkomst van goederenvervoer, met uitzondering van het ziekenvervoer en van die welke volgen uit een strafbaar feit, door verloop van zes maanden ten aanzien van binnenlands vervoer en door verloop van een jaar ten aanzien van internationaal vervoer. Volgens artikel 9, vierde lid, van deze wet verjaren de rechtsvorderingen uit personenvervoer door verloop van een jaar, met uitzondering van die welke volgen uit een strafbaar feit.

3. Uit de wetsgeschiedenis blijkt de bedoeling van de wetgever om het zieken-vervoer te onderwerpen aan de tweejarige verjaringstermijn van artikel 2277bis Burgerlijk Wetboek.

4. Het vonnis dat oordeelt dat de vordering van de verweerster onderworpen is aan de gemeenrechtelijke tienjarige verjaringstermijn en niet aan deze bedoeld in artikel 2277bis Burgerlijk omdat "een ambulance dienst niet [kan] beschouwd worden als een vordering van een verzorgingsverstrekker" is niet naar recht ver-antwoord.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

eenparig beslissend,

Vernietigt het bestreden vonnis.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de zaak naar de vrederechter van het kanton Genk.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare rechtszitting van 17 juni 2013 uitge-sproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols

K. Mestdagh

A. Smetryns

E. Dirix

Vrije woorden

  • Ziekenvervoer