- Arrest van 19 juni 2013

19/06/2013 - P.12.1150.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het zwijgrecht, dat besloten ligt in het recht op een eerlijke behandeling van de zaak, houdt niet alleen het recht in om niet tegen zichzelf te getuigen maar ook het recht van iedere inverdenkinggestelde om niet mee te werken aan de eigen beschuldiging (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1150.F

I. DE PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL,

II. M. A.,

Mr. Greet Blockx, advocaat bij de balie te Leuven,

III. 1. R. B. e.a.,

burgerlijke partijen,

mrs. Geert Lenssens, advocaat bij de balie te Brussel, en Roel Coveliers, advocaat bij de balie te Antwerpen,

IV. I. P.,

Mrs. Geert Lenssens, advocaat bij de balie te Brussel, en Roel Coveliers, advocaat bij de balie te Antwerpen,

cassatieberoepen gericht tegen

1. CITIBANK BELGIUM nv,

2. F. S.,

Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 21 mei 2012.

De eerste eiser voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier mid-delen aan.

De eisers S. H.-L. en W. R. voeren in een memorie die op de griffie is toegekomen op 24 augustus 2011, een middel aan.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op 3 juni 2013 een conclusie neergelegd op de griffie.

Op de rechtszitting van 12 juni 2013 heeft raadsheer Gustave Steffens verslag uit-gebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Het Hof slaat geen acht op de stukken die de dag van de rechtszitting zijn toege-komen, nadat de zaak in beraad werd genomen.

A. Cassatieberoep van de procureur-generaal

Eerste middel

Het middel verwijt de appelrechters dat zij de stukken en de inlichtingen uit het dossier hebben verwijderd die de eiseres heeft toegezonden ingevolge de aan haar gerichte verzoeken van de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Economie en van het openbaar ministerie.

Volgens de eiser is de toezending daarvan in overeenstemming met de wettelijke middelen die krachtens artikel 104, 2°, Handelspraktijkenwet 1991, ter beschik-king van die ambtenaren en van de procureur des Konings zijn gesteld, aangezien die bepaling geen onderscheid maakt tussen stukken en inlichtingen die in het ka-der van het administratief onderzoek of van het strafonderzoek zijn verkregen.

Het middel voert aan dat de appelrechters, door de stukken, onderzoeksverrichtin-gen en vaststellingen uit het debat de weren die onverenigbaar worden beschouwd met het beginsel van het zwijgrecht, dat voortvloeit uit een onderzoek dat zij als strafrechtelijk omschrijven, op onrechtmatige wijze het toepassingsgebied van de voormelde wetsbepaling hebben beperkt.

Artikel 104, 2°, Handelspraktijkenwet 1991, zoals het op het ogenblik van de fei-ten van kracht was, stelde een geldboete op het met opzet verhinderen of belem-meren van het vervullen van de opdracht van de ambtenaren die met de opsporing en vaststelling van de inbreuken of het niet-naleven van deze wet zijn belast.

Het zwijgrecht, dat besloten ligt in het recht op een eerlijke behandeling van de zaak, houdt niet alleen het recht in om niet tegen zichzelf te getuigen maar ook het recht van iedere inverdenkinggestelde om niet mee te werken aan zijn eigen be-schuldiging. Aangezien de verdachte niet kan worden gedwongen om mee te wer-ken aan het bewijs van de gegrondheid van de beschuldiging die tegen hem zal worden ingebracht, kan hij niet gestraft worden voor het niet-meedelen van gege-vens die hem zullen ontmaskeren.

Daaruit volgt dat de rechter die uitspraak moet doen over een strafvervolging, het bewijs moet weren dat ontleend is aan gegevens die van de verdachte onder be-dreiging van een sanctie zijn verkregen.

Uit het bestreden arrest blijkt dat

- de Algemene Directie Controle en Bemiddeling van de Federale Overheids-dienst Economie, bij post van 4 november 2008 de verweerster een bericht heeft gestuurd waarin zij vermeldt dat zij onder het toezicht van de procureur des Konings handelde en waarin zij verzoekt om bepaalde stukken over te leg-gen en inlichtingen mee te delen, onder bedreiging van de toepassing van de strafrechtelijke sancties bepaald in het voormelde artikel 104 ;

- per e-mail van 7 april 2009 heeft diezelfde directie de verweerster een nieuw verzoek om inlichtingen toegestuurd ;

- per e-mail van 16 april 2009 heeft het openbaar ministerie, dat het voormelde verzoek voor eigen rekening overneemt, de verweerder verweten dat hij daar-aan niet heeft voldaan en daar tegelijkertijd aan toegevoegd dat het niet meedelen van de gevraagde stukken neerkwam op het misdrijf verhinderen van toezicht, dat volgens de wet van 14 juli 1991 strafbaar is, en dat, wanneer het de totaliteit van die stukken ten laatste tegen 17 april 2009 niet zou hebben ont-vangen, de Federale Overheidsdienst Economie dat bij proces-verbaal zou vaststellen.

De appelrechters hebben vastgesteld dat de verweerster, bij de toezending van het bericht van 4 november 2008 de hoedanigheid van beschuldigde had in de zin van artikel 6 EVRM en dat zij bijgevolg op die datum zwijgrecht genoot.

De appelrechters hebben vervolgens geoordeeld dat de herhaalde bedreiging met strafrechtelijke sancties ten aanzien van een natuurlijk persoon of rechtspersoon tegen wie een strafonderzoek is ingesteld, een ernstige aantasting uitmaakt van het recht van de beschuldigde om niet aan het onderzoek mee te werken en, bijgevolg, van zijn zwijgrecht.

Het arrest besluit daaruit dat aangezien de eerbiediging van dat zwijgrecht deel uitmaakt van de eerlijke behandeling van de zaak in de zin van artikel 6 EVRM, er grond toe is om de stukken te weren die met die verschillende berichten zijn toegezonden, evenals de onderzoeksverrichtingen en vaststellingen die op grond daarvan zijn gebeurd en die daaruit voortvloeien, behoudens de stukken à déchar-ge.

Het hof van beroep heeft aldus niet geoordeeld dat die antwoorden zijn verkregen buiten de bij artikel 104, 2°, Handelspraktijkenwet 1991 toegestane wettelijke middelen om, en heeft het in dat artikel bepaalde misdrijf evenmin in overeen-stemming willen brengen met de eerbiediging van het zwijgrecht. Het heeft beslist dat het geen acht vermocht te slaan op de stukken die, wanneer ze op de hierboven beschreven wijze zijn verkregen, dat recht, dat voortvloeit uit bepalingen met rechtstreekse werking in het Belgisch recht, miskenden.

De appelrechters verantwoorden hun beslissing aldus naar recht, zonder dat de door de eiser voorgestelde prejudiciële vraag kan worden gesteld aan het Grond-wettelijk Hof dat, krachtens artikel 26, § 1, 3°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, niet bevoegd is om kennis te nemen van de eventuele miskenning van het beginsel van het zwijgrecht zoals vastgelegd in artikel 6 van het voormelde Ver-drag door een interne rechtsnorm.

Het middel kan bijgevolg niet worden aangenomen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verleent akte van de afstand van de cassatieberoepen van R. B. e.a.

Verwerpt de overige cassatieberoepen.

Laat de kosten van het cassatieberoep van de eerste eiser ten laste van de Staat.

Veroordeelt de overige eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 19 juni 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Erwin Francis en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Zwijgrecht

  • Draagwijdte

  • Recht om niet mee te werken aan de eigen beschuldiging