- Arrest van 21 juni 2013

21/06/2013 - F.12.0009.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter die moet oordelen over een door de belastingplichtige betwiste aanslag, kan niet bij wege van algemene maatregel uitspraak doen over de situatie van personen die niet in de procedure zijn betrokken, zodat hij niet dient na te gaan of andere personen die zich, naar wordt beweerd, in een gelijkaardige situatie bevinden, op dezelfde manier werden behandeld door de belastingdiensten.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.12.0009.N

B.V.,

eiseres,

met als raadsman mr. Willy Van der Gucht, advocaat bij de balie te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Voskenslaan 34,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de administratie van de ondernemings- en inkomstenfiscaliteit, controlecentrum Sint-Niklaas, met kantoor te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4, bus 1,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassa-tie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 3 mei 2011.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 4 februari 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. De appelrechter overweegt "dat in het proces-verbaal geen echte ‘verklaring' van de [eiseres], zijnde een weergave van woorden die ze zou gezegd hebben, weergegeven werd, belet niet dat het proces-verbaal weergeeft dat de [eiseres] verklaart dat de opbrengst van de verkopen 's avonds meegenomen werd door de uitbaatsters, dat de gelden slechts gedeeltelijk aan het buurthuisje werden gespendeerd en dat de opbrengsten toekwamen aan de uitbaatsters".

Met deze reden geeft de appelrechter aan waarom het betwiste proces-verbaal als bewijsmiddel kan worden aangenomen en beantwoordt hij het verweer van de ei-seres.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

2. Het is niet tegenstrijdig, enerzijds, vast te stellen dat het proces-verbaal niet de echte "verklaring" van de eiseres bevat, bedoeld een woordelijke weergave van wat zij heeft verklaard, en, anderzijds, vast te stellen dat dit proces-verbaal sa-mengevat weergeeft wat de zij heeft verklaard.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

3. In zoverre het onderdeel het onderscheid niet maakt tussen de bewijskracht van een proces-verbaal en de bewijswaarde ervan, is het niet ontvankelijk wegens onduidelijkheid.

4. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de weergave van een door de be-lastingplichtige afgelegde verklaring in een proces-verbaal opgesteld door de be-voegde belastingambtenaar ten aanzien van wie die verklaring werd afgelegd, geen bewijs kan uitmaken van de omstandigheid dat de belastingplichtige die ver-klaring heeft afgelegd en van de inhoud ervan, faalt het naar recht.

Tweede middel

Eerste onderdeel

5. Het is niet tegenstrijdig te oordelen dat de eiseres een activiteit uitoefende die aan de inkomstenbelastingen is onderworpen en daarbij te vermelden dat zij door de stad Sint Niklaas, haar opdrachtgever, als vrijwilliger wordt bestempeld.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

6. Dat een economische activiteit niet aan de btw is onderworpen, sluit niet uit dat de inkomsten die zij oplevert, onderworpen zijn aan de inkomstenbelastingen.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Derde onderdeel

7. De appelrechter erkent dat de eiseres optrad in opdracht van de stad Sint Niklaas. Hij oordeelt evenwel dat de eiseres in het buurthuis waar zij werkte op regelmatige basis dranken verkocht aan de bezoekers en dat indien er geld over was de eiseres dit niet moest overmaken aan de stad of aan wie ook en dat zij het geld mocht behouden.

Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de omzet die de eiseres realiseerde in het buurthuis waar zij werkte, werd gerealiseerd voor rekening van de stad Sint Nik-laas, mist feitelijke grondslag.

Derde middel

Eerste onderdeel

8. Met de overweging dat de eiseres geen enkel bewijsstuk voorlegt, beant-woordt en verwerpt de appelrechter het in het onderdeel weergegeven verweer.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

9. In zoverre het onderdeel het Hof uitnodigt tot een feitenonderzoek, is het niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

10. De rechter beoordeelt onaantastbaar in feite de bewijswaarde van de gege-vens die de belastingplichtige voorlegt tot staving van de bedrijfskosten waarvan hij de aftrek vraagt.

11. De appelrechter die oordeelt dat de overgelegde stukken het bewijs niet le-veren van de aangevoerde beroepskosten, sluit daardoor niet uit dat de eiseres haar kosten kan bewijzen door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen met uitzondering van de eed.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Vierde middel

12. De rechter die moet oordelen over een door de belastingplichtige betwiste aanslag, kan niet bij wege van algemene maatregel uitspraak doen over de situatie van personen die niet in de procedure zijn betrokken.

Het middel dat in zijn geheel ervan uitgaat dat de rechter die uitspraak moet doen over de betwisting van een belastingaanslag, dient na te gaan of andere personen die zich, naar wordt beweerd, in een gelijkaardige situatie bevinden, op dezelfde manier werden behandeld door de belastingdiensten, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 204,76 euro en voor de verweerder op 175,60 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, als voorzitter, en de raadsheren Koen Mestdagh, Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 21 juni 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynksy.

V. Kosynsky

B. Wylleman

F. Van Volsem

G. Jocqué K. Mestdagh E. Stassijns

Vrije woorden

  • Fiscaal geding

  • Taak van de rechter