- Arrest van 21 juni 2013

21/06/2013 - F.12.0113.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit artikel 214, 1°, W. Reg. volgt dat, om de verjaringstermijn van twee jaar te kunnen doen lopen, de akte of het geschrift op zichzelf de oorzaak van de opeisbaarheid van de rechten doet kennen op een wijze die de ontvanger toelaat om ze zonder de hulp van andere bescheiden vast te stellen (1). (1) Zie de conclusie van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.12.0113.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de ontvanger van het ontvangkantoor der domeinen en penale boeten, met kantoor te 3700 Tongeren, Verbindingsstraat 26,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. M.D.,

2. M.H.,

verweerders,

die beiden woonplaats hebben gekozen bij gerechtsdeurwaarder Peter Theu-wis, met kantoor te 3630 Maasmechelen, Dokter Haubenlaan 29.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 14 februari 2012.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 4 februari 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 214, 1°, Wetboek Registratierechten is er verjaring voor de invordering van rechten en boeten verschuldigd op een akte of een overeenkomst, na twee jaar, enkel te rekenen van de dag van de registratie van een akte of ge-schrift welke de oorzaak van invorderbaarheid van de rechten en boeten aan het bestuur genoegzaam doet kennen om de noodzakelijkheid van alle verdere opzoe-king uit te sluiten.

Hieruit volgt dat de akte of het geschrift op zichzelf de oorzaak van de opeisbaar-heid van de rechten moet doen kennen op een wijze die de ontvanger toelaat ze zonder onderzoek van andere bescheiden vast te stellen.

2. De appelrechters stellen vast dat:

- de verweerders op 12 juni 2003 de voorlopige bewindvoerder van de consoor-ten R. hebben gedagvaard in uitvoering van de overeenkomst van 17 juli 2002 en het verlijden van de notariële akte;

- uit de dagvaarding van 12 juni 2003 blijkt dat tussen de verweerders en de consoorten R. op 17 juli 2002 een onderhandse verkoopovereenkomst is gesloten betreffende het onroerend goed gelegen te Maaseik, (...) ;

- de dagvaarding op 16 juni 2003 werd geregistreerd op het registratiekantoor van Genk tegen het algemeen vast recht van 25 euro;

- de administratie door deze dagvaarding de gegevens kende van de partijen, het onroerend goed en de verkoopprijs;

- uit de dagvaarding niet blijkt dat er tussen de partijen onenigheid zou bestaan over de voorwaarden van de verkoopovereenkomst.

3. De appelrechters die oordelen dat de administratie van de registratie inge-volge de dagvaarding van 12 juni 2003 op de hoogte was van het bestaan en de inhoud van de onderhandse verkoopovereenkomst van 17 juli 2002 en de oorzaak van de opvorderbaarheid van de rechten en de boeten haar hierdoor op voldoende wijze was gekend zonder dat het noodzakelijk was om verder onderzoek te doen, verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de dagvaarding niet de oorzaak van de opvorderbaarheid van de rechten op voldoende wijze aan de eiser doet kennen zonder dat het noodzakelijk is om nog een verder onderzoek te doen, is geheel af-geleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde schending van artikel 214, 1°, Wetboek Registratierechten, en is mitsdien niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

5. De appelrechters oordelen dat in de dagvaarding van 12 juni 2003 wordt ge-steld dat tussen de verweerders en de consoorten R. op 17 juli 2002 een onder-handse verkoopovereenkomst is gesloten voor het onroerend goed gelegen te Maaseik, (...), voor de prijs van 465.000 euro, in deze overeenkomst is bepaald dat de notariële akte moet worden verleden voor 16 september 2003 en de ver-weerders vrezen dat de consoorten R. hun medewerking hieraan niet zullen verle-nen. Zij oordelen verder dat de eiser door de dagvaarding van 12 juni 2003 op de hoogte was van zowel het bestaan van de onderhandse verkoopovereenkomst van 17 juli 2002 als van de inhoud ervan.

6. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, steunen de appelrechter hiermee hun oordeel niet op vermoedens of een bekentenis, noch schenden zij de regels in-zake de bewijslast.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 379,54 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, als voorzitter, en de raadsheren Koen Mestdagh, Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 21 juni 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky B. Wylleman F. Van Volsem

G. Jocqué K. Mestdagh E. Stassijns

Vrije woorden

  • Invordering

  • Verjaringstermijn van twee jaar

  • Aanvang