- Arrest van 24 juni 2013

24/06/2013 - C.12.0336.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Hij die een schuld die hem eigen is wil voldoen, kan aanspraak maken op de wettelijke indeplaatsstelling als hij, ten aanzien van hun gezamenlijke schuldeiser, door zijn betaling diegene bevrijd heeft op wie de definitieve last komt te liggen (1). (1) Zie de concl van het O.M. in Pas. nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0336.F

AXA BELGIUM nv,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

ETHIAS nv,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Luik van 2 november 2011.

De zaak is bij beschikking van 6 juni 2013 door de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 6 juni 2013 een conclusie ter grif-fie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert een middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 1251, 3°, en 1134 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 45 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst;

- artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen.

Aangevochten beslissingen:

De rechtbank van eerste aanleg te Luik heeft bij vonnis van 2 november 2011 het hoger beroep van de eiseres tegen het vonnis van 29 maart 2010 van de politierechtbank te Luik ongegrond verklaard.

De rechtbank van eerste aanleg te Luik die het beroepen vonnis bevestigt en aan de partijen akte verleent van het feit dat de klacht van de verweerster in het kader van de procedure in hoger beroep, geen provisioneel karakter meer had, veroordeelt hiermee de eiseres om 1.750,05 euro aan de verweerster te betalen, te vermeerderen met de compensatoire interest tegen de wettelijke rentevoet vanaf de datum van de uitbetaling.

De rechtbank steunt die beslissing op volgende gronden:

"1. Voorafgaande rechtspleging en onderwerp van het geschil

1. Op 20 april 2006 gebeurt er een verkeersongeval te Ukkel tussen een motorrijtuig van het merk Peugeot, burgerlijk aansprakelijk gedekt door de eiseres en een voetganger, S.

S. is gewond geraakt.

De verweerster komt in haar voordeel tussenbeide in het raam van de collectieve hospitalisatieverzekering.

2. De verweerster beroept zich op de wettelijke indeplaatsstelling van artikel 41 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst of, in ondergeschikte orde, van artikel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek, of in meer subsidiaire orde nog, van een conventionele indeplaatsstelling in de rechten van S. tegenover de eiseres op grond van artikel 29bis van de wet van 25 juni 1992, en vordert zodoende de terugbetaling van haar voorschotten, provisioneel begroot op 1.750,05 euro, ten laste van de eiseres.

(...)

II. Bespreking

(...)

2. Over de grond - Recht van de wettelijke indeplaatsstelling aangevoerd door de verweerster

2.1. Wettelijke indeplaatsstelling van artikel 41 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, in de rechten toegewezen bij artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen.

2.1.1. Artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen verleent aan de slachtoffers en hun rechthebbenden het recht om vergoed te worden voor de schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden bij een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig betrokken is, ten laste van de verzekeraar die de burgerlijke aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, bestuurder of houder van het betrokken motorrijtuig.

In dit geval wordt niet betwist dat de gewonde voetgangster, S., de automatische schadevergoeding van de zwakke weggebruiker krijgt, geregeld bij die wetsbepaling, aangezien de partijen enkel opkomen tegen het recht van de verweerster te treden in dat recht op automatische schadevergoeding van S. ten aanzien van de verzekeraar van het motorrijtuig dat betrokken was bij het verkeersongeval waarvan zij het slachtoffer is geworden.

2.1.2. Overeenkomstig artikel 41, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, kenmerkend voor verzekeringen tot vergoeding van schade, treedt de vergoedende verzekeraar, voor het bedrag van de gestorte vergoeding, in de rechten en handelingen van de verzekerde of van de begunstigde tegen de derden die voor de schade aansprakelijk zijn.

Aangezien de hospitalisatieverzekering, op grond waarvan de verweerster is opgetreden in het voordeel van het slachtoffer, een verzekering tot vergoeding van schade is in de zin van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, is de verweerster, door de verrichte betalingen, in de rechten van S. tegen de aansprakelijke derde getreden, maar kan zij zich, via de wettelijke indeplaatsstelling, niet beroepen op artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 (Grondwettelijk Hof, arrest nr. 108/2011 van 16 juni 2011).

De aansprakelijkheidsgrond waarop de verweerster via de wettelijke indeplaatsstelling de eiseres in het geding kan betrekken als verzekeraar van de burgerlijke aansprakelijkheid van de eigenaar, bestuurder of houder van het betrokken motorrijtuig ontbreekt immers in het stelsel van automatische schadevergoeding van louter vergoedende aard van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 (zie Cass., 19 maart 2004, R.G.A.R., 2004, p. 13941, vr. concl. AG Werquin; Cass., 28 april 2006, R.G.A.R., 2006, p. 14195, vr. concl. AG Genicot).

De wettelijke indeplaatsstelling van artikel 41 van de wet van 25 juni 1992 kan het hoger beroep van de verweerster tegen de eiseres bijgevolg niet verantwoorden.

2.2. Wettelijke indeplaatsstelling van artikel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek in de rechten toegewezen bij artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen

2.2.1. Luidens artikel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek, geschiedt indeplaatsstelling van rechtswege ten voordele van hem die, met andere of voor anderen tot betaling van een schuld gehouden zijnde, er belang bij had deze te voldoen.

Die veronderstelling van wettelijk indeplaatsstelling steunt op de essentiële voorwaarde van betaling door de 'vermeende indeplaatsgestelde' van de schuld van een andere persoon en niet uitsluitend van zijn eigen schuld (zie noot Cass., 19 september 1991, J.T., 1992, p. 59).

Hoewel de verweerster, zoals de eiseres betoogt, met het vergoeden van haar verzekerde, ontegensprekelijk de schuld heeft betaald waartoe zij door de hospitalisatieverzekeringsovereenkomst hoofdelijk verplicht was, heeft zij, met die vergoeding, niettemin ook de schuld voldaan die de eiseres moest betalen volgens de verzekeringsovereenkomst van de burgerlijke aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen en artikel 29bis van de wet van 21 november 1989.

De verweerster beschikt op grond van artikel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek bijgevolg over een vordering tot bijdrage ten aanzien van de eiseres.

2.2.2. Hoewel de verweerster via haar subrogatoire vordering in de rechten treedt van het vergoede slachtoffer, geldt de regel dat de schuld, wat haar bijdrage betreft, behoudens een wettelijke of overeengekomen afwijking, in solidum en in gelijke delen verdeeld wordt tussen de medeschuldenaars.

De verweerster beroept zich hiervoor op de toepassing van de ‘overeenkomst artikel 45' van Assuralia, die de verdeelsleutel van de last van het schadegeval omslaat, hetgeen aanvullend bepaald is bij artikel 45, § 2, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, in geval van samenloop van verzekeringen.

De toetreding van de eiseres en de verweerster tot die 'overeenkomst artikel 45' staat niet ter discussie; zij dient te worden toegepast bij het bepalen van de bijdrage tot de schuld van iedere partij.

Luidens artikel 2, § 1, van de ‘overeenkomst artikel 45', gelden de verplichte verzekeringen inzake burgerlijke aansprakelijkheid en arbeidsongevallen motorrijtuigen prioritair boven alle andere waarborgen vermits de handleiding als bijlage van de 'overeenkomst artikel 45' de prioritaire verzekeraar definieert als de verzekeraar die de schade dient te vergoeden op grond van de overeenkomst.

Inzake de bijdrage tot de schuld, moet de eiseres, verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid motorrijtuigen, die volgens de overeenkomst prioritair is, het schadegeval vergoeden ongeacht:

- het feit dat de collectieve hospitalisatieverzekering, waardoor de verweerster is tussengekomen, niet specifiek vermeld is in de voorbeeldenlijst in fine van artikel 2, § 1, van de overeenkomst, geen weerslag heeft vermits die lijst slechts tot voorbeeld strekt en geen enkele grond de door de verweerster toegestane hospitalisatiewaarborg verantwoordt, en buiten de subsidiaire categorie valt van 'alle andere garanties' van artikel 2, § 1, van de overeenkomst,

- het feit dat de overeenkomst geen indeplaatsstelling vastlegt van een verzekeraar ten aanzien van een andere, evenmin weerslag heeft aangezien de vordering tot de bijdrage steunt op artikel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek.

De vordering van de verweerster op grond van artikel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek en van artikel 2 van de 'overeenkomst artikel 45' is gegrond".

Grieven

1. Krachtens artikel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek geschiedt indeplaatsstelling van rechtswege ten voordele van hem die, met anderen of voor anderen tot betaling van een schuld gehouden zijnde, er belang bij had deze te vol-doen.

Zodoende staat die bepaling onder meer vorderingen tot bijdrage toe in gevallen van verplichtingen die ondeelbaar, hoofdelijk en in solidum zijn.

Hij die een persoonlijke schuld voldoet kan evenwel aanspraak maken op het voordeel van de wettelijke indeplaatsstelling als hij, door zijn betaling, diegenen bij wie de definitieve last van de schuld ligt, bevrijd heeft tegenover hun gemeenschappelijke schuldeiser.

De toepassing van artikel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek, veronderstelt dat de schuldenaar door zijn betaling een andere schuldenaar bevrijdt, namelijk dat de betaling een vergoedend karakter heeft en dat de definitieve schuldenlast, geheel of gedeeltelijk, bij een andere schuldenaar komt te liggen.

2.1. Wat verzekeringen tot vergoeding van schade betreft, bepaalt artikel 41, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst dat de verzekeraar die de schadevergoeding betaald heeft, in de rechten en rechtsvorde-ringen van de verzekerde of de begunstigde tegen de aansprakelijke derden treedt ten belope van het bedrag van die vergoeding.

Aangezien de hospitalisatieverzekering een verzekering tot vergoeding van schade is, treedt de verzekeraar die zijn verzekerde, slachtoffer van een verkeersongeval, vergoed heeft, krachtens artikel 41 van de wet van 25 juni 1992, in de rechten van dat slachtoffer ten aanzien van de voor het ongeval aansprakelijke derde en van de verzekeraar van de burgerlijke aansprakelijkheid motorrijtuigen van die aanspra-kelijke derde.

2.2.1. Artikel 29bis, § 1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen bepaalt dat bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk vergoed wordt door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken.

Krachtens § 2 van die bepaling kunnen de bestuurder van een motorrijtuig en zijn rechthebbenden zich niet beroepen op de bepalingen van dit artikel, tenzij de bestuurder optreedt als rechthebbende van een slachtoffer dat geen bestuurder was en op voorwaarde dat hij de schade niet opzettelijk heeft veroorzaakt.

Het zogeheten zwakke slachtoffer van een verkeersongeval heeft dus recht op het herstel van de door hem geleden schade ten laste van de verzekeraars burgerlijke aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen van elk bij het ongeval betrokken motorrij-tuig.

2.2.2. De verzekeraar van arbeidsongevallen of het Fonds voor arbeidsongevallen en het ziekenfonds die het zwakke slachtoffer van een verkeersongeval hebben vergoed, treden in de rechten van dat slachtoffer tegenover de verzekeraars burgerlijke aansprakelijkheid van de andere motorrijtuigen die bij het ongeval betrokken waren op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989.

Artikel 48ter van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bepaalt immers:

"De verzekeringsonderneming en het Fonds voor arbeidsongevallen kunnen een rechtsvordering instellen tegen de verzekeringsonderneming die de aansprakelijk-heid dekt van de eigenaar, de bestuurder of van de houder van het motorvoertuig of tegen het Gemeenschappelijk Waarborgfonds bedoeld in artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen tot beloop van de krachtens artikel 48bis, § 1, gedane uitkeringen, de ermee overeenstemmende kapitalen, alsmede de bedragen en kapitalen bedoeld in de artikelen 51bis, 51ter en 59quinquies.

Zij kunnen die rechtsvordering op dezelfde wijze instellen als het slachtoffer of haar rechthebbenden en in de rechten treden die het slachtoffer of haar rechthebbenden bij niet-vergoeding overeenkomstig artikel 48bis, § 1, hadden kunnen uitoefenen krachtens artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering voor motorrijtuigen.

Artikel 14bis, § 3, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector bepaalt ook: "De in artikel 1 bedoelde rechtspersonen en instellingen, degenen die de in artikel 1bis bedoelde personeelscategorieën tewerkstellen, alsook hun eventuele verzekeraar kunnen een rechtsvordering instellen tegen de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of de houder van het motorvoertuig of tegen het Gemeen-schappelijk Waarborgfonds bedoeld in artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, tot beloop van de krachtens § 1 gedane uitkeringen en de ermee overeenstemmende kapitalen.

Ze kunnen die vordering instellen op dezelfde wijze als het slachtoffer of zijn rechthebbenden en worden vervangen in de rechten die het slachtoffer of zijn rechthebbenden bij niet-vergoeding overeenkomstig § 1 hadden kunnen uitoefenen krachtens artikel 29bis van de voormelde wet van 21 november 1989".

Krachtens artikel 136, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, treedt de verzekeringsinstelling rechtens in de plaats van de rechthebbende en deze inde-plaatsstelling geldt, tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de in het eerste lid bedoelde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden (de schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden).

2.3.1. Noch artikel 41 van de wet van 25 juni 1992, noch enige andere wettelijke bepaling regelen een indeplaatsstelling te voordele van de "vrije" vergoedende verzekeraar, zoals de hospitalisatieverzekeraar, die zijn verzekerde-zwak slachtoffer van een verkeersongeval - vergoed heeft in de rechten van zijn verzekerde tegen de verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid voor motorrijtuigen op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989.

3.1. Artikel 45 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst betreft de verdeling van de last van het schadegeval in geval van samenloop van verzekeringen.

Artikel 45, § 1, van de wet van 25 juni 1992 bepaalt dat wanneer een zelfde belang verzekerd is bij verscheidene verzekeraars tegen hetzelfde risico, de verzekerde, in geval van schade, van elke verzekeraar schadevergoeding kan vorderen binnen de grenzen van ieders verplichtingen en ten belope van de vergoeding waarop hij recht heeft. Behalve in geval van fraude, kan geen enkele verzekeraar zich beroe-pen op het bestaan van andere overeenkomsten die hetzelfde risico dekken om zijn waarborg te weigeren.

De verzekerde kan zich aldus richten tot iedere verzekeraar. Iedere verzekeraar die de verzekerde kiest, moet laatstgenoemde vergoeden, voor zover de dekking gemeenschappelijk is en de verzekerde zich mag richten tot wie hij wenst, met dien verstande dat hij geen bedrag mag krijgen hoger dan dat van het schadegeval dat hem overkomt. De verzekeraars zijn in solidum verplicht.

De last van het schadegeval wordt verdeeld overeenkomstig artikel 45, § 2, van de wet van 25 juni 1992, behoudens een overeenkomst onder verzekeraars. Een dergelijke overeenkomst, "de overeenkomst artikel 45", werd gesloten binnen Assuralia.

Bij samenloop van verzekeringsovereenkomsten, zijn de verzekeraars in solidum verplicht de verzekerde te vergoeden. De verzekeraar die de verzekerde vergoed heeft en die meer betaald heeft dan zijn bijdrage mag een subrogatoire vordering indienen tegen de andere verzekeraars op grond van artikel 45 van de wet van 25 juni 1992 en de bepalingen van de overeenkomst genomen in uitvoering van § 2, van dat artikel 45, of van artikel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek.

3.2. Zoals de eiseres aanvoert, onderstelt de hypothese van een samenloop van verzekeringen, beoogd in artikel 45 van de wet van 1992, dat het verzekeraar belang en risico bepaalbaar zijn. Artikel 45 is van toepassing wanneer een zelfde belang is verzekerd bij verscheidene verzekeraars tegen hetzelfde risico.

Het verzekeraar belang is geenszins bepaald bij een hospitalisatieverzekering en een verzekering burgerlijke aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen.

Het vermogen van het slachtoffer van een ongeval is immers tegen de hospitalisa-tiekosten verzekerd krachtens de hospitalisatieverzekering die het slachtoffer heeft gesloten (die zijn recht op eigendom, zijn vermogen dekt) en krachtens de verzekering burgerlijke aansprakelijkheid motorrijtuigen (die de aansprakelijkheid van de verzekerde, de bestuurder of de houder van het motorrijtuig, en de vergoedingsverplichting bij betrokkenheid verzekert).

Bijgevolg is er in het dossier, dat geleid heeft tot het bestreden vonnis, geen samenloop van verzekeringsovereenkomsten in de zin van artikel 45 van de wet van 25 juni 1992, vermits de verweerster is tussengekomen te voordele van de voetgangster S. in het kader van een hospitalisatieverzekering en de eiseres, als verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid van het bij het verkeersongeval betrokken motorrijtuig, op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989, verplicht is de voetgangster te vergoeden.

4.1. De rechtbank van eerste aanleg te Luik heeft ten onrechte beslist dat de ver-weerster, bij het vergoeden van haar verzekerde, de schuld betaald heeft waartoe zij hoofdelijk verplicht was op grond van de hospitalisatieverzekeringsovereenkomst, en zodoende ook de schuld vereffend heeft die de eiseres verplicht was te betalen op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989, en dat de verweerster bijgevolg van de eiseres een bijdrage kan vorderen op grond van arti-kel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek.

Wettelijke indeplaatsstelling in de zin van artikel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek ten voordele van de schuldenaar die door de betaling van zijn schuld ook een andere schuldenaar bevrijdt, vereist dat de definitieve schuldenlast geheel of gedeeltelijk bij die andere schuldenaar ligt (supra, nr. 1)

In dit geval, blijkt uit geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling dat de defini-tieve schuldenlast jegens het zwakke slachtoffer van een verkeersongeval - die betaald werd door de hospitalisatieverzekeraar van het slachtoffer - op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 bij de verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid motorrijtuigen moet liggen van het voertuig dat bij het ongeval betrokken was.

De omstandigheid dat de wetgever in de schadeverzekeringen een subrogatoire vordering heeft ingevoerd ten voordele van de verzekeraar jegens de aansprakelijke derde (artikel 41 van de wet van 25 juni 1992) en subrogatoire vorderingen ten voordele van verzekeraars van arbeidsongevallen en het ziekenfonds tegen de verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid motorvoertuigen op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 (de artikelen 48ter van de wet van 10 april 1971, 14bis, § 3, van de wet van 3 juli 1967, 136, § 2, vierde lid, van de wet gecoördineerd op 14 juli 1994), maar geen indeplaatsstelling heeft ingevoerd ten voordele van andere verzekeraars die schade vergoeden tegen de verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid motorvoertuigen op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989, geeft aan dat de definitieve schuld geenszins, of ten minste niet volledig, moet liggen bij de verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid motorvoertuigen op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 (su-pra, nr. 2).

Het bestreden vonnis schendt bijgevolg artikel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek en artikel 29bis van de wet van 21 november 1989.

4.2. De omstandigheid dat, in geval van samenloop van verzekeringsovereenkom-sten, de "overeenkomst artikel 45" van Assuralia, gesloten in uitvoering van artikel 45, § 2, van de wet van 25 juni 1992, een verdeelsleutel bepaalt voor de last van het schadegeval, zodat de verzekeraar die het schadegeval heeft vergoed een regres-vordering heeft jegens de andere verzekeraars op grond van artikel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek, van artikel 2, van de "overeenkomst artikel 45" en van artikel 45 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst.

Hoewel er, zoals hiervoor reeds vermeld onder de argumentatie nr. 3.2. die beschouwd wordt volledig te zijn weergegeven, in dit geval geen samenloop van verzekeringsovereenkomsten blijkt te zijn in de zin van artikel 45 van de wet van 25 1992, mocht de rechtbank haar beslissing niet naar recht steunen op die bepaling en op de overeenkomst tot uitvoering van § 2 van die bepaling.

Het bestreden vonnis schendt bijgevolg de artikelen 45, van de wet van 25 juni 1992 en 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek en, voor zoveel nodig van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek

4.3. Zelfs ervan uitgaande dat de verweerster samen met de eiseres de schuld jegens het slachtoffer van het verkeersongeval moest betalen en bijgevolg een indeplaatsstelling mag vorderen op grond van artikel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek - quod non - dan nog is de beslissing om de eiseres te veroordelen tot het betalen van alle vergoedingen van de verweerster niet naar recht verantwoord.

Die beslissing, omtrent de bijdrage tot de schuld, steunt immers op artikel 45 van de wet va 25 juni 1992 en op de bepalingen van de overeenkomst in uitvoering van § 2 van die wetsbepaling, terwijl, zoals hiervoor vermeld onder de argumentatie nr. 3.2. die beschouwd wordt volledig te zijn weergegeven, die bepalingen te dezen niet van toepassing zijn.

Het bestreden vonnis schendt bijgevolg de artikelen 45 van de wet van 25 juni 1992 en 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek en, voor zoveel nodig, artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Luidens artikel 1251, 3°, Burgerlijk Wetboek geschiedt de indeplaatsstel-ling van rechtswege ten voordele van hem die, met anderen of voor anderen tot betaling van een schuld gehouden zijnde, er belang bij had deze te voldoen.

Krachtens die bepaling kan hij die een schuld die hem eigen is wil voldoen, aan-spraak maken op de wettelijke indeplaatsstelling als hij, ten aanzien van hun ge-zamenlijke schuldeiser, door zijn betaling, diegene bevrijd heeft op wie de defini-tieve last komt te liggen.

2. Artikel 45, § 1, Wet Landverzekeringsovereenkomst bepaalt onder de titel "Verdeling van de last van het schadegeval in geval van samenloop van verzeke-ringen" dat de verzekerde, wanneer een zelfde belang verzekerd is bij verscheide-ne verzekeraars tegen hetzelfde risico, van elke verzekeraar schadevergoeding kan vorderen binnen de grenzen van ieders verplichtingen en ten belope van de ver-goeding waarop hij recht heeft; de tweede paragraaf van dat artikel regelt de ver-deling van de last van het schadegeval onder de verzekeraars, tenzij zij onderling een andere verdeelsleutel bedongen hebben.

Het bestreden vonnis stelt dat de partijen zich hebben aangesloten bij de "over-eenkomst artikel 45" van Assuralia, de beroepsvereniging van Verzekeringson-dernemingen, die afwijkt van artikel 45 wat de verdeling van de last van het scha-degeval onder verzekeraars betreft.

Daaruit volgt dat, wanneer twee verzekeraars een zelfde schadegeval moeten ver-goeden in uitvoering van verschillende verzekeringsovereenkomsten, artikel 45 en, desgevallend de "overeenkomst artikel 45" slechts van toepassing zijn wanneer de twee overeenkomsten eenzelfde belang tegen hetzelfde risico verzekeren.

3. Volgens artikel 138bis-1, § 1, 1°, Wet Landverzekeringsovereenkomst, waarborgt een ziektekostenverzekering aan de verzekerde, in geval van ziekte of in geval van ziekte en ongeval, prestaties met betrekking tot elke medische be-handeling welke noodzakelijk is voor het behoud of het herstel van de gezond-heid.

Krachtens artikel 29bis WAM 1989 moet de verzekeraar, bij een verkeersongeval waarbij het verzekerde motorrijtuig betrokken is, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met uitzondering van de schade geleden door de bestuurder van een motorrijtuig, vergoeden.

Uit het voorgaande volgt dat de ziektekostenverzekering en de vergoedingsplicht op grond van artikel 29bis WAM 1989 geen zelfde belang tegen hetzelfde risico verzekeren en voornoemd artikel 45 Wet Landverzekeringsovereenkomst en de "overeenkomst artikel 45" bijgevolg niet kunnen worden toegepast.

4. Het bestreden vonnis dat oordeelt dat krachtens artikel 2 van de "overeen-komst artikel 45", de hospitalisatiekosten van S. prioritair ten laste zijn van de ei-seres, verzekeraar van het bij het ongeval betrokken motorrijtuig op grond van voornoemd artikel 29bis, en dat de verweerster bijgevolg terecht de terugbetaling vordert van haar uitgaven aan de eiseres, op grond van artikel 1251, 3°, Burgerlijk Wetboek, schendt zodoende die bepaling en ook artikel 45 Wet Landverzeke-ringsovereenkomst.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis.

Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op kant van het vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Verviers, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Alain Simon, Mireille Delange en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 24 juni 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advo-caat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Eigen schuld

  • Betaling

  • Subrogatoire vordering

  • Medeschuldenaar