- Arrest van 25 juni 2013

25/06/2013 - P.13.0535.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De ambtenaren die het secretariaat van de commissies tot bescherming van de maatschappij en van de hoge commissie waarnemen en die door de minister van Justitie worden aangewezen, verlenen door hun handtekening authenticiteit aan de beslissingen van de commissies en de hoge commissie en vervullen bij de rechtspleging voor deze instanties eenzelfde rol als een griffier voor de gewone rechtscolleges; de omstandigheid dat zij niet de titel van griffier dragen en door de minister van Justitie worden aangewezen, doet daaraan geen afbreuk.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0535.N

M R,

geïnterneerde,

eiser,

met als raadsman mr. Peter Verpoorten, advocaat bij de balie te Turnhout.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van de hoge commissie tot be-scherming van de maatschappij van 28 februari 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Krachtens artikel 19ter Wet Bescherming Maatschappij kan cassatieberoep worden ingesteld tegen een door de hoge commissie tot bescherming van de maat-schappij (hierna de hoge commissie) genomen beslissing die de beslissing tot af-wijzing van het verzoek tot invrijheidstelling van de geïnterneerde bevestigt of die het verzet van de procureur des Konings tegen de beslissing tot invrijheidstelling van de geïnterneerde gegrond verklaart.

2. Uit die bepaling volgt dat de beslissing tot behoud van de internering in een welbepaalde inrichting, die slechts een uitvoeringsmodaliteit van de internering uitmaakt, niet vatbaar is voor cassatieberoep.

In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep niet ontvankelijk.

Eerste middel

Eerste onderdeel

3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.4 EVRM, alsmede misken-ning van het recht van verdediging: doordat op de rechtszitting van de hoge com-missie geen griffier aanwezig is, maar wel een door de minister van Justitie aan-gewezen secretaris die niet dezelfde waarborgen biedt op het vlak van onafhanke-lijkheid als een griffier bij de gewone rechtscolleges, miskent het arrest eisers recht van verdediging; bovendien zetelt de hoge commissie met gesloten deuren zodat de publieke opinie geen kennis kan nemen van datgene wat op de rechtszitting gebeurt.

De eiser verzoekt het Hof, voor zoveel als nodig, aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: "Schenden artikel 171 Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 12 en 13 Wet Bescherming Maatschappij de artikelen 10 en 11 Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 5.4 EVRM, nu zij een verschil in behandeling in het leven roepen tussen de veroordeelden tot een vrijheidsstraf wiens situatie beoordeeld wordt door de strafuitvoeringsrechtbank en de gecollo-ceerden op grond van de Wet Bescherming Persoon Geesteszieke wiens situatie beoordeeld wordt door de vrederechter enerzijds, en de geïnterneerde geesteszieke delictplegers wiens situatie beoordeeld wordt door de CBM's en de HCBM an-derzijds, inzoverre deze artikelen de CBM uitsluit van de lijst van rechtbanken met een griffie, waartoe de rechtbank van eerste aanleg en de vrederechter wel behoren, en inzoverre zij voor de CBM's en de HCBM slechts voorzien in een se-cretaris in plaats van een griffier?"

4. Volgens de artikelen 12 en 13 Wet Bescherming Maatschappij wordt het se-cretariaat van de commissies tot bescherming van de maatschappij en van de hoge commissie waargenomen door ambtenaren, die door de minister van Justitie wor-den aangewezen.

5. Deze ambtenaren, welke door hun handtekening authenticiteit verlenen aan de beslissingen van de commissies en de hoge commissie, vervullen bij de rechts-pleging voor deze instanties eenzelfde rol als een griffier voor de gewone rechts-colleges. De omstandigheid dat zij niet de titel van griffier dragen en door de mi-nister van Justitie worden aangewezen, doet daaraan geen afbreuk.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

6. Artikel 5.4 EVRM vereist niet dat de rechtszitting voor de rechter bij wie voorziening wordt gevraagd om ingeval van een onrechtmatige gevangenhouding op korte tijd te beslissen over de wettigheid van een gevangenhouding en het be-velen van een invrijheidstelling, openbaar moet zijn.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

7. De voorgestelde prejudiciële vraag die uitgaat van een onjuiste rechtsopvat-ting, wordt niet gesteld.

Tweede onderdeel

8. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 5.4 en 6 EVRM, alsme-de miskenning van het recht van verdediging: de beslissing van de hoge commissie miskent eisers recht van verdediging doordat hij zich diende te verdedigen zonder dat hem de mogelijkheden werden gegeven om die verdediging te voeren; de raadsman van de eiser heeft voorafgaand aan de rechtszitting recht op de me-dedeling van een afschrift van de adviezen en op kopiename van de stukken van het dossier.

De eiser verzoekt het Hof aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: "Schenden de hoofdstukken IV en V van de Wet Bescherming Maatschappij, waarbij de tenuitvoerlegging van de beschikkingen tot internering en de vrijstelling op proef van de geïnterneerden geregeld worden, de artikelen 10 en 11 Grondwet gelezen in samenhang met de artikelen 5.4 en 6 EVRM, nu deze wet voorbijgaat aan de bijzondere aard van vrijheidsberoving van de geesteszieken en er niet in voorziet dat de adviezen aan de commissie tot bescherming van de maatschappij van - onder andere - het openbaar ministerie, de directie van de instelling waar de geïnterneerde verblijft, de psychosociale dienst van de gevan-genis en de psychiater schriftelijk dienen te worden gegeven en vóór de zitting moeten worden meegedeeld aan de raadsman van de geïnterneerde, en er niet in voorziet dat de raadsman van de geïnterneerde een afschrift kan vragen van het dossier?"

9. Artikel 6 EVRM is niet van toepassing op de rechtspleging voor de hoge commissie. Zij oordeelt immers niet over de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen of over de gegrondheid van een strafvervolging.

In zoverre het onderdeel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.

10. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor de hoge commissie de voorafgaande mededeling van een afschrift van de di-verse adviezen en een afschrift van de dossierstukken heeft gevraagd.

Hij kan bijgevolg voor het Hof niet aanvoeren dat dit gegeven artikel 5.4 EVRM schendt en zijn recht van verdediging miskent.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

11. Aangezien het onderdeel wordt verworpen, eensdeels omdat het uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting en anderdeels om een reden die vreemd is aan de be-palingen die het voorwerp zijn van de voorgestelde prejudiciële vraag, wordt die vraag niet gesteld.

Tweede middel

Eerste onderdeel

12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.1 en 5.4 EVRM, alsmede miskenning van het recht op tegenspraak en de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens: de bestreden beslissing biedt niet de daadwer-kelijke rechtshulp welke wordt vereist door artikel 5.4 EVRM; op de aanvoering in de appelconclusie van de eiser dat zijn detentie onrechtmatig was omwille van niet aan zijn geestesziekte aangepaste detentieomstandigheden en dus strekkende tot zijn vrijlating, kon de hoge commissie niet beslissen dat de gevangenis waar de eiser verblijft aangepast is aan zijn geestestoestand; het dossier bevat immers geen enkel stuk waaruit de hoge commissie die vaststelling kon afleiden; er is geen en-kele tegenspraak gevoerd omtrent de elementen die tot dit besluit hebben geleid; volgens de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is het een algemeen gekend gegeven dat in de Belgische gevangenissen de nodige therapeutische omkadering ontbreekt en uit die rechtspraak volgt ook dat het niet aan de eiser is te bewijzen dat zijn opsluitingsomstandigheden onaangepast zijn, maar wel aan de Staat en bijgevolg aan de hoge commissie, die slechts op basis van concrete bewijsstukken tot de ongegrondheid van de klacht van de eiser had kunnen besluiten.

13. Volgens artikel 608 Gerechtelijk Wetboek neemt het Hof kennis van de be-slissingen in laatste aanleg die voor het Hof worden gebracht wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen.

Rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is geen wet in de zin van artikel 608 Gerechtelijk Wetboek.

In zoverre het onderdeel miskenning aanvoert van die rechtspraak, faalt het naar recht.

14. De hoge commissie oordeelt onaantastbaar dat de instelling waar de eiser wordt vastgehouden, aangepast is aan zijn geestestoestand. Aldus schendt zij geenszins artikel 5.4 EVRM en is die beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

15. Voor het overige voert het onderdeel formeel miskenning van het recht op tegenspraak aan, maar komt het in werkelijkheid op tegen dat onaantastbaar oor-deel of verplicht het tot een onderzoek van feiten, waartoe het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

16. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.4 EVRM, alsmede misken-ning van het recht van verdediging: door te weigeren een plaatsbezoek te bevelen naar de opsluitingsomstandigheden van de eiser, schendt respectievelijk miskent de hoge commissie deze bepaling en dit recht.

17. Uit de enkele omstandigheid dat de hoge commissie oordeelt dat er geen re-den is om een plaatsbezoek te bevelen gelet op haar beslissing dat de eiser wel degelijk is opgesloten in aan zijn geestestoestand aangepaste omstandigheden, kan geen schending van artikel 5.4 EVRM noch een miskenning van eisers recht van verdediging worden afgeleid.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

18. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 5 en 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede het recht op tegenspraak en de motiveringsverplichting: de hoge commissie geeft op geen enkele manier aan welke toetsstenen zij hanteert om te besluiten dat de instelling waar de eiser verblijft aan zijn geestestoestand is aangepast.

19. Artikel 6 EVRM is niet van toepassing op de rechtspleging voor de hoge commissie. Zij oordeelt immers niet over de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen of over de gegrondheid van een strafvervolging.

In zoverre het onderdeel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.

20. In zijn appelconclusie heeft de eiser aangevoerd dat de instelling waar hij wordt vastgehouden, niet aangepast is aan zijn geestestoestand. Daartoe heeft hij weliswaar verwezen naar algemene beschouwingen over de toestand in de Belgi-sche gevangenissen geformuleerd door bepaalde arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, maar heeft hij niet concreet gepreciseerd waarom dit hier het geval is. De hoge commissie kon bijgevolg wettig oordelen dat, in te-genstelling tot de aanvoering van de eiser, de instelling wel aangepast is aan zijn geestestoestand, zonder dat zij, bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie, die beslissing nader diende te motiveren. Aldus schendt zij artikel 5 EVRM niet, noch miskent zij de motiveringsverplichting en het recht op tegenspraak.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

21. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

F. Adriaensen

E. Francis A. Lievens

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 25 juni 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Secretariaat van de commissies

  • Ambtenaren aangewezen door de minister van Justitie

  • Opdracht