- Arrest van 27 juni 2013

27/06/2013 - C.11.0508.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten onderzoeken en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, enkel steunt op feiten die hem regelmatig zijn voorgelegd en het voorwerp noch de oorzaak van de vordering wijzigt; daarbij moet hij het recht van verdediging van partijen eerbiedigen (1). (1) Cass. 28 sept. 2009, AR C.04.0253.F, AC 2009, nr. 529, met concl. adv.-gen. Génicot in Pas., 2009, nr. 529.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0508.F

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Landsverdedi-ging,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. P. G., advocaat,

2. F. P., advocaat,

in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van Vetimo nv,

3. F. H.,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van 29 februari 2008, 11 februari, 22 september en 16 december 2010 van het hof van beroep te Brussel.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert twee middelen aan, waarvan het eerste gesteld is als volgt :

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek ;

- algemeen beginsel van het recht van verdediging.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest van 29 februari 2008 beslist "dat [de eiser] in het litigieuze bestek kon bepalen dat de hoeveelheden louter indicatief en niet bindend zijn en dat hij enkel gebonden zou zijn door de bestellingen die hij ter uitvoering van de overheidsopdracht zou plaatsen, volgens de behoeften die hij op onaantastbare wijze zou beoordelen in de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid" en dat zijn "contractuele aansprakelijkheid [...] niet [...] in het gedrang is gebracht". Het bestreden arrest beslist vervolgens dat "inzake overheidsopdrachten, het beginsel van goede trouw in de precontractuele fase voorschrijft dat, wanneer een overheid een bestek opmaakt en in een ‘open' opdracht of nog ‘bestellingsopdracht' voor leveringen vermoedelijke hoeveelheden opgeeft, die hoeveelheden niet zomaar uit de lucht zijn gegrepen maar het resultaat zijn van een eerste, weloverwogen schatting".

Die beslissing is gegrond op de redenen van het arrest die opgesomd worden onder de titel "Aquiliaanse aansprakelijkheid in de precontractuele fase" en die hier als volledig weergegeven worden beschouwd.

Grieven

De verweerders voerden, in de conclusie die zij in dat stadium van de rechtspleging hebben neergelegd voor het hof van beroep, het volgende aan :

"De aan de naamloze vennootschap Vetimo toevertrouwde opdrachten zijn opdrachten tegen prijslijsten die ‘open overheidsopdrachten' of nog ‘bestellingsopdrachten' worden genoemd;

Die opdrachten worden gekenmerkt door het feit dat de opdrachtgever zijn behoeften niet a priori nauwkeurig kan bepalen, hoewel die behoeften wel degelijk reëel zijn, en dat de begunstigde bij het berekenen van zijn prijzen met die behoeften rekening houdt (Flamme, Commentaire pratique de la réglementation des marchés publics, 6de uitg., deel 1A, p. 852 : ‘Les marchés à commande sont des marchés qui ne fixent que le minimum et le maximum des prestations, arrêtées en valeur ou en quantité, susceptibles d'être commandées au cours d'une période déterminée, les quantités de prestations étant précisées pour chaque commande par l'administration en fonction des besoins à satisfaire') ;

[...] Het specifieke karakter van dat type overheidsopdrachten is overigens slechts schijnbaar, aangezien het, ten eerste, een opdracht tegen prijslijst betreft die geken-merkt wordt door het feit dat de opdrachtgever bij het opgeven van de te leveren hoeveelheden over een zekere beoordelingsmarge beschikt en de bestelling volgens de behoeften kan aanpassen en, ten tweede, artikel 7 van het koninklijk besluit van 26 september 1996 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken uitdrukkelijk het oorspronkelijke en onvervreemdbare recht van de overheid vastlegt om de oorspronkelijke voorwaarden van de opdracht eenzijdig te wijzigen, aangezien dat artikel bepaalt dat ‘de aanbestedende overheid, ongeacht de wijze waarop de prijzen worden bepaald, gerechtigd is de oorspronkelijke opdracht eenzijdig te wijzigen, voor zover het voorwerp ervan onveranderd blijft en, zo nodig, mits een rechtmatige compensatie';

Artikel 42 van de algemene aannemingsvoorwaarden vormt een bijzondere toepassing van dat beginsel (Flamme, Commentaire pratique de la réglementation des marchés publics, 6de uitg., deel 2, p. 687) ;

De ‘open overheidsopdrachten' vallen in elk geval onder de reglementering van de overheidsopdrachten en met name onder de algemene aannemingsvoorwaarden, tenzij de overeenkomst uitdrukkelijk hiervan afwijkt (artikel 3 van het koninklijk besluit van 26 september 1996), wat te dezen niet het geval is;

Artikel 7 van het koninklijk besluit van 26 september 1996 en artikel 16 van de alge-mene aannemingsvoorwaarden leggen het onvoorwaardelijke recht van de begunstigde vast om een ‘rechtvaardige compensatie' voor de herziening van de overheidsopdracht te verkrijgen of om te worden vergoed voor de schade die hij lijdt wanneer de overheidsopdracht niet aan de verwachtingen voldoet;

Uit het voorgaande blijkt dat de ‘open overheidsopdrachten' de administratie op geen enkele manier machtigen de begunstigde in zijn gewettigde verwachtingen te misleiden;

‘Ce pouvoir unilatéral de l'administration cesse toutefois à la limite même de l'objet sur lequel l'entrepreneur s'est engagé à apporter son concours' (ibidem, p. 687) ;

De verwachtingen van de begunstigde leverancier worden uiteraard beïnvloed door de hoeveelheden die opgegeven worden in het bestek, op grond waarvan hij de behoeften van de aanbestedende overheid kan inschatten, door de aanbestedingsbrief, die de omvang van de bestelling preciseert, en door het bedrag van de te stellen borgtocht, dat berekend wordt op het bedrag van die bestelling ;

Hoewel de open overheidsopdracht rekening houdt met de moeilijkheden van de aanbestedende overheid om haar behoeften precies te bepalen en hierin blijvend te voorzien, geeft dat type overheidsopdrachten de opdrachtgever daarom nog niet alle mogelijke rechten en moet hij letten op het financiële evenwicht van de overheidsopdracht;

De bewering volgens welke de [vennootschap Vetimo], door de overeenkomst zonder enig voorbehoud te ondertekenen, de voorwaarden van de overheidsopdracht heeft aanvaard, is volkomen misplaatst;

[De eiser] kan niet doen alsof hij niet weet dat de overheidsopdrachten toetredingsovereenkomsten zijn die zonder de medewerking van de inschrijvers worden opgemaakt ;

Die inschrijvers kunnen noch voorbehoud maken noch enige voorwaarde stellen, daar zij het risico lopen dat hun bod in dat geval als onregelmatig wordt verworpen overeenkomstig artikel 110 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken;

Bij gebrek aan wetten of verordeningen die specifiek de open overheidsopdrachten, ook ‘bestellingsopdrachten' genoemd, behandelen, heeft de minister van Openbare Werken in de circulaire 534-75 van 16 januari 1989 een minimumkader voor dat type overheidsopdrachten vastgelegd (Flamme, Commentaire pratique de la réglementation des marchés publics, 6de uitg., deel 1A, p. 856) ;

[...] Die circulaire legt een minimum aantal bestellingen op ;

‘Il va de soi que, pour offrir son meilleur prix, le fournisseur doit disposer d'informations suffisantes sur l'importance de la prestation qui lui est proposée ; qu'il faut donc, dans le marché à commandes, connaître le minimum prévu et que ce minimum soit appréciable' (ibidem, p. 855) ;

Doorgaans wordt ervan uitgegaan dat de ministeriële circulaires een eenzijdig initiatief van de minister zijn, wanneer ze ertoe strekken de reglementaire bepalingen te verduidelijken door met name, zoals in dit geval, een minimum aantal bestellingen op te leggen, wat redelijk is ;

Hoewel de ministeriële circulaires interne instructies blijven, helpen ze niettemin de ‘regels van goed vakmanschap' te verduidelijken en vormen ze een ‘gedragscode';

[...] Toch moet worden vastgesteld dat de litigieuze overeenkomsten geen enkel minimum bepalen, wat volgens [de eiser] tot gevolg heeft dat [de verweerders] op geen enkele vergoeding aanspraak kunnen maken ;

Het moet worden herhaald dat alle bepalingen van de bestekken die het vergoedingsrecht van de aannemer willen uitsluiten of beperken, restrictief moeten worden uitgelegd; het voorzienbaar karakter dat bepalend is voor de totstandkoming van opdrachten met forfaitair karakter, vormt de beperkende factor; die bepalingen zijn dus enkel van toepassing voor zover de normale risico's van het forfait niet zijn overschreden ;

‘Si le pouvoir unilatéral de l'administration de modifier les clauses d'un contrat passé par elle ne peut être contesté, ce pouvoir n'est cependant pas absolu ; qu'il doit respecter l'objet initial de l'entreprise et les limites de celle-ci ; que, même dans ce cadre, il n'exonère pas l'administration de l'obligation d'indemniser l'entrepreneur à raison des frais ou du préjudice que les modifications lui causent ; que les dispositions du cahier des charges qui tendent à exclure dans certains cas le droit à indemnité de l'entrepreneur sont évidemment d'interprétation restrictive ; qu'elles trouvent une limitation dans le critère de prévisibilité et ne jouent donc que pour autant que les aléas normaux du forfait n'aient pas été outrepassés' (Burg. Rb. Brussel, 21 november 1959, niet uitgegeven, bevestigd in hoger beroep, Brussel, 27 juno 1962, aangehaald door Flamme, Commentaire pratique de la réglementation des marchés publics, 6de uitg., deel 2, p. 687) ;

Een letterlijke toepassing van de litigieuze bepaling uit het bestek, met name het ontbreken van de verplichting om een minimale bestelling te moeten plaatsen, zou erop neerkomen dat die bepaling als louter potestatief en dus van rechtswege nietig moet worden beschouwd;

Van dergelijke bedingen moet steeds een redelijke toepassing worden gemaakt, die verenigbaar is met de goede trouw waarmee de overeenkomsten moeten worden uitgevoerd;

Die bedingen kunnen de administratie niet van haar aansprakelijkheid ontslaan wanneer het opzet van de overeenkomst hierdoor grondig wordt verstoord;

Hoewel de open overheidsopdracht een zekere marge voor schommelingen toestaat, moeten die schommelingen redelijk en geproportioneerd blijven ;

In dat verband is hoogstens een marge van maximum 15 pct. ten aanzien van de oorspronkelijke raming aanvaardbaar;

Dat is te dezen kennelijk niet het geval, aangezien de door de [vennootschap Vetimo] aangeklaagde schommelingen alle perken te buiten gaan; de eiser heeft immers regelmatig bestellingen geplaatst die gemiddeld amper 60 pct. van de voorziene hoeveelheid dekken, maar beperkt kunnen worden tot 12 pct. van de op de bestelformulieren vermelde bedragen (bestelling op basis van het bestelformulier 649352) ;

Die bestelde hoeveelheden hebben de vennootschap Vetimo kennelijk in haar gewettigde verwachtingen misleid;

Hieruit blijkt dat [de eiser] het onderzoek van zijn behoeften op een volstrekt gebrekkige wijze heeft gevoerd;

Het is immers ondenkbaar dat [de eiser] bij het opmaken van het bestek niet bij benadering, maar met de nodige realiteitszin, het gewenste aantal kledingstukken voor zijn verschillende diensten kan bepalen en dat hij de overeenkomst achteraf om die reden niet hoeft na te komen;

(...) Bij gebrek aan een minimaal aantal bestellingen vloeit het aangevoerde risico, zoals hiervoor is aangegeven, voort uit een louter potestatieve voorwaarde, aangezien de bestellingen uitsluitend afhankelijk zijn van de willekeur van de administratie en niet van externe factoren (artikel 1170 van het Burgerlijk Wetboek), zodat de administratie zich eigenlijk niet verbindt;

Die overeenkomsten moeten te goeder trouw worden uitgevoerd ;

De overheidsopdrachten van de administratie mogen geen lege doos worden die de begunstigde alleen maar schade berokkenen".

De verweerders hebben bijgevolg aangevoerd dat de aanbestedende overheid, in het kader van de "uitvoering" van de overheidsopdracht, ervoor moest zorgen dat de opdracht financieel evenwichtig was, zodat de "marge voor schommelingen" "redelijk en geproportioneerd" bleef en dat een beding van de litigieuze overeenkomsten, waarin bepaald wordt dat de opdrachtgever niet verplicht is minimale hoeveelheden te bestellen, louter potestatief en van rechtswege nietig zou zijn, maar hebben zich in dat stadium van de rechtspleging geenszins beroepen op een of andere "algemene zorgvuldigheidsplicht (van de aanbestedende overheid), op grond waarvan zij bij het opmaken van de bestekken van de litigieuze overheidsopdrachten de nodige inlichtingen moest verschaffen en de vereiste schattingen moest maken".

Het bestreden arrest van 29 februari 2008 beslist dat "de curatoren aanvoeren [...] dat de aanbestedende overheid zelfs in open overheidsopdrachten ervoor moet zorgen dat de overheidsopdracht financieel evenwichtig is; dat zij eraan herinneren dat, volgens een circulaire van 16 januari 1989 van de minister van Openbare werken met betrekking tot de bestellingsopdrachten voor werken of leveringen, ‘het voor zich spreekt dat de leverancier, om zijn beste prijs te kunnen aanbieden, over voldoende inlichtingen moet beschikken over de omvang van de prestatie die hem wordt voorgesteld', waarbij de circulaire de goede praktijk aanbeveelt om in het bestek een waardeerbaar minimum aantal bestellingen op te geven; dat de curatoren betogen dat het effectieve aantal bestellingen Vetimo heeft misleid in zijn gewettigde verwachtingen, die bestonden in de hoeveelheden die in de bestekken waren opgegeven, en dat "aldus kritiek wordt geuit op de wijze waarop [de eiser] zijn algemene zorgvuldigheidsplicht niet zou hebben nagekomen, op grond waarvan hij bij het opmaken van de bestekken van de litigieuze overheidsopdrachten de nodige inlichtingen moet verschaffen en de vereiste schattingen moet maken". Het bestreden arrest geeft zodoende van de conclusie van de verweerders een uitlegging die niet verenigbaar is met de bewoordingen en de draagwijdte ervan en miskent derhalve de bewijskracht van die conclusie (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek).

Het bestreden arrest, dat beslist dat "inzake overheidsopdrachten, het beginsel van goede trouw in de precontractuele fase voorschrijft dat, wanneer een overheid een bestek opmaakt en in een ‘open' opdracht of nog ‘bestellingsopdracht' voor leveringen vermoedelijke hoeveelheden opgeeft, die hoeveelheden niet zomaar uit de lucht zijn gegrepen maar het resultaat zijn van een eerste, weloverwogen schatting", en aldus wijst op het bestaan en de inhoud van een precontractuele verplichting die de partijen niet hebben aangevoerd, zonder dat de eiser hierover tegenspraak heeft kunnen voeren, miskent het recht van verdediging (miskenning van het algemeen beginsel van het recht van verdediging).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste grond van niet-ontvankelijkheid door de verweerders tegen het middel opgeworpen: het middel heeft geen belang:

De eiser voert niet aan dat het bestreden arrest van 29 februari 2008 beslist dat hij zijn precontractuele verplichting van voorlichting en duidelijkheid met betrekking tot de te bestellen en aan te wenden hoeveelheden heeft miskend.

De eiser voert aan dat het voormelde arrest definitief beslist dat "inzake over-heidsopdrachten, het beginsel van goede trouw in de precontractuele fase voor-schrijft dat, wanneer een overheid een bestek opmaakt en in een ‘open' opdracht of nog ‘bestellingsopdracht' voor leveringen vermoedelijke hoeveelheden opgeeft, die hoeveelheden niet zomaar uit de lucht zijn gegrepen maar het resultaat zijn van een eerste, weloverwogen schatting".

Tweede grond van niet-ontvankelijkheid door de verweerders tegen het mid-del opgeworpen: het middel heeft geen belang:

Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid staat niet los van het on-derzoek van het middel.

De gronden van niet-ontvankelijkheid kunnen niet worden aangenomen.

Gegrondheid van het middel

De rechter moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten on-derzoeken en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de voor hem aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, enkel steunt op feiten die hem regelmatig zijn voorge-legd en het voorwerp noch de oorzaak van de vordering wijzigt; daarbij moet hij het recht van verdediging eerbiedigen.

Het bestreden arrest van 29 februari 2008 stelt vast dat "de oorspronkelijke vorde-ring [van de verweerders] bestaat in een vordering tot schadevergoeding die ge-grond is op de contractuele aansprakelijkheid inzake overheidsopdrachten", dat "betoogd wordt [...] dat [de eiser] een contractuele fout zou hebben begaan door niet op regelmatige basis bij Vetimo nv voldoende bestellingen te plaatsen om nog maar bij benadering de in het bestek opgegeven hoeveelheden te bereiken en de in de kennisgevingsbrieven aanvaarde offertes na te komen, terwijl de prijzen en de borgstellingen van Vetimo nv op basis van die hoeveelheden zijn vastgesteld, en dat het beding op grond waarvan [de eiser] zich door geen enkele te leveren hoeveelheid gebonden acht, een louter potestatief, leonisch en bijgevolg nietig be-ding is".

Het bestreden arrest van 29 februari 2008 beslist dat "de contractuele aansprake-lijkheid [van de eiser] niet [...] in het gedrang is gebracht".

Het bestreden arrest oordeelt dat "daarentegen moet worden nagegaan of de schade niet kan worden vergoed op grond van de burgerrechtelijke aansprake-lijkheid [van de eiser], overeenkomstig artikel 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek", en beslist vervolgens dat "inzake overheidsopdrachten, het beginsel van goede trouw in de precontractuele fase oplegt dat, wanneer een overheid een bestek opmaakt en in een ‘open' opdracht of nog ‘bestellingsopdracht' voor leve-ringen vermoedelijke hoeveelheden opgeeft, die hoeveelheden niet zomaar uit de lucht zijn gegrepen maar het resultaat zijn van een eerste, weloverwogen schat-ting", dat "die hoeveelheden immers een belangrijke aanwijzing voor de leveran-cier zijn wanneer hij, als een goede huisvader, de eenheidsprijzen voor zijn leve-ringen moet bepalen en een voorzichtige schatting van zijn omzetcijfer en van zijn mogelijke winst moet maken", en beveelt "de heropening van het debat, zodat de partijen hun respectieve argumenten kunnen aanvoeren betreffende de drie grondslagen van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de Belgische Staat en de raming van de schade waarvan de curatele de vergoeding zou kunnen vorde-ren".

Uit die vermeldingen volgt dat, enerzijds, de verweerders niet betoogd hebben dat de eiser een algemene zorgvuldigheidsplicht had, op grond waarvan hij bij het opmaken van de bestekken van de litigieuze overheidsopdrachten de nodige in-lichtingen moest verschaffen en de vereiste schattingen moest maken, en, ander-zijds, dat het hof van beroep het bestaan van die verplichting, die het ambtshalve heeft opgeworpen, niet aan de tegenspraak van de partijen hebben voorgelegd.

Het bestreden arrest van 29 februari 2008 miskent bijgevolg het recht van verde-diging van de eiser.

Het middel is in zoverre gegrond.

De vernietiging van het bestreden arrest van 29 februari 2008 leidt tot nietigver-klaring van de arresten van 11 februari, 22 september en 16 december 2010, die daarvan het gevolg zijn.

Dictum

Het Hof

Vernietigt het bestreden arrest van 29 februari 2008.

Verklaart de arresten van 11 februari, 22 september en 16 december 2010, die het gevolg van het vernietigde arrest zijn, nietig.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest en van de nietig verklaarde arresten.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Alain Simon, Michel Lemal, en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 27 juni 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Bevoegdheid van de rechter

  • Ambtshalve aangevulde reden

  • Debat op tegenspraak