- Arrest van 27 juni 2013

27/06/2013 - C.11.0562.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Onder ontstaan van het schadegeval, in de zin van artikel 87, §1, tweede lid, van de wet van 25 juni 1992, wordt het ontstaan van de schade bedoeld.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0562.F

D. D.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

AIA-POOL cvba.

ten aanzien van

AG INSURANCE nv.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 6 oktober 2010.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in het cassatieverzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee mid-delen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 87, § 1, tweede lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst kan de opzegging van de overeenkomst die vóór het ontstaan van het schadegeval is ge-schied, aan de benadeelde worden tegengeworpen.

Onder ontstaan van het schadegeval, in de zin van die bepaling, wordt het ont-staan van de schade bedoeld.

Het arrest stelt vast dat "de aannemer [...], die op 26 juni 2000 failliet is ver-klaard, was belast met de bouw van een pand [...] voor rekening [van de eiser]", dat "de architect voor die bouw een volledige architectenopdracht had ontvangen", dat "de overeenkomsten nietig zijn verklaard omdat ze indruisten tegen de openbare orde" en dat "[de verweerster] de burgerrechtelijke beroepsaansprake-lijkheid van de architect heeft gedekt [...] tot 28 mei 2000, d.i. de datum waarop de overeenkomst is beëindigd".

Het arrest beslist dat niet is aangetoond dat "er vóór 26 juni 2000 onherstelbare gebreken waren die schade hebben veroorzaakt".

Het arrest, dat het bestaan van schade afhankelijk stelt van de onherstelbare ge-breken van het bouwwerk, schendt de voormelde wetsbepaling.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Tweede middel

Eerste onderdeel

Vierde subonderdeel

Krachtens artikel 1134 Burgerlijk Wetboek strekken alle overeenkomsten die wet-tig zijn aangegaan, degenen die ze hebben aangegaan tot wet.

Luidens artikel 1165 van hetzelfde wetboek brengen overeenkomsten alleen ge-volgen teweeg tussen de contracterende partijen; zij brengen aan derden geen na-deel toe en strekken hun slechts tot voordeel in het geval voorzien bij artikel 1121.

Hoewel een derde, buiten het geval van een beding in zijn voordeel, niet de uit-voering, in zijn voordeel, van de verplichtingen uit een overeenkomst kan eisen, kan hij zich, in zijn verweer tegen de rechtsvordering die door een derde tegen hem is ingesteld, op grond van artikel 1165 Burgerlijk Wetboek niet alleen beroe-pen op het bestaan van die overeenkomst maar ook op de gevolgen die de voor-melde overeenkomst tussen de contracterende partijen teweegbrengt.

Het arrest stelt vast dat de eiser een vordering tot schadevergoeding tegen de ver-weerster heeft ingesteld, dat "[laatstgenoemde] de burgerrechtelijke beroepsaan-sprakelijkheid van de architect heeft gedekt [...] tot 28 mei 2000, d.i. de datum waarop de overeenkomst is beëindigd", dat "de architect zich na die datum heeft gewend tot de vennootschap Ar-Co, wier overeenkomst is ingegaan op 8 augustus 2000 en geëindigd in 2002", en dat "van het schadegeval aangifte is gedaan in een aan de [verweerster] gerichte brief van 12 september 2000".

Het arrest wijst erop dat "de overeenkomst tussen de [verweerster] en [de archi-tect] bepaalt" dat "ook de vorderingen tot vergoeding in aanmerking worden ge-nomen die binnen zesendertig maanden te rekenen van het einde van de overeen-komst zijn ingesteld [...] indien het risico bij het einde van die overeenkomst niet door een andere verzekeraar is gedekt".

Uit artikel 4 van de overeenkomst tussen de architect en de vennootschap Ar-Co, waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat "de polis de schade dekt die na de inwerkingtreding ervan is ontstaan maar betrekking heeft op vroegere opdrachten, op voorwaarde dat de werken, bij het ondertekenen van de polis, voorlopig zijn opgeleverd, met uitsluiting van de mogelijke opmerkingen".

Het arrest, dat overweegt dat "artikel 4 van de verzekeringspolis die [de architect] bij de vennootschap Ar-Co heeft aangegaan, bepaalt [...] dat het vroegere risico gedekt is, onder bepaalde voorwaarden die het hof [van beroep] niet hoort te be-oordelen" en dat "slechts hoeft te worden vastgesteld dat het risico, d.w.z. de aan-sprakelijkheidschuld van de architect, gedekt is", om daaruit af te leiden dat "het beding van uitsluiting van de waarborg, dat is ingevoegd in de overeenkomst [tus-sen de verweerster en de architect], van toepassing is", miskent de verbindende kracht van die polis en haar uitwerking ten aanzien van derden.

Het subonderdeel is gegrond.

Derde onderdeel

Krachtens artikel 78, § 2, Wet Landverzekeringsovereenkomst kunnen de partijen overeenkomen dat de verzekeringswaarborg alleen slaat op de vorderingen tot vergoeding die schriftelijk worden ingesteld tegen de verzekerde of de verzeke-raar tijdens de duur van de overeenkomst voor schade voorgevallen tijdens die-zelfde duur en dat, in dat geval, ook de vorderingen tot vergoeding in aanmerking worden genomen die betrekking hebben op schade die zich tijdens de duur van deze overeenkomst heeft voorgedaan indien het risico bij het einde van deze over-eenkomst niet door een andere verzekeraar is gedekt, op voorwaarde dat ze schrif-telijk worden ingesteld tegen de verzekerde of de verzekeraar binnen zesendertig maanden te rekenen van het einde van de overeenkomst.

Het arrest stelt vast dat "de overeenkomst tussen [de verweerster en de architect] bepaalt" dat "de vorderingen tot vergoeding in aanmerking worden genomen die zijn ingesteld binnen zesendertig maanden te rekenen van het einde van de over-eenkomst indien ze betrekking hebben op schade die zich tijdens de duur van de overeenkomst heeft voorgedaan en indien het ‘risico' tegen het einde van de over-eenkomst niet door een andere verzekeraar is gedekt".

Uit het antwoord op het eerste onderdeel van het eerste middel blijkt dat het ar-rest, dat het bestaan van de schade afhankelijk stelt van de onherstelbare gebreken van het bouwwerk en dat daaruit afleidt dat "de schade zich niet vóór 26 juni 2000 kan hebben voorgedaan", zodat "noch [de eiser] noch de [tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] [...] aantonen dat [de verweerster] de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de architect moest dekken", schendt de voormelde wetsbepaling.

Het onderdeel is gegrond.

Er bestaat geen grond tot onderzoek van de andere grieven, die niet kunnen leiden tot ruimere vernietiging.

De eiser heeft er bovendien belang bij dat het arrest bindend wordt verklaard ten aanzien van daartoe voor het Hof opgeroepen partij.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dat arrest het hoofdberoep van de verweerster ontvankelijk verklaart.

Verklaart het arrest bindend ten aanzien van AG Insurance nv.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Alain Simon, Michel Lemal, en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 27 juni 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Overeenkomst

  • Beëindiging voordat het schadegeval heeft plaatsgevonden

  • Schadegeval