- Arrest van 27 juni 2013

27/06/2013 - C.11.0782.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De beslissing van een gemeente om een sociaal voordeel toe te kennen aan leerlingen die onderwijs volgen in de scholen die zij inricht, geeft de inrichtende macht van een school van dezelfde categorie die in dezelfde gemeente gelegen is en die tot het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde vrij onderwijs behoort, het recht om van die gemeente hetzelfde voordeel te verkrijgen voor de leerlingen die in die school onderwijs volgen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0782.F

1. INRICHTENDE MACHT VAN DE ‘ÉCOLE PAROISSIALE DU SA-CRÉ-CŒUR DE NEUFVILLES-GAGE' vzw,

2. INRICHTENDE MACHT VAN DE ‘ÉCOLE PAROISSIALE SAINT MARTIN DE HORRUES' vzw,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

STAD ZINNIK, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en sche-penen,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie.

AR C.12.0087.F

STAD ZINNIK, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en sche-penen,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. INRICHTENDE MACHT VAN DE ‘ÉCOLE PAROISSIALE DU SA-CRÉ-CŒUR DE NEUFVILLES-GAGE' vzw,

2. INRICHTENDE MACHT VAN DE ‘ÉCOLE PAROISSIALE SAINT MARTIN DE HORRUES' vzw,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep dat op de algemene rol is ingeschreven onder het nummer C.11.0782.F, is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Bergen van 12 februari 2010 en 10 januari 2011.

Het cassatieberoep dat op de algemene rol is ingeschreven onder het nummer C.12.0087.F, is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 10 januari 2011.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseressen voeren volgend middel aan tot staving van het cassatieberoep dat op de algemene rol is ingeschreven onder het nummer C.11.0782.F:

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 24, inzonderheid § 1 en 4, van de Grondwet ;

- de artikelen 1370 en 2262bis, inzonderheid § 1, van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 33 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, zoals die bepaling in de Franse Gemeenschap van toepassing was vóór de inwerkingtreding van het decreet van de Franse Gemeenschap van 7 juni 2001 betreffende de sociale voordelen ;

- de artikelen 2 en 3, inzonderheid eerste lid, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 7 juni 2001 betreffende de sociale voordelen.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest van 12 februari 2010 beslist dat de eiseressen zich ten aanzien van de verweerster niet kunnen beroepen op een schuldvordering en dat hun vordering is verjaard voor de periode tot 4 mei 2000, om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en inzonderheid om de volgende redenen:

"2° De verjaring

[De eiseressen] vorderen de veroordeling van [de verweerster] tot betaling van een provisioneel bedrag van 100.000 euro voor lasten uit het verleden, sinds 1 januari 1996.

[De verweerster] beroept zich op artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek en meent dat de vijfjarige verjaring van toepassing is op de vordering [van de eiseressen], wat tot gevolg heeft dat hun vordering, in zoverre ze betrekking heeft op de lasten uit het verleden, verjaard is sinds 27 juli 2003.

[De verweerster] voert subsidiair aan dat [de eiseressen] enkel een vergoeding voor het verleden kunnen vorderen voor zover ze vijf jaar teruggaan in de tijd, te rekenen van hun gedinginleidende dagvaarding, d.i. 3 augustus 2001.

De vraag rijst of de vordering [van de eiseressen] gegrond is.

[De eiseressen] wijzen erop dat hun vordering gegrond is op artikel 33 van de schoolpactwet, artikel 24 van de Grondwet en artikel 2 van het decreet van 7 juni 2001.

Zij beklemtonen dat zij, bij gebrek aan eigen middelen, de door de sociale voordelen vertegenwoordigde diensten voorgefinancierd hebben door een financiële bijdrage van de ouders en door een bepaald aantal winstgevende ac-tiviteiten te organiseren.

Zij menen dan ook dat ze een schuldvordering op [de verweerster] hebben en vorderen de terugbetaling van de bestede bedragen.

Die redenering kan niet worden gevolgd.

[De eiseressen] verantwoorden hun hoedanigheid van schuldeiser niet, in zoverre ze erkennen dat ze de diensten waarvan ze de terugbetaling vorderen niet zelf, hetzij rechtstreeks hetzij door een lening, gefinancierd hebben.

Zij voeren evenmin aan dat zij een verbintenis zouden zijn aangegaan ten aanzien van de ouders die, volgens hen, het verzuim [van de verweerster] hebben moeten verhelpen.

Zij kunnen daarentegen de vergoeding van hun schade vorderen indien bewezen is dat de gemeente een fout zou hebben begaan, die hierin zou bestaan dat zij enkel aan de kinderen van haar eigen onderwijsnet sociale voordelen zou hebben toegekend en zij zodoende haar wettelijke verplichtingen niet zou zijn nagekomen.

Artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek, dat voorziet in een verjaringstermijn van vijf jaar, is dus van toepassing.

[De eiseressen] zijn pas in mei 2005 te weten gekomen dat zij mogelijks schade hadden geleden, toen zij hebben kunnen kennisnemen van de lijst met de sociale voordelen die toegekend werden aan de kinderen die onderwijs volgden in de gemeentescholen.

Het feit dat [de eiseressen] wel op de hoogte dienden te zijn van de bepalingen uit de schoolpactwet en uit het decreet van 7 juni 2001, heeft niet noodzakelijkerwijs tot gevolg dat zij zich bewust waren van het feit dat er sinds het schoolpact een ongelijkheid tussen de netten bestond.

De vordering is dus niet verjaard voor de periode na 4 mei 2000".

Grieven

Het schuldvorderingsrecht, dat de rechtsleer omschrijft als een juridische band tussen twee welbepaalde personen, waardoor de houder van dat recht van een welbepaalde persoon een prestatie kan eisen, kan volgens artikel 1370 van het Burgerlijk Wetboek zijn oorsprong vinden in de wet: "sommige verbintenissen ontstaan zonder dat er enige overeenkomst is, noch van de zijde van degene die zich verbindt, noch van de zijde van degene tegenover wie hij verbonden is. De ene ontstaan uit kracht van de wet alleen [...]".

Krachtens artikel 2262bis, § 1, van het Burgerlijk Wetboek verjaart de rechtsvordering van de schuldeiser op zijn schuldenaar door verloop van tien jaar: "Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar.

In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon".

Een subjectief schuldvorderingsrecht op de overheid moet aan twee voorwaarden voldoen: 1° het bestaan van een welbepaalde juridische verplichting (dare, facere of non facere) die een objectieve rechtsregel rechtstreeks aan de overheid oplegt; 2° een eigen belang in hoofde van degene die de uitvoering van die verplichting vordert.

Er bestaat een rechtsregel op grond waarvan de rechtsonderhorige rechtstreeks een welbepaald gedrag van de overheid kan eisen, wanneer de bevoegdheid van de administratieve overheid volledig gebonden is, wat veronderstelt dat de voorwaarden voor de uitoefening van de bevoegdheid objectief zijn vastgelegd in de rechtsregel en de overheid dus over geen enkele beoordelingsbevoegdheid beschikt.

Artikel 24 van de Grondwet bepaalt wat volgt :

"§ 1. Het onderwijs is vrij [...].

De gemeenschap waarborgt de keuzevrijheid van de ouders. [...]

§ 4. Alle leerlingen of studenten, ouders, personeelsleden en onderwijsinstellingen zijn gelijk voor de wet of het decreet. De wet en het decreet houden rekening met objectieve verschillen, waaronder de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht, die een aangepaste behandeling verantwoorden".

Vóór de wijziging ervan bij het decreet van 7 juni 2001 betreffende de sociale voordelen bepaalde artikel 33 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, de zogeheten schoolpactwet, het volgende:

"Onverminderd de afwijkende bepalingen, voorzien in deze wet, wordt de financiële tussenkomst van de provincies en de gemeenten ten bate van het vrij onderwijs beperkt tot het gezondheidstoezicht en de aan de leerlingen verleende sociale voordelen. De provincies en de gemeenten mogen geen enkel onderscheid maken tussen de kinderen, welke scholen die ook bezoeken. Zij hebben evenwel geen enkele verplichting tegenover de kinderen die de Rijksscholen bezoeken".

Het decreet van 7 juni 2001 van de Franse Gemeenschap betreffende de sociale voordelen, dat van kracht is sinds 1 september 2001, somt in artikel 2 de toelaatbare sociale voordelen op en bepaalt in artikel 3 dat "de gemeenten die sociale voordelen toekennen aan leerlingen die onderwijs volgen in de scholen die zij inrichten, in gelijkaardige omstandigheden dezelfde voordelen verlenen aan leerlingen die onderwijs volgen in scholen van dezelfde categorie die ook gelegen zijn in dezelfde gemeente en behoren tot het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerd vrij onderwijs, voor zover de inrichtende macht van deze scholen de gemeente hierom schriftelijk verzoekt".

Uit de combinatie van die bepalingen volgt dat de wetgever de gemeenten heeft ver-plicht om de leerlingen die onderwijs volgen in de instellingen van het vrij onderwijs en de leerlingen die onderwijs volgen in de instellingen van het onderwijs dat zij in-richten, gelijk te behandelen. Die verplichting wordt niet afgezwakt door enige beoordelingsbevoegdheid van de overheid, aangezien het een volledig gebonden bevoegdheid betreft.

Hieruit volgt dat de inrichtende machten van het zogeheten vrij onderwijs over een subjectief schuldvorderingsrecht beschikken en dat zij van de gemeentelijke overheid dezelfde voordelen kunnen eisen als die welke worden toegekend aan de leerlingen van het onderwijs dat zij inricht. Alleen de inrichtende machten van het zogeheten vrij onderwijs, en niet de individuele leerlingen, beschikken over het schuldvorderingsrecht, wat volgt uit de volgende bepalingen:

- artikel 3 van de voormelde wet, luidens welke "de Staat, overeenkomstig de bepa-lingen van deze wet, de onderwijsinrichtingen en afdelingen van onderwijsinrichtingen subsidieert die aan de wettelijke normen beantwoorden en door provincies, gemeenten, verenigingen van gemeenten, andere publiekrechtelijke personen en private personen, tot stand zijn gebracht";

- artikel 36 van dezelfde wet van 29 mei 1959, luidens hetwelk "de werkings- en uitrustingstoelagen aan de inrichtende macht van elke school worden betaald" ;

- het voormelde artikel 3 van het decreet van 7 juni 2001, krachtens hetwelk de gemeenten sociale voordelen moeten toekennen ten bate van de leerlingen die onderwijs volgen in de scholen van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde vrij onderwijs, « voor zover de inrichtende macht van deze scholen de gemeente hierom schriftelijk verzoekt », waarbij dat artikel zodoende bevestigt dat de rechtstreekse schuldeiser van de sociale voordelen de inrichtende macht is en niet de leerlingen die onderwijs volgen in de scholen die zij inricht.

De eiseressen beriepen zich in hun derde syntheseconclusie op het bestaan van een schuldvorderingsrecht ten aanzien van de verweerster:

"[De eiseressen], die bevoegd zijn om de veroordeling van [de verweerster] te eisen, vorderen de terugbetaling van de bedragen die zij betaald hebben om de leerlingen die onderwijs volgen in de school die zij inrichten, de diensten te kunnen aanbieden die onder het begrip sociaal voordeel vallen en die door [de verweerster] worden toegekend aan de leerlingen die het onderwijs volgen in de gemeentescholen maar niet aan de leerlingen die onderwijs volgen in de scholen die [de eiseressen] inrichten;

[De eiseressen] vorderen van [de verweerster] dus de terugbetaling van een schuldvordering;

Indien zij haar wettelijke verplichting op gepaste tijd had uitgevoerd, zou zij ten aanzien [van de eiseressen] geen schuld hebben gehad;

Het geschil tussen, met name, [de eiseressen] en [de verweerster] is een geschil tussen schuldeiser en schuldenaar ;

Het hof [van beroep] zal opmerken dat [de eiseressen] zelf de diensten hebben betaald die onder het begrip sociaal voordeel vallen ;

Aangezien [de eiseressen] die last hebben gedragen, zijn zij niet alleen bevoegd om de veroordeling van [de verweerster] te verkrijgen maar is hun vordering tot veroordeling daarenboven ontvankelijk en gegrond;

[De eiseressen] hadden een lening kunnen aangaan; [de eiseressen] hebben een beroep gedaan op voorfinanciering en op solidariteit, wat [de verweerster] echter geenszins ontslaat van haar plicht om die bedragen terug te betalen en haar wettelijke verplichting na te komen".

Het bestreden arrest van 12 februari 2010, dat erop wijst dat de eiseressen de veroordeling vorderen van de verweerster tot de betaling van een provisioneel bedrag van 100.000 euro voor lasten uit het verleden sinds 1 januari 1996, welke vordering gegrond is op artikel 24 van de Grondwet, artikel 33 van het schoolpact en artikel 2 van het decreet van 7 juni 2001, beslist dat de eiseressen hun hoedanigheid van schuldeiser niet aantonen. Het arrest verantwoordt zijn beslissing op grond dat, enerzijds, de eiseressen "erkennen dat zij de diensten waarvan zij de terugbetaling vorderen niet zelf, hetzij rechtstreeks hetzij via een lening, hebben gefinancierd", en dat zij, anderzijds, "evenmin betogen dat zij een verbintenis zouden zijn aangegaan ten aanzien van de ouders die, zo beweren zij, het verzuim van [de verweerster] zouden hebben moeten verhelpen".

Het arrest van 12 februari 2010, dat de eiseressen hun schuldvorderingsrecht ontzegt, terwijl zij krachtens de artikelen 24 van de Grondwet, 33 van de zogeheten schoolpactwet, en 2 en 3 van het decreet van 7 juni 2001 van het decreet van de Franse Gemeenschap, van de verweerster dezelfde voordelen konden eisen als die welke toegekend werden aan de leerlingen die onderwijs volgen dat zij inricht, schendt die grondwettelijke bepaling en die wettelijke bepalingen.

De in het voormelde arrest vermelde omstandigheden volgens welke de eiseressen de diensten waarvan zij de terugbetaling vorderen niet zelf zouden hebben gefinancierd en dat zij evenmin een verbintenis zouden zijn aangegaan ten aanzien van degenen die ze hebben gefinancierd, sluiten het bestaan van een schuldvorderingsrecht niet uit.

Het bestreden arrest, dat daarenboven beslist dat de vordering van de eiseressen, die ertoe strekt de verweerster te doen veroordelen tot de betaling van een provisioneel bedrag van 100.000 euro voor lasten uit het verleden sinds 1 januari 1996, verjaard is voor de periode tot 4 mei 2000, terwijl de eiseressen krachtens artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, over een termijn van tien jaar beschikken om hun schuldvorderingsrecht uit te oefenen, schendt tevens artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

De eiseres voert volgend middel aan tot staving van het cassatieberoep dat op de algemene rol is ingeschreven onder het nummer C.12.0087.F:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 10, 11 en 24, § 1, tweede lid, van de Grondwet;

- artikel 33 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, zoals die bepaling van toepassing was vóór en na de wijziging ervan bij het decreet van de Franse Gemeenschap van 7 juni 2001 betreffende de sociale voordelen;

- de artikelen 2, 3 en 8 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 7 juni 2001 betreffende de sociale voordelen.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest verbiedt de eiseres om tegemoet te komen in voordelen die niet zijn opgenomen in de lijst van artikel 2 van het decreet van 7 juni 2001, op straffe van een dwangsom van 1.000 euro per maand, die opeisbaar wordt na verloop van een termijn van drie maanden te rekenen van zijn betekening, om de volgende redenen:

"Als het hof [van beroep] zich plaatst vóór 1 september 2001 (datum van inwerkingtreding van het decreet van 7 juni 2001), en oordeelt dat de volgende activiteiten sociale voordelen zijn, in zoverre zij niet binnen de normale on-derwijsorganisatie vallen:

- [...]

- de tegemoetkoming in de "extra muros activiteiten" en hun vervoer: het klopt dat de "extra muros activiteiten" tijdens het schooljaar worden georganiseerd en dat zij bijdragen tot de ontdekking van een culturele, geografische en historische omgeving die verondersteld wordt bij de meeste deelnemende kinderen nauwelijks bekend te zijn.

Toch houden de gezinnen in de eerste plaats rekening met het economische en financiële aspect van het verblijf en wordt hun keuze op grond daarvan bepaald.

Dat geldt ook voor de kosten van de verplaatsingen bij uitstappen, aangezien ze deel uitmaken van de activiteiten die als sociale voordelen kunnen worden aange-merkt. (...)

Voor de periode na 1 september 2001 moet worden verwezen naar de lijst in artikel 2 van het decreet, dat betrekking heeft op : 1° (....)

Daarenboven werd geoordeeld dat uit het arrest van het Arbitragehof van 14 mei 2001 kon worden afgeleid dat de sociale voordelen die niet op de voormelde lijst voorkwamen aan geen enkel onderwijsnet mochten worden toegekend, op straffe van schending van het decreet.

(...) 3) Wat betreft de door de [eiseres] toegekende voordelen

Uit de stukken waarop het hof [van beroep] acht kan slaan, volgt dat :

- voor de schooljaren 2002-2003, 2004-2005 en 2005-2006 was er schoolopvang en studietoezicht van 6.30 uur tot 8 uur en van 16 uur tot 18.30 uur;

- voor het schooljaar 2005-2006 was er gratis schoolopvang en studietoezicht te C. van 7 uur tot 8.30 uur en van 15.40 uur tot 18 uur. Dat geldt ook voor verschillende andere gemeentescholen ;

- toen aan de gemeenteraad de vraag werd gesteld welke sociale voordelen in 2000 werden toegekend, werd hierop geantwoord dat het ging om de schoolopvang ‘s ochtends en ‘s avonds en het ‘niet gesubsidieerde' toezicht tijdens het middagmaal;

- de gemeenteraad van [de eiseres] heeft op 8 april 2002 de op 1 september vast-gestelde lijst goedgekeurd van de sociale voordelen die toegekend werden aan de leerlingen van het gemeentelijk gewoon kleuteronderwijs en van het gemeentelijk gewoon basisonderwijs ; het gaat om het ‘niet gesubsidieerde' toezicht van anderhalf uur tijdens het middagmaal en om de opvang van de leerlingen één uur vóór en na het einde van de lessen ;

- in verschillende door de [eiseres] ingerichte scholen was er gratis studietoezicht, op zijn minst tijdens het schooljaar 2007-2008 ;

- uit de gemeentebegroting blijkt dat er betalingen zijn verricht voor openluchtklassen (Zinnik jaren 2002, 2003, 2004, 2005), sneeuwklassen (jaren 2003, 2004, 2005), verschillende schoolreizen (Casteau, Neufvilles, ... jaren 2003, 2004, 2005), bosklassen en zeeklassen (Casteau, Naast, Thieusies : jaren 2003, 2004, 2005) en voor schoolvervoer (jaar 2004).

Voor het overige is niet aangetoond dat [de eiseres] andere kortingen dan die op pedagogische werken zou verlenen of dat zij voor de zwembeurten zou betalen.

[De eiseres] erkent dat de bepalingen van het decreet in sommige gemeentescholen en voor sommige soorten opvang overschreden zijn.

De overwegingen van [de eiseres] volgens welke bepaalde soorten van avondop-vang op studietoezicht zouden lijken, doen niet ter zake, in zoverre dat studietoezicht, net als de opvang, als sociale voordelen moeten worden aangemerkt. Ze vallen immers niet onder de gewone onderwijsorganisatie maar zijn een vorm van gezinshulp, waardoor het kind zijn taken kan verrichten zonder op zijn thuiskomst te hoeven wachten en de ouders die taak niet op zich hoeven te nemen wanneer zij onvoldoende tijd hebben of niet bekwaam zijn om die taak te vervullen.

De verweersters erkennen dat de Franse Gemeenschap op forfaitaire basis tege-moetkomt in de kosten van het middagtoezicht en [de eiseres] meent, terecht, dat de [verweersters] niet aantonen dat die toelage in die mate ontoereikend zou zijn dat zij een verhoging van die toelage zouden moeten ontvangen.

De [verweersters] betwisten overigens niet dat de organisatie van opvang ‘buiten decreet' door het Office de la naissance et de l'enfance gesubsidieerd wordt. Het hof [van beroep] wijst er evenwel op dat het CLE-programma werd goedgekeurd met inwerkingtreding op 1 juni 2005, terwijl de vordering van de verweersters begint op 1 mei 2000.

[De eiseres] voert aan dat het middagtoezicht in sommige gemeentescholen wordt verantwoord door praktische moeilijkheden, waardoor het in het decreet opgegeven tijdschema niet kan worden nageleefd.

Ten eerste leveren noch de [eiseres] noch, evenmin, de [verweersters], het bewijs van de materiële moeilijkheden waaraan zij het hoofd moeten bieden om het middagtoezicht te organiseren.

Ten tweede, gesteld dat die materiële moeilijkheden bestaan, blijft het niettemin een feit dat ze ertoe zouden leiden dat aan de kinderen van de gemeentescholen een bijkomend voordeel wordt toegekend dat niet op de lijst voorkomt.

Het hof [van beroep] heeft in zijn voormeld arrest beslist dat het hof de periode vanaf 1 september 2001 niet mag beoordelen en dat de vorderingen van de [verweersters] ‘betreffende de tegemoetkomingen van de gemeente, die het hof [van beroep] als sociale voordelen die niet in het decreet zijn bepaald zou aanmerken, niet gegrond zijn in zoverre de toekenning door de gemeente de wettekst zou hebben geschonden'.

Het hof [van beroep] kan dus de vordering van de [verweersters], die strekt tot het herstellen van de gelijkheid bij het toekennen van de bijkomende voordelen die niet in de lijst zijn opgenomen, in geen geval aannemen.

Het hof [van beroep] merkt evenwel op dat die vordering, waarvan hierna sprake zal zijn, door de [verweersters] werd gewijzigd en dat zij thans subsidiair vorderen dat [de eiseres] moet worden verboden om dergelijke voordelen toe te kennen.

Voor de oplossing van het geschil hoeven dus niet de prejudiciële vragen te worden gesteld die betrekking hebben op de sociale voordelen die gevorderd worden in geval van organisatorische moeilijkheden die de naleving van het decreet belemmeren.

Uit het voorgaande volgt dat [de eiseres] aan haar leerlingen sociale voordelen verleent die zij niet aan de [verweersters] toekent en dat zij zodoende het decreet van 7 juni 2001 schendt.

Zij begaat aldus een fout waarvoor zij op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk kan worden gesteld.

Er werd reeds geoordeeld dat de [verweersters] recht hadden op de herstel van hun schade indien is aangetoond dat de [eiseres] een fout heeft begaan.

Dit betekent dat de vordering van [de eiseres] tot overlegging van stukken niet gegrond is, aangezien het bedrag van de gemeentelijke tegemoetkomingen in de toegekende sociale voordelen niet nauwkeurig hoeft te worden vastgesteld, voor zover is geoordeeld dat de [verweersters] die sociale voordelen niet zelf gefinancierd hebben, maar dat de schade geraamd moet worden die voortvloeit uit de niet-naleving, door de [eiseres], van haar op het decreet van 7 juni 2001 ge-gronde wettelijke verplichting.

Er bestaat dus geen grond om de door [de eiseres] voorgestelde vraag betreffende de grondwettelijkheid van de vordering van de [verweersters] tot schadevergoeding te stellen.

De [verweersters] hebben in hun derde syntheseconclusie, neergelegd op 3 september 2009, subsidiair de veroordeling van [de eiseres] gevorderd tot betaling van een bedrag van 50.000 euro, rekening houdend met de wettelijke grondslag van de vordering tot schadevergoeding die het hof [van beroep] in aanmerking heeft genomen.

Volgens de [verweersters] moeten de hen toe te kennen bedragen een ontradend karakter hebben en zij ramen die bedragen op de helft van het bedrag dat [de eiseres] had moeten betalen indien zij haar wettelijke verplichtingen was na-gekomen.

De schade waarop de [verweersters] aanspraak kunnen maken, dient niet te worden berekend op grond van de kostprijs van de voordelen die hen zijn ontzegd, aangezien zij niet aantonen dat zij die voordelen zelf hebben moeten financieren.

Zo kan evenmin sprake zijn van een bestraffende vergoeding maar moeten de scha-delijke gevolgen die voor de [verweersters] uit de fout van de [eiseres] voortvloeien zo nauwkeurig mogelijk worden geraamd.

De schade van de [verweersters] moet worden geraamd met inachtneming van de volgende gegevens :

- het vertrouwen dat de [verweersters] meenden te mogen stellen in het feit dat de gemeente haar verplichtingen zou nakomen, is al sinds meerdere jaren geschokt;

- de omstandigheid dat de instelling van de [verweersters] noodzakelijkerwijs minder aantrekkelijk overkomt: ook al tonen zij niet aan dat ouders wegens de geboden voordelen voor het gemeentelijk onderwijs gekozen hebben, toch blijft het een feit dat het gesubsidieerde vrij onderwijs minder aantrekkelijk overkomt, aangezien het niet in staat is om dezelfde diensten als die van de gemeente aan te bieden;

- de omvang van de sociale voordelen die de [verweersters] niet hebben kunnen aanbieden aan de leerlingen die in hun instellingen onderwijs volgen.

Het hof [van beroep] oordeelt dat, aangezien de geleden schade niet concreet kan worden geraamd, de door de eerste [verweerster] aangevoerde schade alleen naar billijkheid kan worden vergoed; die vergoeding zal worden vastgesteld op een definitief bedrag van 8.000 euro per [verweerster].

Dat bedrag zal worden vermeerderd met de compensatoire interest vanaf de ge-middelde datum van 1 mei 2005.

De vordering van de [verweersters], die ertoe strekt [de eiseres] te doen veroorde-len om in de toekomst aan de leerlingen die onderwijs volgen in de scholen die zij inrichten alle sociale voordelen toe te kennen die zijn opgenomen in artikel 2 van het decreet van 7 juni 2001 en die door [de eiseres] worden toegekend aan de leerlingen die onderwijs volgen in de gemeentescholen, blijkt zonder belang te zijn, aangezien het om een wettelijke verplichting van de [eiseres] gaat.

Voor de periode die volgt op de inwerkingtreding van het decreet wijst het hof [van beroep] erop dat de [eiseres] voordelen toekent die niet zijn opgenomen in de lijst van artikel 2 van het decreet.

De vergoeding van een schade die gegrond is op een fout, bestaat erin dat het slachtoffer wordt hersteld in de toestand waarin het zich zou hebben bevonden indien de fout niet was begaan.

De [verweersters] kunnen, evenmin als [de eiseres], aanspraak maken op een sociaal voordeel dat niet is opgenomen in de limitatieve lijst van het decreet van 7 juni 2001, zodat de [verweersters] geen schadevergoeding of interest kunnen vorderen tot beloop van de tegenwaarde van de sociale voordelen die niet op de lijst voorkomen.

Daarentegen moet de [eiseres], overeenkomstig de vordering van de [verweersters], verboden worden in die voordelen financieel tegemoet te komen, op straffe van een dwangsom die redelijkerwijs moet worden vastgesteld op een bedrag van 1.000 euro per maand".

Grieven

Artikel 33, eerste lid, van de wet van 29 mei 1959, vóór de wijziging ervan bij het decreet van 7 juni 2001 en zoals het van toepassing was tot de inwerkingtreding van dat decreet op 1 september 2001, luidde als volgt:

"Onverminderd de afwijkende bepalingen voorzien in deze wet, wordt de financiële tussenkomst van de provincies en de gemeenten ten bate van het vrij onderwijs beperkt tot het gezondheidstoezicht en de aan de leerlingen verleende sociale voordelen. De provincies en de gemeenten mogen geen enkel onderscheid maken tussen de kinderen, welke scholen die ook bezoeken.

Zij hebben evenwel geen enkele verplichting tegenover de kinderen die de Rijksscholen bezoeken".

Die bepaling bevestigt, overeenkomstig de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet, het gelijkheidsbeginsel tussen de officiële scholen en de gesubsidieerde scholen inzake het gezondheidsbeleid en de sociale voordelen en waarborgt de ouders dat de keuze van het onderwijs dat hun kinderen zullen volgen, niet beïnvloed zal kunnen worden door overwegingen van financiële aard die verband houden met de toekenning van sociale voordelen aan de leerlingen die onderwijs volgen in de gemeentescholen.

Het begrip "sociale voordelen" wordt noch in de wet van 29 mei 1959 noch in de parlementaire voorbereiding van die wet bepaald.

De parlementaire voorbereiding van de wet verduidelijken overigens in dat verband het volgende : "Van het begrip ‘sociaal voordeel' kan, gezien de voortdurende evo-lutie welke zich op dit gebied voltrekt, bezwaarlijk een limitatieve bepaling worden gegeven. In plaats van deze evolutie te remmen door een al te scherp omlijnde en bijgevolg beperkende definitie, dient er veeleer voor gezorgd te worden dat zij zich verder kan uitbreiden. Hieromtrent zal een rechtspraak worden gevestigd" (Gedr. St. Kamer, gewone zitting, 1958-1959, nr. 199-2, p. 11).

De wetgever had inderdaad geoordeeld dat het begrip "sociale voordelen" een tijdsgebonden begrip is en dat het gevaarlijk was om van dat begrip een te strikte omschrijving te geven zodat de administratie en de rechter, via hun rechtspraak en naargelang van de maatschappelijke evolutie, dienden te bepalen welke voordelen, die onder de toepassing vielen van artikel 33, door een gemeente niet kunnen worden toegekend aan de leerlingen die onderwijs volgen in de gemeentescholen, zonder dat zij diezelfde voordelen toekent aan de leerlingen die onderwijs volgen in de gesubsidieerde vrije scholen die zijn opgericht op het grondgebied van de gemeente.

Van bij de oorsprong en tot op heden werden activiteiten zoals de "extra muros activiteiten" of schoolreizen in de ruime betekenis van het woord, alsook de kosten die deze activiteiten tot gevolg hebben, en met name de vervoerkosten, steeds uitgesloten uit het begrip "sociale voordelen", in zoverre die activiteiten deel uitmaken van de normale onderwijsorganisatie.

De "openluchtscholen", waarmee de "extra muros activiteiten" en de schoolreizen redelijkerwijs kunnen worden gelijkgesteld, alsook de aan die activiteiten verbonden vervoerkosten, werden zodoende uit de sociale voordelen uitgesloten door de ministeriële circulaire van 1 juni 1960, die de activiteiten opsomde die onder het begrip "sociale voordelen" vielen in de zin van artikel 33 van de wet van 29 mei 1959, voor zover die klassen of schoolreizen onderwijs aan regelmatig ingeschreven leerlingen verstrekken in optimale hygiënische omstandigheden "en deel uitmaken van de normale onderwijsorganisatie".

Die uitsluiting en het gebrek aan evolutie, waardoor de organisatie van "extra muros activiteiten", van schoolreizen in de ruime zin van het woord en de kosten van het aan die activiteiten verbonden vervoer als sociale voordelen beschouwd zouden moeten worden, werden bevestigd door het decreet van 7 juni 2001 van de Franse Gemeenschap betreffende de sociale voordelen en door het decreet van de Vlaamse Raad van 5 juli 1989 betreffende het onderwijs en zijn uitvoeringsbesluit van 24 juli 1991.

De Vlaamse en Franse Gemeenschappen hebben in die twee decreten en in dat besluit immers via wettelijke en reglementaire weg gepreciseerd welke voordelen "sociale voordelen" zijn in de zin van artikel 33 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving.

Artikel 33 van de wet van 29 mei 1959 werd bij decreet van 7 juni 2001 van de Franse Gemeenschap gewijzigd als volgt:

"Onverminderd de afwijkende bepalingen voorzien in deze wet, wordt de financiële tussenkomst van de gemeenten, de provincies en van de Franse Gemeen-schapscommissie ten bate van het vrij onderwijs beperkt tot het gezondheidstoezicht en de aan de leerlingen verleende sociale voordelen zoals voorzien in het decreet van 7 juni 2001 betreffende de sociale voordelen".

Het arrest vermeldt in zijn motivering de limitatieve lijst van de "sociale voordelen" die is vastgelegd in het decreet van 7 juni 2001.

Hieruit blijkt dat de "extra muros activiteiten" en de schoolreizen in de ruime zin van het woord, alsook het daarbij horende vervoer, niet behoren tot de in het decreet vermelde sociale voordelen.

Hieruit valt af te leiden dat de organisatie van de "extra muros activiteiten" en van schoolreizen nog steeds niet als "sociale voordelen" worden beschouwd. De kosten betreffende die activiteiten, en met name de daarbij horende vervoerskosten, kunnen evenmin als "sociale voordelen" worden aangemerkt.

Die activiteiten, die altijd al zijn beschouwd als een onderdeel van de normale onderwijsorganisatie, kunnen bijgevolg in geen geval als sociaal voordeel worden omschreven.

Aangezien de "extra muros activiteiten" en de schoolreizen alsook de daarbij horende vervoerskosten behoren tot de normale onderwijsorganisatie, kunnen ze bijgevolg door de gemeenten ten laste worden genomen, zonder dat zij hierdoor artikel 33 van de wet van 29 mei 1959, zowel in de versie vóór het decreet van 7 juni 2001 als in de door dat decreet gewijzigde versie, of het in het middel bedoelde decreet van 7 juni 2001 schenden.

Het bestreden arrest herinnert eraan dat het hof van beroep in zijn arrest van 12 februari 2010 beslist heeft dat het hof de periode vanaf 1 september 2001 (dat wil zeggen de periode na het decreet) niet mag beoordelen en dat de vorderingen van de [verweersters] "betreffende de tegemoetkomingen van de gemeente, die het hof [van beroep] als sociale voordelen die niet in het decreet zijn bepaald zou aanmerken, niet gegrond zijn in zoverre de toekenning door de gemeente de wettekst zou hebben geschonden".

Het bestreden arrest somt, op grond van de stukken waarop het hof van beroep acht kan slaan, de sociale voordelen op of de voordelen die het hof als door de eiseres toegekende sociale voordelen omschrijft, met name:

- de schoolopvang, het studietoezicht, het toezicht tijdens de middagmalen voor de opgegeven periodes en tot beloop van de vermelde uren ;

- de "betalingen voor openluchtklassen (Zinnik jaren 2002, 2003, 2004, 2005), sneeuwklassen (jaren 2003, 2004, 2005), verschillende schoolreizen (Casteau, Neufvilles, ... jaren 2003, 2004, 2005), bosklassen en zeeklassen (Casteau, Naast, Thieusies : jaren 2003, 2004, 2005) en voor schoolvervoer (jaar 2004 )".

De door het hof van beroep opgesomde sociale voordelen vallen uiteen in twee categorieën:

- de sociale voordelen die voorkomen op de limitatieve lijst van het decreet van 2001 en die niet aan de verweersters zijn toegekend ;

- de voordelen die het hof van beroep omschrijft als sociale voordelen die door de eiseres worden toegekend aan de scholen van haar net maar die niet zijn toegekend aan de verweersters, terwijl ze niet voorkomen op de limitatieve lijst van die sociale voordelen die volgens het decreet van 7 juni 2001 mogen worden toegekend.

Die tweede categorie van vermeende sociale voordelen bestaat volgens het arrest onder meer uit de opvang, het studietoezicht en het middagtoezicht dat de in het decreet opgegeven duur overschrijdt alsook de "extra muros activiteiten" (openluchtklassen, bosklassen, sneeuwklassen en zeeklassen) en de daarbij horende vervoerskosten.

Het arrest, dat de verweermiddelen van de eiseres verwerpt waarin zij aanvoerde dat de "extra muros activiteiten" en de daarbij horende kosten niet als "sociale voordelen" konden worden aangemerkt omdat de organisatie van die klassen behoren tot de normale onderwijsorganisatie, beslist dat "de [eiseres] verboden moet worden in die voordelen financieel tegemoet te komen, op straffe van een dwangsom die redelijkerwijs moet worden vastgesteld op een bedrag van 1.000 euro per maand".

Het arrest beslist immers dat die "extra muros activiteiten", hoewel ze georganiseerd worden tijdens het schooljaar en bijdragen tot de ontdekking van een culturele, geografische en historische omgeving die verondersteld wordt bij de deelnemende kinderen nauwelijks bekend te zijn, niettemin sociale voordelen zijn, ook al zijn ze niet opgenomen in de lijst van het decreet, omdat "de gezinnen in de eerste plaats rekening houden met het economische en financiële aspect van het verblijf en hun keuze op grond daarvan wordt bepaald" en dat de organisatie van die klassen alleen al daarom niet behoort tot de normale onderwijsorganisatie.

Het enige socio-economische criterium waarnaar het arrest verwijst, is wat dat betreft echter volkomen irrelevant.

Om te bepalen of een voordeel wel een sociaal voordeel is, moet immers alleen maar worden bepaald of dat voordeel een specifieke pedagogische keuzemogelijkheid vormt die de ouders van de leerlingen, indien deze hen aanspreekt, zal overtuigen om voor dat onderwijstype te kiezen. Die keuze wordt echter niet beïnvloed door socio-economische overwegingen.

Het arrest heeft bijgevolg niet wettig kunnen beslissen dat de door de eiseres georganiseerde "extra muros activiteiten" een sociaal voordeel zijn omdat "de gezinnen in de eerste plaats rekening houden met het economische en financiële aspect van het verblijf en hun keuze op grond daarvan wordt bepaald",

- noch in de zin van artikel 33 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, zowel in de versie vóór de wijziging ervan bij het decreet van 7 juni 2001 als in de versie die sindsdien van toepassing is, dat alleen voor de toekenning van sociale voordelen, d.w.z. van voordelen die geen deel uitmaken van de normale onderwijsorganisatie, een gelijke behandeling oplegt;

- noch in de zin van artikel 2 van het decreet van 7 juni 2001 van de Franse Gemeenschap betreffende de sociale voordelen, dat de "extra muros activiteiten" niet in zijn limitatieve lijst heeft opgenomen.

Het arrest, dat beslist dat "de [eiseres] verboden moet worden in die voordelen financieel tegemoet te komen, op straffe van een dwangsom die redelijkerwijs moet worden vastgesteld op een bedrag van 1.000 euro per maand", omdat het zou gaan om sociale voordelen die niet voorkomen op de limitatieve lijst van het decreet van 7 juni 2001, schendt alle in het middel aangewezen bepalingen, en in het bijzonder artikel 33 van de in het middel bedoelde wet van 29 mei 1959, alsook de artikelen 2, 3 en 8 van het decreet van 7 juni 2001 van de Franse Gemeenschap.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het cassatieberoep dat is ingeschreven onder het nummer C.11.0782.F is gericht tegen de arresten van 12 februari 2010 en 10 januari 2011 van het hof van beroep te Bergen en het cassatieberoep dat is ingeschreven onder het nummer C.12.0087.F is gericht tegen het arrest van 10 januari 2011. Er bestaat grond tot voeging.

Het cassatieberoep dat op de algemene rol is ingeschreven onder het nummer C.11.0782.F:

Het door de verweerster tegen het cassatieberoep opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid: het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 10 januari 2011:

Het middel oefent geen kritiek uit op het arrest van 10 januari 2011.

Het middel van niet-ontvankelijkheid is gegrond.

De overige punten van het cassatieberoep

Het middel

Krachtens artikel 33, eerste lid, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, zoals het van toepassing is tot 31 augustus 2001, wordt, onverminderd de afwijkende bepalingen voorzien in die wet, de financiële tegemoetkoming van de gemeenten ten bate van het vrij onder-wijs beperkt tot het gezondheidstoezicht en de aan de leerlingen verleende sociale voordelen, en mogen de gemeenten geen enkel onderscheid tussen de kinderen maken, welke scholen die ook bezoeken.

Die bepaling, zoals ze is gewijzigd bij het decreet van 7 juni 2001 van de Franse Gemeenschap betreffende de sociale voordelen en zoals ze van toepassing is vanaf 1 september 2001, bepaalt dat de daarin bedoelde sociale voordelen die zijn welke voorzien zijn in dat decreet.

Luidens artikel 3, eerste lid, van het decreet van 7 juni 2001 van de Franse Ge-meenschap verlenen de gemeenten die sociale voordelen toekennen aan leerlingen die onderwijs volgen in de scholen die zij inrichten, in gelijkaardige omstandighe-den dezelfde voordelen aan leerlingen die onderwijs volgen in scholen van dezelf-de categorie die ook gelegen zijn in dezelfde gemeente en tot het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerd vrij onderwijs behoren, voor zover de inrichtende macht van deze scholen de gemeente hierom schriftelijk verzoekt.

Volgens artikel 4, eerste lid, bezorgen de gemeenten die sociale voordelen toe-kennen aan leerlingen die onderwijs volgen in scholen die zij inrichten, de lijst van deze voordelen aan de betrokken inrichtende machten van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerd vrij onderwijs van dezelfde categorie binnen de maand volgend op de beslissing inzake de toekenning van de voordelen.

Uit die bepalingen volgt dat de beslissing van een gemeente om een sociaal voor-deel toe te kennen aan leerlingen die onderwijs volgen in een school die zij inricht, de inrichtende macht van een school van dezelfde categorie die in dezelfde gemeente gelegen is en die tot het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde vrij onderwijs behoort, het recht geeft om van die gemeente hetzelfde voordeel te verkrijgen voor de leerlingen die in die school onderwijs volgen.

Het bestreden arrest van 12 februari 2010 stelt vast dat "de eiseressen, bij dag-vaarding van 3 augustus 2006 [...] de eerste rechter hebben gevraagd te willen vaststellen dat [de verweerster] aan de leerlingen van het gemeentelijk onderwijs dat zij inricht een reeks sociale voordelen toekent en dat [zij] hen die sociale voordelen niet toekent voor de leerlingen die onderwijs volgen in de scholen die zij inrichten, dat hij [de verweerster] veroordeelt om hen de betrokken sociale voordelen te verlenen voor de leerlingen die onderwijs volgen in de scholen die zij inrichten, onder dezelfde voorwaarden als die waaronder zij worden toegekend aan de kinderen die onderwijs volgen in de gemeentescholen, en om hen een pro-visioneel bedrag van 100.000 euro te betalen om de kosten uit het verleden te dekken, waarbij de definitieve vergoeding bij de verdere behandeling van de zaak zal worden bepaald".

Het arrest beslist dat "artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek, dat een verjaring van vijf jaar voorschrijft, [...] van toepassing is", op grond dat "[de eiseressen] hun hoedanigheid van schuldeiser niet verantwoorden, in zoverre ze erkennen dat ze de diensten waarvan ze de terugbetaling vorderen niet zelf, hetzij rechtstreeks hetzij door een lening, gefinancierd hebben, dat zij evenmin aanvoeren dat zij een verbintenis zouden zijn aangegaan ten aanzien van de ouders die, volgens hen, het verzuim [van de verweerster] hebben moeten verhelpen" en dat "zij daarentegen de vergoeding van hun schade kunnen vorderen indien bewezen is dat de gemeente een fout zou hebben begaan, die hierin zou bestaan dat zij enkel aan de kinderen van haar eigen onderwijsnet sociale voordelen zou hebben toegekend", schendt de in het middel bedoelde bepalingen.

Het middel is gegrond.

Omvang van de cassatie

De vernietiging van het bestreden arrest van 12 februari 2010, in zoverre het uit-spraak doet over de verjaring, leidt tot de nietigverklaring van het arrest van 10 januari 2011, in zoverre het de stad Zinnik veroordeelt om aan de eiseressen scha-devergoeding te betalen, aangezien dat arrest het gevolg van het eerstgenoemde arrest is.

Het cassatieberoep dat op de algemene rol is ingeschreven onder het nummer C.12.0087.F :

Sociale voordelen, in de zin van artikel 33 van de wet van 29 mei 1959, zoals het van toepassing was vóór 1 september 2001, d.i. de datum van inwerkingtreding van het decreet van 7 juni 2001 van de Franse Gemeenschap, zijn voordelen van sociale aard die aan de kinderen worden toegekend en die niet binnen de normale onderwijsorganisatie vallen.

Het decreet van 7 juni 2001 stelt de limitatieve lijst vast van de voordelen die so-ciale voordelen vormen in de zin van het voormelde artikel 33.

Onder vigeur van de wet van 29 mei 1959 werden de organisatie van de "extra muros activiteiten" en van schoolreizen alsook het daarbij horende vervoer be-schouwd als een onderdeel van de normale onderwijsorganisatie, waardoor die ac-tiviteiten onmogelijk als sociaal voordeel konden worden omschreven.

Het decreet van 7 juni 2001 vermeldt die activiteiten evenmin in de lijst van acti-viteiten die sociale voordelen uitmaken.

Het bestreden arrest beslist dat "de volgende activiteiten sociale voordelen zijn, in zoverre zij niet binnen de normale onderwijsorganisatie vallen: [...] de tegemoet-koming in de extra muros activiteiten en hun vervoer", op grond dat "het klopt dat de extra muros activiteiten tijdens het schooljaar worden georganiseerd en dat zij bijdragen tot de ontdekking van een culturele, geografische en historische omge-ving die verondersteld wordt bij de meeste deelnemende kinderen nauwelijks be-kend te zijn; dat de gezinnen toch in de eerste plaats rekening houden met het economische en financiële aspect van het verblijf en wordt hun keuze op grond daarvan bepaald".

Het arrest, dat zijn beslissing om de eiseres te verbieden in de voordelen financieel tegemoet te komen grondt op het economische en financiële aspect van die voordelen, vervangt aldus het begrip normale onderwijsorganisatie door een crite-rium dat hiermee geen verband houdt en schendt, bijgevolg, zowel artikel 33 van de wet van 29 mei 1959 als de artikelen 2, 3 en 8 van het decreet van 7 juni 2001.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Voegt de cassatieberoepen die op de algemene rol zijn ingeschreven onder de nummers C.11.0782.F en C.12.0087.F.

Uitspraak doend over het cassatieberoep dat op de algemene rol is ingeschreven onder het nummer C.11.0782.F:

Vernietigt het bestreden arrest van 12 februari 2010, in zoverre het uitspraak doet over de verjaring.

Verklaart het arrest van 10 januari 2011 nietig, in zoverre het de verweerster ver-oordeelt om aan de eiseressen schadevergoeding te betalen.

Uitspraak doend over het cassatieberoep dat op de algemene rol is ingeschreven onder het nummer C.12.0087.F:

Vernietigt het bestreden arrest van 10 januari 2011, in zoverre het de eiseres ver-biedt om financieel tegemoet te komen in voordelen die niet zijn opgenomen in de lijst van artikel 2 van het decreet van 7 juni 2001 en in zoverre het uitspraak doet over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de gedeeltelijk vernietigde en nietig verklaarde arresten.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Alain Simon, Michel Lemal en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 27 mei 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Scholen ingericht door een gemeente

  • Toekenning van een sociaal voordeel

  • Scholen die behoren tot het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde vrij onderwijs