- Arrest van 27 juni 2013

27/06/2013 - C.12.0340.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Inzake aansprakelijkheid buiten overeenkomst kan de benadeling van een belang slechts aanleiding geven tot een herstelvordering, mits het gaat om een gewettigd belang; het gewettigde karakter van een belang wordt beoordeeld op het tijdstip waarop het schadeverwekkende feit is ontstaan (1). (1) Cass. 6 juni 2008, AR C.06.0640.F, AC 2008, nr. 351.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0340.F

1. R. B. en

2. L. B.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. J.-F. S.,

2. AG INSURANCE nv,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 25 oktober 2011.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 544, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek ;

- de artikelen 155 en 157 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie (WROSPE) van 14 mei 1984.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het hoger beroep van de eisers ongegrond, om reden grond dat hun oorspronkelijke vordering niet ontvankelijk is, om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd, en inzonderheid om de volgende redenen:

"Krachtens artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechtsvordering niet worden toegelaten indien de eiser geen belang heeft om ze in te dienen.

Inzake aansprakelijkheid buiten overeenkomst kan de benadeling van een belang slechts aanleiding geven tot een herstelvordering, mits het gaat om een wettig belang.

Het wettig karakter van een belang wordt beoordeeld op het tijdstip waarop het schadeverwekkende feit is ontstaan.

Wie ernaar streeft een met de openbare orde strijdige toestand of ongeoorloofd voordeel in stand te houden, heeft geen wettig belang.

Om oordeelkundige redenen, die het hof [van beroep] overneemt, heeft de eerste rechter beslist dat de [eisers] zich in een onwettige toestand bevonden.

In dat opzicht hoeft slechts op de volgende punten te worden gewezen:

- de waterpartij is een zwemvijver, wat [de eisers] niet betwisten;

- de deskundige heeft, tijdens het onderzoek ter plaatse, de oppervlakte van die waterpartij becijferd op ‘min of meer' 44 m², terwijl de stedenbouwkundige voor-schriften van het ontwerp van verkaveling, waarvan het pand van de [eisers] deel uitmaakt, de aanleg van een openluchtzwembad van maximum 35 m² toestaan, op voorwaarde dat het bodemreliëf niet wordt gewijzigd; hoewel de deskundige de uitdrukking ‘min of meer' heeft aangewend, staat het vast dat de zwemvijver van de [eisers] groter is dan 35 m²; indien de deskundige zich had vergist, kon zijn vergissing makkelijk zijn aangetoond door een preciezere opmeting neer te leggen;

- de deskundige heeft de oppervlakte van de bezinkvijver becijferd op 20,80 m²; indien de bezinkvijver als een onderdeel van de zwemvijver wordt beschouwd, verhoogt dat zijn oppervlakte nogmaals met 20,80 m²; indien de bezinkvijver als een waterpartij wordt beschouwd, miskent deze net zo goed de stedenbouwkundige voorschriften van het ontwerp van verkaveling, dat bepaalt dat elke kavel een gebied voor koeren en tuinen bevat en dat de aanleg van terrassen, plantenbakken en water- of verfraaiingspartijen is toegestaan voor een totaaloppervlakte van maximum 25 m², op voorwaarde dat het bodemreliëf niet wordt gewijzigd; de oppervlakte van de bezinkvijver moet dus worden opgeteld bij die van het terras, waardoor de maximum toegestane oppervlakte overschreden wordt;

- de aldus aangelegde zwem- en bezinkvijvers zijn dus in strijd met de verkavelingsvergunning ; daarenboven moet erop gewezen worden dat de deskundige, tijdens het onderzoek ter plaatse, heeft vastgesteld dat het bodemreliëf ter hoogte van de zwemvijver en het terras was gewijzigd; artikel 7 van de stedenbouwkundige voorschriften van het ontwerp van verkaveling bepaalt bovendien dat steunmuren buiten de bouwzone verboden zijn en dat het terrein moet worden ingericht door de aanleg van natuurlijk uitziende, met gras of planten bedekte plateaus of taluds; gezien de wijziging van het bodemreliëf, moesten er voor de aanleg van de zwemvijver en de bezinkvijver echter dikke steunmuren worden opgetrokken; het staat niet vast en het is evenmin bewezen dat ‘de administratie, gelet op de landschappelijke en ecologische waarde van de situatie, zich tegenover de [eisers] inschikkelijk heeft getoond';

- de [eiser] heeft tijdens het onderzoek ter plaatse bevestigd dat het terras en de zwemvijver niet waren opgenomen in de voor de bouw van het huis afgegeven verkavelingsvergunning en dat er ook na de aanleg geen aanvraag was ingediend; aangezien de werkzaamheden onder de toepassing vielen van artikel 84 WWROSP, wat een wetgeving van openbare orde is, moesten de [eisers] vóór de aanvang ervan over een stedenbouwkundige vergunning beschikken - het feit dat de stedenbouwkundige voorschriften van het ontwerp van verkaveling de aanleg van een zwembad en van een terras toestonden, mits de opgelegde maximumop-pervlakten niet overschreden werden, volstaat uiteraard niet;

- bijgevolg moet uit het voorgaande worden besloten dat de zwem- en bezinkvijvers waarvoor de [eisers] een vordering tot vergoeding hebben ingesteld, vanuit stedenbouwkundig oogpunt onregelmatig zijn.

Ook het schuldige gedrag van de [verweerder], die verweten wordt het openbaar domein te hebben ingenomen, een sloot te hebben verstopt, modderstromen te hebben veroorzaakt, allemaal puur uit eigenbelang en met de bedoeling, volgens de [eisers], om zelf zijn perceel te wijzigen, doet hier niet ter zake.

De vordering blijft nog steeds onontvankelijk wanneer rekening wordt gehouden met de grondslag van de burenhinder waarop de [eisers] niet ingaan, waarbij de geëiste schadevergoeding, zoals ze hierboven is gepreciseerd, in dat geval wordt gevorderd ter compensatie van de overmatige burenhinder die de normale lasten van het nabuurschap te boven gaat".

Grieven

Eerste onderdeel

Luidens artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechtsvordering niet worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen; in de zin van die bepaling heeft degene die beweert houder van een sub-jectief recht te zijn, het voor de ontvankelijkheid van zijn vordering vereiste belang, zelfs als dat recht betwist wordt.

De artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek verplichten degene die een schuldige daad heeft gesteld om de door die daad veroorzaakte schade te vergoeden, op voorwaarde dat die schade vaststaat en niet in de derving van een ongeoorloofd voordeel bestaat.

Het feit dat degene die een aansprakelijkheidsvordering instelt zich in een onge-oorloofde situatie bevindt, betekent op zich niet noodzakelijk dat hij zich niet mag beroepen op de benadeling van zijn belang of op de derving van een geoorloofd voordeel.

Insgelijks moet, krachtens artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek, degene die, al dan niet door zijn schuld, overmatige burenhinder veroorzaakt, die hinder beperken. Ook de omstandigheid dat het beschadigde goed zich in een onregelmatige toestand bevindt, betekent niet noodzakelijkerwijs dat de eiser zich niet kan beroepen op de miskenning van een recht en de benadeling van het belang om de hinder te doen stopzetten.

Luidens artikel 155 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie kan de gemachtigde ambtenaar of het college van burgemeester en schepenen voor de correctionele rechtbank vorderen dat de plaats in de vorige staat wordt hersteld indien de verrichte werkzaamheden de stedenbouwkundige bepalingen schenden. De rechten van de derde benadeelde - die kan aantonen dat die schending hem schade heeft berokkend - zijn in geval van rechtstreeks herstel beperkt tot de door de bevoegde overheid gekozen wijze van herstel, onverminderd het recht van die derde om vergoeding van schade te eisen van de veroordeelde.

Krachtens artikel 157 van datzelfde wetboek kan de gemachtigde ambtenaar of het college van burgemeester en schepenen voor de burgerlijke rechtbank vorderen dat de plaats in de vorige staat wordt hersteld indien de verrichte werkzaamheden de stedenbouwkundige bepalingen schenden. De rechten van de derde benadeelde, die samen met de openbare overheid of afzonderlijk optreedt, zijn in geval van rechtstreeks herstel beperkt tot de door de bevoegde overheid gekozen wijze van herstel, onverminderd het recht om vergoeding van schade te eisen van de veroor-deelde.

Wanneer, bijgevolg, noch de gemachtigde ambtenaar noch het college van bur-gemeester en schepenen noch een derde die aantoont te zijn benadeeld door een met de stedenbouwkundige voorschriften strijdige toestand de afbraak van het goed heeft gevorderd en dat heeft verkregen, heeft de eigenaar van het goed er een wettig belang bij dat het voormelde goed niet worden vernield of beschadigd door de al dan niet schuldige daad van een buur.

De eisers hebben in hun syntheseconclusie in hoger beroep aangevoerd dat "het ontwerp van verkaveling, in beginsel, uitdrukkelijk de aanleg van terrassen, waterpartijen, sierstukken en openluchtzwembaden toestond ; [dat], hoewel [de aangelegde zwem- en bezinkvijvers] de opgegeven oppervlakten met een paar vierkante meter overschrijden, daaruit moet worden afgeleid dat de administratie dat heeft gedoogd". Zij betwistten dat de eiser "zich kon beroepen op een administratieve betwisting van ondergeschikt belang". Zij betoogden dat "de bevoegde diensten nooit enige opmerking van stedenbouwkundige aard hebben gemaakt: het spreekt voor zich dat noch de gemeente Aywaille, noch de stedenbouwkundige administratie, noch de verbaliserende overheid, noch het parket op enig ogenblik tegen de aanleg van die vijvers bezwaar hebben gemaakt ; [...] dat de bevoegde overheden kennelijk hebben geoordeeld dat, op administratief vlak, alles volstrekt in orde was; [dat] zij nooit zijn vervolgd [en dat] hun administratieve rechtsmiddelen en waarborgen hen niet kunnen worden ontzegd; [...] [dat] de toestand in elk geval geregulariseerd kan worden" en dat "een administratieve onregelmatigheid, als ze is bewezen, het geoorloofd karakter van de oorzaak en van het voorwerp van een burgerlijke verplichting niet in het gedrang brengt".

Het arrest, dat vaststelt dat de "vordering ertoe strekt een vergoeding te verkrijgen voor de ‘schoonmaak en sanering' van de plaats", verwerpt vervolgens dat middel en beslist dat de eisers geen wettig belang erbij hebben om in rechte op te treden, aangezien "de zwem- en bezinkvijvers [...] vanuit stedenbouwkundig oogpunt onregelmatig zijn; ze waren onregelmatig op het ogenblik dat ze werden aangelegd en op het ogenblik dat de schadegevallen zich hebben voorgedaan; er wordt niet betoogd dat ze sindsdien zijn geregulariseerd (het is overigens niet bewezen dat ze geregulariseerd kùnnen worden)" ; dat "de vordering [...] alleen ertoe strekt een met de openbare orde strijdige toestand, met name een ongeoorloofd voordeel, te herstellen en in stand te houden", "ook al is [het goed van de eisers] inderdaad niet buiten de handel" en dat het niet uitmaakt "dat de bevoegde overheden geen opmerkingen of kritiek hebben geuit" of "dat die overheden geen enkele procedure hebben ingeleid [...] en er in dat verband geen enkele rechterlijke beslissing is gewezen", is niet naar recht verantwoord (schending van alle in het middel weer-gegeven redenen).

Tweede onderdeel

De eisers hebben in hun conclusie de vergoeding van de kosten voor de schoonmaak en de sanering van het zwembad en de bezinkvijver gevorderd, maar hebben ook de vergoeding gevorderd van de werkzaamheden die nodig zijn gebleken om "de grond opnieuw tegen de taluds op te hopen, de scheidingsmuren schoon te maken, de steenlaag te verwijderen" en een nieuwe steenlaag aan te brengen, alsook de vergoeding van de genotsstoornis die voortvloeit uit de stappen die zij hebben moeten ondernemen bij de verweerder, de buren, de getuigen, de politie, de gemeente Aywaille, de verzekeringsondernemingen en de verschillende raadslieden.

Het arrest, dat enkel erop wijst dat de zwem- en bezinkvijvers vanuit stedenbouwkundig oogpunt onregelmatig zijn, verantwoordt zijn beslissing waarbij het de vordering in haar geheel onontvankelijk verklaart, en met name in zoverre die vordering betrekking had op de vergoeding van de schade die geen verband hield met die aan de zwemvijver en de bezinkvijver, niet naar recht (schending van alle in het middel bedoelde bepalingen).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

De twee onderdelen samen

Krachtens artikel 17 Gerechtelijk Wetboek kan de rechtsvordering niet worden toegelaten indien de eiser geen belang heeft om ze in te dienen.

Inzake aansprakelijkheid buiten overeenkomst kan de benadeling van een belang slechts aanleiding geven tot een herstelvordering, mits het gaat om een wettig be-lang.

Het wettige karakter van een belang wordt beoordeeld op het tijdstip waarop het schadeverwekkende feit is ontstaan.

Het arrest stelt vast dat de eisers "aanvoeren dat [de verweerder] in 2005 twee keer de gracht voor zijn eigendom zodanig heeft verstopt [...] dat het regenwater werd afgeleid [...] naar hun eigendom en meer bepaald naar hun zwemvijver", en dat zij "verklaren dat hun vordering ertoe strekt een vergoeding te verkrijgen voor de ‘schoonmaak en de sanering' van de plaats".

Het arrest wijst erop dat "de zwem- en bezinkvijvers waarop de vordering tot ver-goeding van [de eisers] betrekking heeft, vanuit stedenbouwkundig oogpunt [on]regelmatig [waren] [...] op het ogenblik dat ze werden aangelegd en op het ogenblik dat de schadegevallen zich hebben voorgedaan", dat "niet betoogd wordt dat de toestand sindsdien zou zijn geregulariseerd" en dat "het niet ter zake doet dat noch een buur noch de [verweerder] klacht hebben ingediend of dat de be-voegde overheden geen kritiek of opmerkingen hebben geuit".

Het arrest beslist dat "de kosten die [de eisers] reeds hebben gemaakt om [met name] de grond opnieuw tegen de taluds op te hopen, de scheidingsmuren schoon te maken, de steenlaag te verwijderen [...] gediend hebben om de met de openba-re orde strijdige en ongeoorloofde toestand te herstellen" en dat "[de gevorderde vergoeding] alleen strekt tot het in stand houden van een toestand die indruist tegen de openbare orde en met name van een ongeoorloofd voordeel".

Het arrest verantwoordt bijgevolg naar recht zijn beslissing dat "de vordering van de [eisers] niet ontvankelijk is bij gebrek aan een wettig belang".

Geen van de onderdelen kan worden aangenomen.

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Michel Lemal, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 27 juni 2013 uitge-sproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Aansprakelijkheid buiten overeenkomst

  • Belang