- Arrest van 16 juli 2013

16/07/2013 - P.13.1144.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Ook al maakt de voorlopige maatregel tot plaatsing in een gesloten afdeling van een gemeenschapsinstelling een vrijheidsberoving vóór het vonnis uit, houdt zij geen inverdenkingstelling in en is zij geen vrijheidsbeneming of aanhouding in de zin van de Voorlopige Hechteniswet; het middel dat ervan uitgaat dat de beoordeling van de redelijke termijn bij een vrijheidsberoving van een minderjarige door een voorlopige maatregel van plaatsing op dezelfde wijze dient te worden beoordeeld als bij een vrijheidsberoving van een meerderjarige door de voorlopige hechtenis, faalt het naar recht.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1144.N

X.,

minderjarige,

eiser,

met als raadsman mr. Siegfried De Mulder, advocaat bij de balie te Brussel,

in aanwezigheid van

1. B.,

vader van de minderjarige,

verweerder,

2. F.,

moeder van de minderjarige,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, Jeugdkamer, van 5 juni 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM, alsmede mis-kenning van het recht van verdediging, het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn en het vermoeden van onschuld: het arrest evalueert niet de ter beoordeling van het overschreden zijn van de redelijke termijn in acht te nemen criteria, met name de complexiteit van de zaak, het gedrag van de gerechtelijke overheden en het gedrag van de verdachte; het verwijst naar het belang van het hulpverleningsproces voor de minderjarige en voor de maatschappij, hetgeen zijn vruchten afwerpt en moet worden verdergezet; nochtans mag het jeugdbescher-mingsrecht geen excuus zijn voor de redelijke termijn; evenmin kan het gemiddeld risico op herval in aanmerking worden genomen ter beoordeling van de redelijke termijn en is de verwijzing ernaar strijdig met artikel 6.2 EVRM; ook de door het arrest gedane vaststelling dat de jeugdrechter geen enkele bevoegdheid heeft ten aanzien van de feiten doet geen afbreuk aan de problematiek van de redelijke termijn; de eiser werd sinds zijn inverdenkingstelling reeds zwaar gestraft, zonder de kans te hebben gekregen zich te verweren aangaande de redenen van zijn voorlopige detentie of te bewijzen dat hij probleemloos in zijn normale leef-omgeving zou kunnen ontwikkelen, in afwachting van zijn proces; de termijn van voorlopige detentie lijkt dermate lang te worden dat een eventuele normale straf-maat op de feiten waarvan de eiser wordt verdacht, zelfs dreigt te worden over-schreden.

2. Artikel 6.1 EVRM is niet van toepassing voor het jeugdgerecht dat uitspraak doet over een voorlopige bewaringsmaatregel als bedoeld in de artikelen 52, eerste lid, en 52quater Jeugdbeschermingswet. Bij die gelegenheid doet het jeugdgerecht immers geen uitspraak over de vaststelling van burgerlijke rechten of ver-plichtingen noch over de gegrondheid van een strafvordering.

In zoverre het middel schending van die verdragsbepaling aanvoert, faalt het naar recht.

3. Artikel 52, eerste lid, Jeugdbeschermingswet bepaalt dat de jeugdrechtbank gedurende de rechtspleging strekkende tot toepassing van maatregelen ter be-scherming van minderjarigen voorlopig ten aanzien van de betrokken minderjarige de nodige maatregelen van bewaring neemt.

Artikel 54quater Jeugdbeschermingswet bepaalt dat voor wat betreft de personen bedoeld in artikel 36, 4°, van die wet, de rechter of de jeugdrechtbank, naargelang van het geval, in de gevallen bedoeld in de artikelen 52, 52bis en 52ter, een maat-regel van bewaring kan nemen voor ten hoogste drie maanden, in een gesloten opvoedingsafdeling, wanneer de betrokkene blijk geeft van een gedrag dat voor hemzelf of voor anderen gevaarlijk is en er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat de betrokkene, indien hij opnieuw in vrijheid wordt gesteld, nieuwe misdaden of wanbedrijven pleegt, zich aan het gerecht onttrekt, bewijsmateriaal probeert te doen verdwijnen of tot een heimelijke verstandhouding komt met derden.

4. Dergelijke voorlopige bewaringsmaatregel wordt genomen in het belang van de minderjarige. Zij bieden de jeugdrechter ook de mogelijkheid een grondige kennis te verwerven van de persoonlijkheid en maturiteitsgraad van de minderja-rige, diens leefomgeving en ontwikkeling te volgen en voor zijn bescherming en opvoeding de meest geschikte maatregelen te nemen of te wijzigen.

5. De voorlopige maatregelen worden genomen op een ogenblik waarop het als misdrijf omschreven feit nog niet bewezen is. De jeugdrechter mag zich op dat ogenblik niet uitspreken over de constitutieve bestanddelen van het misdrijf, noch over de schuld van de minderjarige. Hij dient bijgevolg niet vast te stellen dat er door de minderjarige tussen twaalf en veertien jaar een ernstige aanslag zou zijn gepleegd op een persoon, zoals voor een maatregel van bewaring, behoeding en opvoeding wordt vereist wanneer de jeugdrechter ten gronde uitspraak doet, of dat er ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van de minderjarige bestaan.

6. Ook al maakt dergelijke voorlopige maatregel tot plaatsing in een gesloten afdeling van een gemeenschapsinstelling een vrijheidsberoving vóór het vonnis uit, houdt zij geen inverdenkingstelling in en is zij geen vrijheidsbeneming of aanhouding in de zin van de Voorlopige Hechteniswet.

In zoverre het middel ervan uitgaat dat de beoordeling van de redelijke termijn bij een vrijheidsberoving van een minderjarige door een voorlopige maatregel van plaatsing op dezelfde wijze dient te worden beoordeeld als bij een vrijheidsbero-ving van een meerderjarige door de voorlopige hechtenis, faalt het naar recht.

7. De rechter oordeelt onaantastbaar of de redelijke termijn voor de berechting van de zaak overeenkomstig artikel 5.3 EVRM al dan niet is overschreden. Wan-neer hij uitspraak doet over de handhaving of de verlenging van een voorlopige bewaringsmaatregel als bedoeld in de artikelen 52, eerste lid, en 52quater Jeugd-beschermingswet, kan hij daartoe alle nuttige gegevens in aanmerking nemen, waaronder niet alleen de complexiteit van de zaak of het gedrag van de gerechte-lijke overheid en van de minderjarige, maar ook de noodzaak van het behoud van die maatregel gelet op de persoonlijkheid, de gezinssituatie en de opvoedkundige situatie van de minderjarige, op de noodzakelijke observatie van zijn evolutie en op de onderzoekshandelingen die vereist zijn om te bepalen welke de meest ge-schikte maatregel is voor zijn bescherming en opvoeding.

8. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de feiten en omstandigheden die hij vaststelt, wettig heeft kunnen afleiden dat die redelijke termijn al dan niet is over-schreden.

9. In zoverre het middel opkomt tegen dit oordeel van het arrest of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.

10. Op grond van de vaststellingen die het arrest (ro 2.2.2.2) bevat en die be-trekking hebben op eisers persoonlijkheid, zijn evolutie sinds de voorlopige bewa-ringsmaatregel werd genomen, zijn familiale toestand en zijn pedagogische en therapeutische noden, alsmede op de daartoe vereiste onderzoeken, oordeelt het (ro 2.2.2.3) onder meer dat de verlenging van de plaatsing duidelijk in het belang van de eiser is, daar er belangrijke stappen zijn gezet in het hulpverleningsproces en het niet in eisers belang zou zijn deze thans te onderbreken. Het oordeelt ook dat gelet op de bezorgdheden over zijn persoonlijkheid en het thuismilieu, een te-rugkeer naar huis zonder intensieve residentiële begeleiding het risico op herval aanzienlijk zou vergroten.

Met deze redenen en met de overige redenen die het bevat, miskent het arrest geenszins eisers recht van verdediging noch het vermoeden van onschuld, maar is de beslissing dat de redelijke termijn niet werd overschreden regelmatig met rede-nen omkleed en naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

11. Het middel voert schending aan van artikel 52quater Jeugdbeschermings-wet: uit het arrest kan niet worden opgemaakt hoe en wanneer de eiser in kennis werd gesteld van de beroepen beschikking, zodat ook niet kan worden bewezen of de maximale termijn van één maand werd gerespecteerd; het arrest heeft nagelaten vast te stellen dat deze termijn werd overschreden, zodat de verlengde plaatsing onwettig is.

12. Artikel 52quater, vierde lid, Jeugdbeschermingswet bepaalt dat de in het eerste lid bedoelde maatregel van bewaring elke maand kan worden verlengd bij gemotiveerde beslissing van, naar gelang van het geval, de rechter of de jeugd-rechtbank. Het vijfde lid van dat artikel bepaalt dat de minderjarige hoger beroep tegen die beslissing kan instellen binnen een termijn van achtenveertig uren vanaf het vervullen van de vormvereisten bedoeld in artikel 52ter, vierde lid, van de-zelfde wet.

Artikel 52ter, vierde lid, Jeugdbeschermingswet bepaalt dat in de gevallen waar de overhandiging van de beslissing niet heeft kunnen plaatshebben, de beschik-king per gerechtsbrief aan de betrokkene wordt ter kennis gebracht en dat de ter-mijn voor hoger beroep loopt vanaf de overhandiging van het afschrift of vanaf de dag dat de betrokkene per gerechtsbrief kennis gekregen heeft van de kennisge-ving.

13. Uit deze bepalingen volgt dat de kennisgeving van de beslissing waarbij de voorlopige bewaringsmaatregel wordt verlengd, vereist is om de termijn van het hoger beroep te doen vertrekken. Daarentegen volgt noch uit deze bepalingen noch uit enige andere wetsbepaling dat de beslissing die de verlenging van de voorlopige bewaringsmaatregel beveelt, slechts uitwerking heeft indien zij binnen de maand na de te verlengen beschikking aan de minderjarige ter kennis wordt gebracht.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Derde middel

14. Het middel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt over het onderzoek geen enkele bevoegdheid te hebben; indien de jeugdrechtbank ten aanzien van de feiten geen bevoegdheid heeft, heeft zij evenmin enige bevoegdheid om maatrege-len op te leggen op grond van de vordering van het openbaar ministerie en zijn er dus geen redenen voorhanden om een voorlopige maatregel te nemen; bij gebrek aan enige bevoegdheid ten aanzien van het onderzoek van de feiten kan de jeugd-rechter geen naar recht verantwoorde beslissing nemen over de redelijke termijn van de voorlopige detentie, waarin de eiser zich bevindt.

15. Het middel is geheel afgeleid uit de in het eerste middel vergeefs aange-voerde wetschendingen en bijgevolg niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 77,61 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, sa-mengesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Alain Simon, Alain Bloch, Peter Hoet en Marie-Claire Ernotte, en op de openbare rechtszitting van 16 juli 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols

M.-C. Ernotte P. Hoet

A. Bloch A. Simon P. Maffei

Vrije woorden

  • Redelijke termijn

  • Jeugdbescherming

  • Minderjarige tussen twaalf en veertien jaar

  • Als misdrijf omschreven feit

  • Voorlopige maatregel van plaatsing

  • Voorlopige hechtenis

  • Onderscheid