- Arrest van 16 juli 2013

16/07/2013 - P.13.1244.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 5, §§1 en 2, Wet Europees Aanhoudingsbevel betreft het vereiste van de dubbele strafbaarheid en heeft geen betrekking op de weigeringsgrond wanneer de strafvordering of de straf volgens de Belgische wet is verjaard.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1244.N

Z.,

persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, aangehouden,

eiser,

met als raadsman mr. Alain Boyaert, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 1 juli 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 5, § 1 en § 2, Wet Europees Aanhoudingsbevel: het arrest staat de tenuitvoerlegging van het Europees aan-houdingsbevel toe, terwijl het oordeelt dat de bij vonnis van 29 maart 2007 uitge-sproken straf van twee jaar naar Belgisch recht is verjaard, en bijgevolg de tenuit-voerlegging moet worden geweigerd.

2. Artikel 5, § 1 en § 2, Wet Europees Aanhoudingsbevel betreft het vereiste van de dubbele strafbaarheid en heeft geen betrekking op de weigeringsgrond wanneer de strafvordering of de straf volgens de Belgische wet is verjaard.

Het middel faalt naar recht.

Tweede middel

3. Het middel voert schending aan van artikel 1, § 2, Uitleveringswet 1874 en miskenning van de dubbele strafbaarheid en dubbele vervolgbaarheid: het arrest oordeelt dat de bij vonnis van 29 maart 2007 uitgesproken straf van twee jaar naar Belgisch recht is verjaard; overeenkomstig artikel 1, § 2, Uitleveringswet 1874 kunnen alleen feiten die naar de Belgische en de buitenlandse wet strafbaar zijn met een vrijheidsstraf waarvan de maximumduur groter is dan één jaar grond voor uitlevering zijn.

4. Overeenkomstig artikel 44 Wet Europees Aanhoudingsbevel is deze wet van toepassing op de aanhouding en overlevering van een gezochte persoon op grond van een Europees aanhoudingsbevel tussen België en de andere Lid-Staten van de Europese Unie vanaf 1 januari 2004. De verzoeken om overlevering van vroegere datum worden verder geregeld door de instrumenten die inzake uitlevering reeds bestaan.

Uit het arrest blijkt dat eisers uitlevering wordt gevraagd op grond van een Euro-pees Aanhoudingsbevel van 30 april 2013, zodat artikel 1, § 2, Uitleveringswet 1874 te dezen bijgevolg niet van toepassing is.

Het middel faalt naar recht.

Derde middel

5. Het middel voert schending aan van artikel 7 Europees Aanhoudingsbevel: het arrest oordeelt ten onrechte dat de beslissingen van de uitvaardigende Staat waarbij de eiser tot straf is veroordeeld en waarvoor het Europees aanhoudingsbe-vel is uitgevaardigd, niet bij verstek zijn gewezen. De eiser is in de rechtsplegingen die geleid hebben tot die veroordelingen niet verschenen, zodat ten onrechte geen toepassing gemaakt is van artikel 7 Wet Europees Aanhoudingsbevel.

6. Het middel, dat geheel ervan uitgaat dat de beslissingen waarvoor het Euro-pees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, bij verstek zijn gewezen, verplicht het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

Het middel is niet ontvankelijk.

Vierde middel

7. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van het recht op een eerlijk proces: het arrest oordeelt in antwoord op eisers verweer dat hij niet is verschenen in de rechtspleging die tot zijn veroordeling heeft geleid, dat de betrokken beslissingen niet te beschouwen zijn als een veroordeling bij verstek in de zin van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, zodat er geen reden is toepassing te maken van artikel 7 Wet Europees Aanhoudingsbevel; de eiser is evenwel niet verschenen in de rechtspleging die tot zijn veroordeling heeft geleid.

8. Het middel dat aanvoert dat de rechtspleging heeft plaatsgevonden in strijd met artikel 6 EVRM, preciseert niet hoe en waardoor het arrest de vermelde bepa-ling schendt.

Het middel is onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 71,01 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, sa-mengesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Alain Simon, Alain Bloch, Peter Hoet en Marie-Claire Ernotte, en op de openbare rechtszitting van 16 juli 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols

M.-C. Ernotte P. Hoet

A. Bloch A. Simon P. Maffei

Vrije woorden

  • Weigeringsgrond

  • Dubbele strafbaarheid

  • Verjaring straf

  • Verjaring strafvordering

  • Onderscheid