- Arrest van 3 september 2013

03/09/2013 - P.10.1836.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De door artikelen 44 Strafwetboek en 161 Wetboek van Strafvordering bedoelde teruggave houdt, naast het louter teruggeven van goederen die aan de eigenaar werden ontnomen en die in handen van het gerecht zijn gekomen, elke maatregel in die beoogt de materiële gevolgen van het bewezen verklaarde misdrijf teniet te doen, met als doel het herstel van de feitelijke toestand zoals die bestond vóór het plegen van het bewezen verklaarde misdrijf en dus de vrijwaring van het algemeen belang.

Arrest - Integrale tekst

P.10.1836.N

I

J G D M,

beklaagde,

eiser,

met als raadslieden mr. Joachim Meese, mr. Walter Van Steenbrugge en mr. Serge Van Eeghem, advocaten bij de balie te Gent.

II

L P,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Bart Coopman, advocaat bij de balie te Brussel.

III

W P M R,

beklaagde,

eiser.

IV en V

KBC BANK nv, met zetel te 1080 Brussel, Havenlaan 2,

eiseres in derdenverzet en belanghebbende derde,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. L P, reeds vermeld,

beklaagde,

2. J P T,

beklaagde,

3. Fernand DEVLIEGHER, met kantoor te 9000 Gent, Pacificatielaan 33, in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van GROEP TDR nv,

burgerlijke partij,

verweerders.

VI

OCCHIOLINO nv, met zetel te 1000 Brussel, Handelsstraat 23,

eiseres in derdenverzet en belanghebbende derde,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. L P, reeds vermeld,

beklaagde,

2. J P T, reeds vermeld,

beklaagde,

3. L J J F,

beklaagde,

4. Fernand DEVLIEGHER, in zijn hoedanigheid van curator over het faillis-sement van GROEP TDR nv, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 19 oktober 2010.

De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

De eiser III voert geen middel aan.

De eiseres IV-V voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

De eiseres VI voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het arrest verklaart:

- de telastleggingen C.I.1, C.II.1, D, E.I.11 en E.II.3 niet bewezen in hoofde van de eiser I en ontslaat hem daarvoor van elke rechtsvervolging zonder kosten;

- de telastleggingen C.II.3 (enkel voor de periode van 14 juni 2001 tot 20 okto-ber 2004), E.I.1 (enkel voor wat betreft de cheque ten bedrage van 572.341 BEF en het zwart ontvangen voorschot ten bedrage van 500.000 BEF), E.I.3, E.I.7, E.I.11, E.II.2, E.II.3, E.III.1, E.III.2 en E.III.3 niet bewezen in hoofde van de eiser II en ontslaat hem daarvoor van elke rechtsvervolging zonder kos-ten;

- de telastleggingen C.II.3 (enkel voor de periode van 14 juni 2001 tot 20 okto-ber 2004), E.I.11, E.II.3, E.III.1 en E.III.2 niet bewezen in hoofde van de eiser III en ontslaat hem daarvoor van elke rechtsvervolging zonder kosten.

In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen van de eisers I, II en III bij gebrek aan belang, elk wat hen betreft, niet ontvankelijk.

Middel van de eiser I

2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt enerzijds dat de aan de eiser I opgelegde geldboete ongewijzigd gehandhaafd moet blijven, maar ver-hoogt anderzijds die geldboete van 2.000 tot 5.000 euro; het arrest is bijgevolg te-genstrijdig en niet naar recht verantwoord.

3. Het arrest oordeelt enerzijds dat de door de eerste rechter opgelegde geld-boete, welke 2.000 euro bedroeg, ongewijzigd gehandhaafd moet blijven en an-derzijds dat aan de eiser I onder meer een geldboete van 5.000 euro moet worden opgelegd en het veroordeelt hem tot die geldboete. Deze oordelen zijn tegenstrij-dig.

Het middel is gegrond.

Middelen van de eiser II

Eerste middel

4. Het middel voert schending aan van artikel 39 Strafwetboek en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het individueel karakter van de straffen: het arrest spreekt ten onrechte lastens de eiser II en J P T de bijzondere verbeurdver-klaring uit als uit de bewezen verklaarde telastleggingen E.I.8 en E.I.9 rechtstreeks verkregen vermogensvoordelen voor een bedrag van 21.013,19 euro; aldus spreekt het een niet-toegelaten solidaire verbeurdverklaring uit; een uitsplitsing van de vermogensvoordelen over de veroordeelden afzonderlijk is noodzakelijk.

5. De door de artikelen 42, 3°, en 43bis, tweede lid, Strafwetboek bedoelde bijzondere verbeurdverklaring is een facultatieve straf. Wegens het facultatief ka-rakter van deze straf kan de rechter de bedragen die hij op grond van de voormel-de bepalingen verbeurd verklaart, onder de veroordeelden verdelen. Daarbij mag het totale bedrag van de verbeurdverklaring het bedrag van de rechtstreeks uit het misdrijf verkregen vermogensvoordelen niet overschrijden.

Evenwel laten die bepalingen en het algemeen rechtsbeginsel dat de straf persoon-lijk is, de rechter niet toe verschillende personen hoofdelijk tot eenzelfde straf te veroordelen.

6. Passieve hoofdelijkheid houdt in dat de veroordeelden, hoewel zij onderling slechts hun deel van de schuld moeten bijdragen, bij de tenuitvoerlegging van de schuldvordering tot betaling waarvan zij hoofdelijk zijn veroordeeld, door de schuldeiser elk voor het geheel van die schuldvordering kunnen worden aange-sproken en dat de betaling van de ene de andere bevrijdt, terwijl de executie het bedrag van de totale schuld niet mag overtreffen.

7. Het arrest beveelt bij toepassing van de artikelen 42, 3°, en 43bis, tweede lid, Strafwetboek de bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen ver-kregen uit de telastleggingen E.I.8 en E.I.9 voor een bedrag van 21.013,19 euro lastens de eiser II en J P T samen. Die bijzondere verbeurdverklaring leidt ertoe dat de Staat op grond van artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek schuldeiser van de eiser II en van de medeveroordeelde J P T wordt.

8. Het arrest dat op grond van de artikelen 42, 3°, en 43bis, tweede lid, Straf-wetboek, de eiser II en J P T veroordeelt tot de bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen, waardoor die daders gezamenlijk schuldenaars worden van de Staat die zijn schuldvordering op elk van hen voor het geheel kan verhalen, met het enige voorbehoud dat het totale bedrag van de bijzondere verbeurdverklaring de rechtstreeks uit het misdrijf verkregen vermogensvoordelen niet mag over-schrijden, beveelt in werkelijkheid ten laste van die veroordeelden de hoofdelijke verbeurdverklaring van die vermogensvoordelen en verantwoordt daardoor die beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Tweede middel

9. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195, eer-ste lid, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de eiser II schuldig is aan het plegen van misbruik van vennootschapsgoederen op 19 januari 2001 door bureaumaterialen en diverse personal computers met bijbehoren te verkopen aan Verspurten bvba, waarvan hij eveneens vennoot was, tegen een abnormaal lage prijs, minstens door het contant betaalde deel van de prijs ten bedrage van 100.000 BEF (2.478,94 euro) achter te houden, miskent het arrest de overeenkomst tot overdracht van aandelen, waaruit blijkt dat de eiser II op 19 januari 2001 geen vennoot meer was; het arrest beant-woordt niet eisers in zijn appelconclusie aangevoerd verweer met betrekking tot de telastlegging E.I.9 dat uit het strafdossier niet blijkt dat hij het contant betaalde deel van de prijs zou hebben achtergehouden en dat niet kon worden volstaan met de vaststelling dat de eiser II geen duidelijkheid kon verschaffen over de bestem-ming van de loketcheque.

10. Het arrest oordeelt met betrekking tot de overeenkomst van 17 januari 2001 niet zoals in het middel weergegeven. Het oordeelt wel dat uit de overeenkomst tot overdracht van de aandelen van 17 januari 2001 blijkt dat het alvast onjuist is dat de eiser II reeds enkele weken na 23 november 2000 zijn aandelen zou hebben overgelaten aan de medevennoot I L.

In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feite-lijke grondslag.

11. Het arrest oordeelt met betrekking tot de schuldigverklaring van de eiser II aan de telastlegging E.I.9 als volgt:

- alleen reeds op zicht van de inventarisatie gevoegd bij de factuur van 20 de-cember 2000 kan er geen twijfel over bestaan dat de prijs van 150.000 BEF veel te laag lag, zeker wanneer - naast het meubilair - ook nog een fotokopie-machine en vier computerconfiguraties, telkens met printer, inbegrepen waren;

- de wijze en de snelheid waarop de vennootschap zich van dit meubilair ontdeed is trouwens ook te beoordelen binnen het kader van de overdracht van de aandelen op 25 oktober 2000 aan de stroman M, wat meteen ook verklaart waarom het meubilair nodig moest worden geliquideerd;

- alles kadert binnen dezelfde operatie van bedrieglijke ontmanteling van de vennootschap Groep TDR om zich van een lege schelp te ontdoen;

- uit de overeenkomst tot overdracht van aandelen van 17 januari 2001 blijkt het alvast onjuist te zijn dat de eiser II reeds enkele weken na 23 november 2000 zijn aandelen zou hebben overgelaten aan zijn medevennoot I L.

Het arrest verwijst bovendien naar de algemene motieven met betrekking tot de voorafgaande telastleggingen E.I, welke onverminderd gelden ter weerlegging van het door de eiser II ontwikkelde verweer met betrekking tot de telastlegging E.I.9. Aldus vermeldt het arrest ook dat:

- uit de veelvuldige stukken van het strafdossier duidelijk blijkt dat belangrijke bedragen aan inkomsten gewoonweg niet op rekening of in kas van Groep TDR nv terechtkwamen, maar voor allerlei andere - direct of indirect persoonlijke - doeleinden werden aangewend, waaromtrent de eiser II geen rekenschap kan of wil geven noch kan aantonen dat de aanwending in het belang van de vennootschap zou zijn geschied gelet op de onvolledigheid van de boekhoud-ing van Groep TDR nv;

- de betrokkenen en dus ook de eiser II om evidente redenen systematisch elk materieel bewijsstuk hebben laten verdwijnen.

Met het geheel van die redenen beantwoordt het arrest het aangevoerde verweer.

In zoverre mist het middel evenzeer feitelijke grondslag.

Derde middel

12. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest motiveert niet waarom het de facultatieve bijzondere verbeurdverklaring voor het bedrag van 2.478,94 euro als door de telastlegging E.I.9 opgeleverde vermogensvoordelen uitspreekt.

13. Gelet op de op grond van het eerste middel uit te spreken vernietiging van de lastens de eiser II uitgesproken bijzondere verbeurdverklaring, behoeft dit middel geen antwoord.

Vierde middel

14. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Bur-gerlijk Wetboek: door het ontslag van F H zo te interpreteren dat zij sinds 4 sep-tember 1997 geen aandeelhouder meer was van de vennootschap Groep TDR nv, miskent het arrest de bewijskracht van het verslag van de buitengewone algemene vergadering van 4 september 1997.

15. Het arrest verwijst voor wat betreft het bekritiseerde oordeel niet naar het verslag van de buitengewone algemene vergadering van 4 september 1997. Het kan dan ook de bewijskracht ervan niet miskennen.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Middel van de eiseres IV-V

Eerste onderdeel

16. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1, 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de artikelen 161, 179 en 463 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 44 en 50 Strafwetboek en de artikelen 1108, 1131, 1133 en 1304 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de terugga-ve enkel kan bestaan in de retroactieve nietigheid van de overeenkomst die niets anders is dan de civielrechtelijke sanctie van een overeenkomst die niet op rechts-geldige wijze is tot stand gekomen omdat zij is aangetast door een ongeoorloofde, met de openbare orde strijdige oorzaak; het komt de strafrechter evenwel niet toe om toepassing te maken van de artikelen 1108, 1131 en 1304 Burgerlijk Wetboek door de overeenkomst nietig te verklaren wegens ongeoorloofd voorwerp of on-geoorloofde oorzaak; de vraag naar de civielrechtelijke gevolgen van een misdrijf op het vlak van de geldigheid van de overeenkomst is immers vreemd aan de strafvordering en aan de burgerlijke rechtsvordering van de benadeelde partij; al-dus overschrijden de appelrechters hun rechtsmacht.

17. Artikel 44 Strafwetboek bepaalt dat de veroordeling tot de bij de wet gestelde straffen altijd wordt uitgesproken, onverminderd de teruggave en de schadevergoeding die aan partijen mochten zijn verschuldigd.

Artikel 161 Wetboek van Strafvordering, dat eveneens van toepassing is in correc-tionele zaken, bepaalt dat indien een beklaagde schuldig wordt bevonden aan een misdrijf, de rechtbank de straf uitspreekt en bij hetzelfde vonnis beslist over de vorderingen tot teruggave en tot schadevergoeding.

18. De door deze bepalingen bedoelde teruggave houdt, naast het louter terug-geven van goederen die aan de eigenaar werden ontnomen en die in handen van het gerecht zijn gekomen, elke maatregel in die beoogt de materiële gevolgen van het bewezen verklaarde misdrijf teniet te doen, met als doel het herstel van de fei-telijke toestand zoals die bestond vóór het plegen van het bewezen verklaarde misdrijf en dus de vrijwaring van het algemeen belang.

Hoewel van burgerrechtelijke aard, beveelt de strafrechter ambtshalve of op vor-dering van het openbaar ministerie de teruggave. De teruggave raakt immers de openbare orde. Het feit dat de teruggave als vorm van herstel ook voor de burger-lijke rechter kan worden gevorderd, doet hieraan geen afbreuk.

19. Indien een overeenkomst door een misdrijf werd verkregen en deze over-eenkomst bijgevolg geen effect mag sorteren, kan de teruggave bestaan in een door de strafrechter uit te spreken nietigverklaring van die overeenkomst, welke retroactief werkt.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

20. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 44 en 50 Strafwetboek en de artikelen 1, 41, 82 en 96 Hypotheekwet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de retroactieve nietigverklaring van de met misbruik van vennootschapsgoederen tot stand gekomen koopovereenkomst zich opdringt om de gevolgen van het mis-drijf ongedaan te maken en dat het feit dat derden ondertussen op rechtmatige wijze rechten op het onroerend goed hebben gekregen die nietigverklaring niet in de weg staat; er was geen noodzaak om de retroactieve nietigverklaring van de overeenkomst te bevelen; aangezien het onroerend goed sinds de verkoop met zakelijke rechten ten voordele van derden te goeder trouw werd bezwaard, kan het slechts met die zakelijke rechten worden teruggegeven; een retroactieve nietigverklaring die tot gevolg heeft dat het onroerend goed het patrimonium van de verkoper nooit heeft verlaten, is onverenigbaar met de teruggave van het onroerend goed met de erop gevestigde hypothecaire rechten; door anders te oordelen miskent het arrest het wettelijk begrip teruggave, evenals de regels inzake het volgrecht en de tegenstelbaarheid van hypothecaire rechten.

21. De rechter oordeelt bij het bevelen van de teruggave op grond van artikel 44 Strafwetboek en artikel 161 Wetboek van Strafvordering onaantastbaar over de maatregelen die noodzakelijk zijn om de materiële gevolgen van het bewezen ver-klaarde misdrijf teniet te doen, met als doel het herstel van de feitelijke toestand zoals die bestond vóór het plegen van het bewezen verklaarde misdrijf.

In zoverre het onderdeel opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel, is het niet ont-vankelijk.

22. De omstandigheid dat op het onroerend goed, waarvan de strafrechter de teruggave beveelt, sinds de verkoop ervan ten voordele van derden te goeder trouw zakelijke rechten zoals hypothecaire rechten werden gevestigd, belet die strafrechter niet de koopovereenkomst nietig te verklaren, welke nietigheid retroactief werkt.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Derde onderdeel

23. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1122 en 1124 Gerechte-lijk Wetboek, de artikelen 1, 41, 82 en 96 Hypotheekwet en de artikelen 44 en 50 Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat het bij het bepalen van wat no-dig is om een einde te maken aan de onwettige toestand niet verder te beslissen heeft over de eventuele gevolgen van zakelijke rechten van derden op de goederen waarvan de teruggave is bevolen en het weigert aldus ten onrechte in te gaan op de vraag van de eiseres om een herstelmaatregel uit te spreken die haar rechten onaangetast laat; het arrest miskent aldus de strekking van het derdenverzet dat de strafrechter bevoegd maakt om bij zijn beslissing rekening te houden met de rechtmatige rechten van derden.

24. Krachtens artikel 1122, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek kan ieder die niet behoorlijk is opgeroepen of niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussenge-komen, derdenverzet doen tegen een, zij het voorlopige, beslissing die zijn rechten benadeelt en die gewezen is door een burgerlijk gerecht of door een strafgerecht in zoverre dit over burgerlijke belangen uitspraak heeft gedaan.

25. Ook de strafrechter op derdenverzet oordeelt bij het bevelen van de terugga-ve op grond van artikel 44 Strafwetboek en artikel 161 Wetboek van Strafvorde-ring onaantastbaar over de maatregelen die noodzakelijk zijn om de materiële ge-volgen van het bewezen verklaarde misdrijf teniet te doen, met als doel het herstel van de feitelijke toestand zoals die bestond vóór het plegen van het bewezen ver-klaarde misdrijf.

26. Uit de omstandigheid dat een derde die zich benadeeld acht door de beslis-sing tot teruggave, tegen die beslissing derdenverzet kan doen bij de strafrechter, volgt enkel dat de strafrechter binnen de grenzen van dit derdenverzet de wettig-heid en de gepastheid dient te onderzoeken van de bevolen teruggave. Daaruit volgt niet dat de strafrechter op derdenverzet slechts die teruggave mag bevelen die de rechten van derden onaangetast laat. Dit ontneemt het derdenverzet niet el-ke betekenis.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Vierde onderdeel

27. Het onderdeel voert schending aan artikel 149 Grondwet, de artikelen 1122 en 1124 Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 1, 28, vierde lid, 41, 82 en 96 Hypo-theekwet en de artikelen 44 en 50 Strafwetboek: het arrest verwijst ten onrechte naar artikel 28, vierde lid, Hypotheekwet om de verwerping van het derdenverzet van de eiseres te motiveren, ook al neemt het aan dat die wetsbepaling niet dezelf-de waarborg biedt als een hypotheek op een onroerend goed; de zaakvervanging van artikel 28, vierde lid, Hypotheekwet is geen volwaardig alternatief voor de hypotheek op het onroerend goed zelf; het verhaal op de koopsom impliceert im-mers dat de verkoper de koopsom ook effectief terugbetaalt, wat aleatoir is, zeker in geval van faillissement van de verkoper, zoals in casu; het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd door enerzijds te overwegen dat de strafrechter bij het bepalen van de teruggavemaatregel niet te oordelen heeft over de gevolgen van de nietigverklaring voor de rechten van derden, maar anderzijds die gevolgen wel te beoordelen in het licht van artikel 28, vierde lid, Hypotheekwet en zich erop te steunen om de teruggavemaatregel te bevestigen.

28. De verwijzing door het arrest, met overname van de redenen van het beroe-pen vonnis van 21 januari 2008, naar artikel 28, vierde lid, Hypotheekwet, betreft een overtollig motief, dat de overige redenen die de beslissing schragen onaange-tast laat.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

29. In zoverre het onderdeel op grond van het voormelde overtollig motief, een tegenstrijdigheid in de motivering aanvoert, is het evenmin ontvankelijk.

Vijfde onderdeel

30. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1122 Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 44 en 50 Strafwetboek, alsmede miskenning van de goede trouw-vereiste en het recht van verdediging: met het oordeel dat de eiseres zich mis-schien ook vragen had moeten stellen met betrekking tot de opgegeven koopprijs naar de verhouding tot de waarde van het goed en de identiteit van de bestuurders bij TDR en T-Invest, neemt het arrest een nalatigheid in hoofde van de eiseres in aanmerking, welke niet werd opgeworpen, zodat zij er zich niet kon over verdedigen.

31. Met het in het onderdeel aangehaalde oordeel, stelt het arrest geen nalatig-heid vast in hoofde van de eiseres.

Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag.

Middel van de eiseres VI

32. De vier onderdelen van het middel van de eiseres VI hebben dezelfde strek-king als de eerste vier onderdelen van het middel van de eiseres IV-V. Zij worden om dezelfde redenen verworpen.

Omvang van de cassatie

33. De onwettigheid bij het opleggen van de geldboete aan de eiser I leidt tot de onwettigheid van de hem opgelegde bestraffing en de bijdrage aan het Slachtofferfonds, maar laat zijn schuldigverklaring onaangetast.

34. De vernietiging van de beslissing tot verbeurdverklaring van de vermogens-voordelen ten laste van de eiser II tast zijn schuldigverklaring en de regelmatig-heid van de opgelegde gevangenisstraf en geldboete niet aan.

Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering voor het overige

35. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het:

- de eiser I tot straf en de bijdrage aan het Slachtofferfonds veroordeelt;

- lastens de eiser II de bijzondere verbeurdverklaring uitspreekt voor een bedrag van 21.013,19 euro.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Veroordeelt de eiser I tot de twee derden van de kosten van zijn cassatieberoep en laat de overige kosten ten laste van de Staat.

Veroordeelt de eiser II tot drie vierden van de kosten van zijn cassatieberoep en laat de overige kosten ten laste van de Staat.

Veroordeelt de eisers III, IV-V en VI tot de kosten van hun cassatieberoep.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Bepaalt de kosten in het geheel op 2.112,69 euro waarvan de eisers I en II elk 308,51 euro verschuldigd zijn, de eiser III 94,83 euro verschuldigd is, de eiseres IV en V 122,44 euro verschuldigd is en de eiseres VI 61,83 euro verschuldigd is.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 3 september 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzit-ter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

A. Lievens P. Hoet

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Teruggave

  • Begrip

  • Doel