- Arrest van 5 september 2013

05/09/2013 - C.12.0374.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op de compensatoire interest die toegekend wordt op het door de rechter vastgestelde bedrag van de schadevergoeding die wegens onrechtmatige daad verschuldigd is; deze wetsbepaling verhindert ook niet dat de rechter interest op dergelijke interest toekent, indien hij oordeelt dat dit voor een volledige vergoeding van de schade vereist is (1). (1) Zie Cass. 22 dec. 2006, AR C.05.0210.N, AC 2006, nr. 670; Cass. 30 april 2012, AR S.10.0051.F, AC 2012, nr. 266.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0374.N

STAD GENT, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepe-nen, met kantoor te 9000 Gent, Stadhuis, Botermarkt 1,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Paul Lefèbvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480, bus 9, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

GEWESTELIJKE MAATSCHAPPIJ VOOR DE KLEINE LANDEIGEN-DOM HET VOLK cvba, met zetel te 9000 Gent, Ravensteinstraat 12,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 17 april 2012.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het tussenarrest van 6 juni 2000 oordeelt: "Gelet op alles wat voorafgaat had (de verweerster) minstens het recht dat over haar verkavelingsaanvragen zou worden geoordeeld, hetgeen door (de eiseres) werd verhinderd in die zin dat elke uitspraak van de gemachtigde ambtenaar a priori ongunstig zou zijn gelet op de gemeenteraadsbeslissing dd. 19.11.1990".

2. Anders dan waarvan het middel uitgaat, oordeelt dit arrest hiermee niet dat verweersters schade zich beperkt tot het verlies van een kans.

Het middel berust op een onjuiste lezing van dat arrest en mist feitelijke grond-slag.

Tweede middel

Eerste subonderdeel van het eerste onderdeel en tweede subonderdeel van het derde onderdeel samen.

3. Anders dan waarvan de subonderdelen uitgaan, belet artikel 780 Gerechte-lijk Wetboek niet dat de rechter zich aansluit bij een specifieke renteberekening door de gerechtsdeskundige in de zaak, en aldus zelf op dit punt oordeelt over de in het onderdeel bedoelde gegevens.

De subonderdelen kunnen niet worden aangenomen.

Tweede subonderdeel van het eerste onderdeel

4. Het arrest oordeelt, onder verwijzing naar het verslag van de gerechtsdes-kundige waarbij het zich aansluit, dat de keuze voor de economische rente billijk en realistisch is en veroordeelt de eiseres tot betaling van een bedrag van 1.730.423,08 euro, "vermeerderd met de intercalaire interest aan de economische rentevoet te rekenen vanaf een januari tweeduizend en vier tot op datum van vol-ledige vereffening".

Dit verslag van de gerechtsdeskundige vermeldt: "bij de berekening van de inter-calaire intresten werd (...) uitgegaan van de werkelijk betaalde interestvoet - zijnde 6,5 % (...). Deze rente is gebaseerd op de gemiddelde LIBOR + 1,5 %"; "de economische rente is: van januari 1984 tot december 1991: 6,5 %, van januari 1992 tot augustus 1996: 8 %, van september 1996 tot december 2001: 7 %, van januari 2001 tot december 2003: 6 %"; "in voorgaande samenvatting werd reke-ning gehouden met intercalaire interesten berekend tot 31/12/2003 wat betekent dat deze uiteindelijk moeten worden doorgerekend tot op de datum van de effectieve uitbetaling".

5. Hieruit volgt dat de veroordeling tot de betaling van een bedrag van 1.730.423,08 euro dient vermeerderd te worden met een intercalaire interest die voor de periode van 1 januari 2004 tot op de datum van de volledige vereffening te rekenen is aan een rentevoet gebaseerd op de gemiddelde LIBOR + 1,5 %.

Het subonderdeel dat aanvoert dat het bestreden arrest het nalaat om, voor de pe-riode vanaf 1 januari 2004 tot op de dag van de uitspraak, door verwijzing naar het verslag van de gerechtsdeskundige, de rentevoet van de compensatoire interes-ten te bepalen, mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel en eerste subonderdeel van het derde onderdeel samen

6. Krachtens artikel 1154 Burgerlijk Wetboek kan vervallen interest van kapi-talen interest opbrengen, ofwel ten gevolge van een gerechtelijke aanmaning ofwel ten gevolge van een bijzondere overeenkomst, mits de aanmaning of de over-eenkomst betrekking heeft op interest die ten minste voor een heel jaar verschul-digd is.

7. Deze bepaling is niet van toepassing op de compensatoire interest die toege-kend wordt op het door de rechter vastgestelde bedrag van de schadevergoeding die wegens onrechtmatige daad verschuldigd is. Ze verhindert ook niet dat de rechter interest op dergelijke interest toekent, indien hij oordeelt dat dit voor een volledige vergoeding van de schade vereist is.

Het onderdeel dat ervan uitgaat dat artikel 1154 Burgerlijk Wetboek zich verzet tegen de toekenning van gekapitaliseerde compensatoire interest op grond van een onrechtmatige daad en het subonderdeel dat ervan uitgaat dat die bepaling de ka-pitalisatie van dergelijke interest regelt, falen naar recht.

Vierde onderdeel

8. Het arrest oordeelt dat verweersters schade geactualiseerd moet worden be-rekend, bij wijze van kapitalisatie van interest. Het overweegt dat de wettelijke rente, een rente is die niet gekapitaliseerd wordt en beslist, onder verwijzing naar het verslag van de gerechtsdeskundige, dat de keuze voor de economische rente billijk en realistisch is. Op die motieven veroordeelt het arrest eiseres tot de beta-ling van een bedrag van 1.730.423, 08 euro, "vermeerderd met de intercalaire in-terest aan de economische rentevoet te rekenen vanaf een januari tweeduizend en vier tot op datum van volledige vereffening".

9. Rekening houdend met deze gronden, kan die veroordeling niet worden uit-gelegd als een veroordeling tot betaling van interest aan de wettelijke rentevoet.

Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 782,19 euro en voor de verweerster op 395,61 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de afdelingsvoorzitters Eric Stassijns en Albert Fettweis, en de raadsheren Beatrijs Deconinck en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 5 september 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols B. Wylleman B. Deconinck

A. Fettweis E. Stassijns E. Dirix

Vrije woorden

  • Artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek

  • Kapitalisatie

  • Anatocisme

  • Toepassingsgebied

  • Compensatoire interest

  • Schadevergoeding wegens onrechtmatige daad