- Arrest van 10 september 2013

10/09/2013 - P.13.0376.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De aan een partij opgelegde verplichting om de aanvoering dat inlichtingen, die geen bewijswaarde hebben maar slechts in aanmerking worden genomen om het onderzoek in een bepaalde richting te sturen en aldus op autonome wijze bewijzen te verzamelen, op onregelmatige wijze werden verkregen aannemelijk te maken en die het niveau van een loutere bewering te laten overstijgen, maakt eisers’ recht van verdediging en zijn recht op een eerlijk proces met inbegrip van het recht op de wapengelijkheid en het recht op tegenspraak niet theoretisch of illusoir (1). (1) De regeling inzake de bewijslast m.b.t. de strafuitsluitingsgronden is van toepassing (cf. R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, nr. 1959, p. 989).

Arrest - Integrale tekst

P.13.0376.N

I

A. S.,

beklaagde,

eiser,

met als raadslieden mr. Carl Slabbaert, advocaat bij de balie te Antwerpen en mr. Christine Calewaert, advocaat bij de balie te Brussel.

II

R. P.

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Sven Mary, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 23 januari 2013.

De eisers voeren elk in gelijkluidende memories die aan dit arrest zijn gehecht, een middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de informatie vervat in het proces-verbaal van 26 januari 2009 louter inlichtingen betreft, geeft het arrest aan dit proces-verbaal een uitlegging die onverenigbaar is met de inhoud ervan en miskent het dan ook de bewijskracht ervan; het gaat immers niet om het louter verkrijgen van inlichtingen of het passief verkrijgen van informatie die spontaan en zonder inmenging van enige Belgische overheid aan de opsporingsdiensten ter kennis werd gebracht, maar wel om door Belgische opsporingsambtenaren actief ver-gaarde informatie; het arrest kon dan op grond van die verkeerd vastgestelde fei-ten niet wettig oordelen dat het recht van verdediging van de eisers niet is mis-kend en dat er geen reden was om de strafvordering onontvankelijk te verklaren.

2. Het proces-verbaal van 26 januari 2009 bevat onder de rubriek "Inlichtin-gen" de volgende vermelding: "Als gevolg van voortdurend en doorgedreven on-derzoek in de zware criminaliteit hebben wij vernomen dat de genaamde B. I. (ge-boren op 14/04/59) betrokken zou geweest zijn bij de feiten uit onderhavig onder-zoek. De daders zouden met drie geweest zijn en zouden zich hebben voorgedaan als politieagenten. De twee mededaders van B. zouden broers zijn uit de regio van La Louvière. Een restauranthouder uit La Louvière zou de nodige aanwijzingen en inlichtingen met betrekking tot de overval verstrekt hebben. B. zou gebruik maken van het oproepnummer 0472/494.564 en recentelijk het oproepnummer 0488/869.128 in gebruik hebben."

3. Het arrest oordeelt met betrekking tot die vermelding onder meer dat deze inlichtingen, waarover de beklaagden verweer hebben kunnen voeren, als dusda-nig geen bewijswaarde hebben, maar louter gelden als inlichtingen die toelaten een onderzoek te openen of zoals in deze een onderzoek in een bepaalde richting te sturen en op autonome wijze bewijzen te verzamelen.

4. Uit de vermelding in het proces-verbaal van 26 januari 2009 dat een voort-durend en doorgedreven onderzoek in de zware criminaliteit werd verricht, volgt dat de opsporingsambtenaren in het milieu van de zware criminaliteit de in het proces-verbaal vermelde inlichtingen hebben vernomen. De omstandigheid dat die inlichtingen niet spontaan aan de verbalisanten werden meegedeeld, maar wel op hun initiatief, ontneemt aan die informatie niet het karakter van inlichtingen.

5. Met het voormelde oordeel geeft het arrest aan dit proces-verbaal een uit-legging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

6. Voor het overige is het onderdeel geheel afgeleid uit de vergeefs aangevoer-de miskenning van bewijskracht.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede misken-ning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces, met inbegrip van het recht op wapengelijkheid en het recht op tegenspraak: met het oordeel dat het gebrek aan verduidelijking betreffende het in het proces-verbaal vermelde voortdurend en doorgedreven onderzoek niet leidt tot een miskenning van het recht van verdediging en geen grond oplevert om de strafvordering onontvankelijk te verklaren en door de eisers de toegang tot die gegevens te ontzeggen, miskent het arrest eisers' recht van verdediging en hun recht op een eerlijk proces, met inbegrip van de wapengelijkheid en het recht op tegenspraak; uit het recht op tegenspraak volgt immers de verplichting voor de vervolgende partij om in beginsel alle bewijs- en onderzoekselementen aan de verdediging mee te delen, alsook de wijze waarop ze werden verkregen, tenzij er redenen zijn om die informatie geheim te houden en die geheimhouding in voorkomend geval wordt gecompenseerd met een wettigheidscontrole door een onafhankelijke en onpartijdige rechter; in dit dossier zijn er evenwel geen redenen tot geheimhouding.

8. Het arrest neemt de in het proces-verbaal van 26 januari 2009 vermelde in-formatie niet in aanmerking als bewijs tegen de eisers, maar enkel als inlichtingen die toelaten het onderzoek in een bepaalde richting te sturen en aldus op autonome wijze bewijzen te verzamelen.

In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

9. Noch artikel 6 EVRM noch het recht van verdediging of het recht op een eerlijk proces verzetten zich ertegen dat informatie louter als inlichting in aanmer-king wordt genomen die toelaat het onderzoek in een bepaalde richting te oriënte-ren en vervolgens op autonome wijze bewijzen te verzamelen, zonder dat concreet wordt verduidelijkt hoe de inlichting werd verkregen, voor zover blijkt dat dit niet op onregelmatige wijze is geschied.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

10. Met het oordeel dat:

- de eisers over de betwiste inlichtingen verweer hebben kunnen voeren;

- de eisers op geen enkele wijze aannemelijk hebben gemaakt dat die inlich¬tingen op onregelmatige wijze verkregen zouden zijn;

- die inlichtingen als dusdanig geen bewijswaarde hebben en louter gelden als inlichtingen die toelaten het onderzoek in een bepaalde richting te sturen en al-dus op autonome wijze bewijzen te verzamelen,

verantwoordt het arrest zonder schending respectievelijk miskenning van de in het onderdeel aangehaalde verdragsbepaling en algemene rechtsbeginselen en naar recht de beslissing dat er geen grond is om de bewijselementen welke voortsprui-ten uit het op deze inlichtingen gesteunde onderzoek uit het debat te weren en evenmin om de strafvordering onontvankelijk te verklaren.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede misken-ning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces, met inbegrip van het recht op wapengelijkheid en het recht op tegenspraak: met het oordeel dat het de eisers toekomt aannemelijk te maken dat de in het proces-verbaal van 26 januari 2009 weergegeven informatie op onre-gelmatige wijze zou verkregen zijn, maakt het arrest het recht op een eerlijk proces theoretisch en illusoir; de bewijslast van de onregelmatigheid van geheim ge-houden onderzoeksmaatregelen ligt niet bij de eisers; het komt immers een onaf-hankelijke en onpartijdige rechter toe de wettigheid van die onderzoeksmaatrege-len te toetsen en die rechterlijke controle ontbreekt.

12. In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de tevergeefs met het eerste en twee-de onderdeel aangevoerde onwettigheden, is het niet ontvankelijk.

13. De aan een partij opgelegde verplichting om de aanvoering dat inlichtingen, die geen bewijswaarde hebben maar slechts in aanmerking worden genomen om het onderzoek in een bepaalde richting te sturen en aldus op autonome wijze be-wijzen te verzamelen, op onregelmatige wijze werden verkregen aannemelijk te maken en die het niveau van een loutere bewering te laten overstijgen, maakt ei-sers' recht van verdediging en hun recht op een eerlijk proces met inbegrip van het recht op de wapengelijkheid en het recht op tegenspraak niet theoretisch of il-lusoir.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 149,11 euro waarvan de eiser I 74,55 euro ver-schuldigd is en de eiser II 74,56 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Luc Van hoogenbemt, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 10 september 2013 uitgesproken door raadsheer Luc Van hoogenbemt, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky E. Francis A. Lievens

A. Bloch F. Van Volsem L. Van hoogenbemt

Vrije woorden

  • Recht op een eerlijk proces

  • Verplichting de aanvoering dat inlichtingen op onregelmatige wijze werden verkregen aannemelijk te maken

  • Bestaanbaarheid