- Arrest van 10 september 2013

10/09/2013 - P.13.1166.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het arrest dat de beklaagde wegens een inbreuk op artikel 4 Wet Technische Eisen veroordeelt tot een geldboete en tot een vervangend rijverbod in plaats van tot een vervangende gevangenisstraf schendt voormelde wetsbepaling, artikel 40 Strafwetboek en artikel 69bis Wegverkeerswet, dat bepaalt dat voor de toepassing van de Wegverkeerswet en in afwijking van artikel 40 Strafwetboek de boete, bij gebreke van betaling binnen de termijn van twee maanden na het arrest of het vonnis indien op tegenspraak, of te rekenen vanaf de betekening, indien het bij verstek is gewezen, kan worden vervangen door een verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig waarvan de duur zal worden bepaald door het vonnis of arrest van veroordeling en die niet langer dan een maand en niet korter dan acht dagen zal zijn (1). (1) De eiser werd vervolgd voor het besturen van een voertuig dat niet voorzien was van een geldig keuringsbewijs. Overeenkomstig de artikelen 24, §1, 26 en 81 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen, wordt deze inbreuk gestraft met de straffen vastgelegd in de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen. Deze laatste wet laat het opleggen van een plaatsvervangend rijverbod niet toe.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1166.N

D. C. V. D. K.

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Vesselina Bourova, advocaat bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, eer-ste kamer zetelend in correctionele zaken, van 30 mei 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie grieven aan.

Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste grief

1. De grief voert miskenning aan van het recht op een eerlijk proces en van het algemeen rechtsbeginsel van de loyauteit in de bewijsgaring: het arrest wijst met de redenen die het bevat, ten onrechte het verweer af van de eiser dat zijn recht op een eerlijk proces miskend is door het ontbreken in het strafdossier van het door de eiser aan de politie teruggestuurde "antwoordformulier", samen met de daarbij gevoegde "schriftelijke verklaring".

2. In zoverre de grief gericht is tegen de samenstelling van het strafdossier en de bewijsgaring is hij niet gericht tegen het arrest en bijgevolg niet ontvankelijk.

3. Met de redenen die het bevat en vermeld in de grief neemt het arrest naar recht aan dat het recht op een eerlijk proces van de eiser niet is miskend door het ontbreken van de in de grief vermelde stukken, zonder aldus zelf het recht op een eerlijk proces te miskennen.

In zoverre kan de grief niet worden aangenomen.

Tweede grief

4. De grief voert schending aan van artikel 25.1.3° Wegverkeersreglement en miskenning van de motiveringsverplichting: het arrest neemt onwettig aan dat het poortje waarvoor de eiser was geparkeerd, een inrij voor eigendommen is waar een parkeerverbod geldt en beantwoordt niet regelmatig eisers verweer dat dit niet aan te nemen is, wegens de te geringe afmetingen ervan.

5. Het arrest oordeelt: "Uit de vaststellingen van de verbalisanten kan duidelijk worden afgeleid dat de poort waarvoor [de eiser] zijn voertuig geparkeerd had, wel degelijk een inrij voor voertuigen is. Op de poort is trouwens een inschrij-vingsteken aangebracht en uit de foto's blijkt dat het voertuig van [de eiser] het in- en uitrijden belette. De eerder geringe hoogte van de poort doet hieraan geen afbreuk".

Met die redenen beantwoordt het arrest eisers verweer en is de beslissing naar recht verantwoord.

De grief kan niet worden aangenomen.

Derde grief

6. Het arrest verwijst de eiser tweemaal in de bijdrage aan het Slachtofferfonds alhoewel hem voor de telastlegging B geen correctionele straf werd opgelegd.

7. Volgens artikel 29, tweede lid, wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen spreekt de rechter bij iedere veroordeling tot een criminele of een correctionele hoofdstraf de verplichting uit om een bedrag van 25,00 euro, te verhogen overeenkomstig de Wet Opdeciemen Geldboeten, te betalen als bijdra-ge aan het Slachtofferfonds.

8. Het arrest dat de eiser voor het feit B veroordeelt tot een geldboete van 25,00 euro, te verhogen met 50 opdeciemen, of 150,00 euro of een vervangend verval van 8 dagen, verplicht hem ingevolge die veroordeling eveneens tot de be-taling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds van 25,00 euro, verhoogd met 50 opdeciemen, of 150,00 euro. Die beslissing schendt artikel 29, tweede lid, van voormelde wet.

De grief is gegrond.

Ambtshalve middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 40, eerste lid, Strafwetboek;

- artikel 69bis Wegverkeerswet;

- artikel 4 van de Wet van 21 juni 1985 betreffende de Technische Eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen, hierna Wet Technische Eisen Voertuigen;

9. Artikel 69bis Wegverkeerswet bepaalt dat voor de toepassing van de Weg-verkeerswet en in afwijking van artikel 40 Strafwetboek de boete, bij gebreke van betaling binnen de termijn van twee maanden na het arrest of het vonnis, indien op tegenspraak, of te rekenen vanaf de betekening, indien het bij verstek is gewezen, kan worden vervangen door een verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig waarvan de duur zal worden bepaald door het vonnis of arrest van veroordeling, en die niet langer dan een maand en niet korter dan acht dagen zal zijn.

10. Het arrest veroordeelt de eiser voor de telastlegging B, zijnde een inbreuk op artikel 4 Wet Technische Eisen Voertuigen, tot een geldboete en tot een ver-vangend rijverbod van 8 dagen. Door de eiser voor dit feit te veroordelen tot een vervangend rijverbod in plaats van tot een vervangende gevangenisstraf schendt het arrest de voormelde wetsbepalingen.

Omvang van de cassatie

11. De vernietiging van de beslissing tot het opleggen van een vervangend rij-verbod voor het feit der telastlegging B laat de beslissing over de schuld en de geldboete onaangetast.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering voor het overige

16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het arrest in zoverre het de eiser:

- voor de telastlegging B veroordeelt tot een vervangend rijverbod;

- op grond van de veroordeling wegens het feit B tot een geldboete van 25,00 euro, verplicht tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds van 25,00 euro, verhoogd met 50 opdeciemen, of 150,00 euro.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Veroordeelt de eiser tot vijf zesden van de kosten.

Laat de overige kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Bepaalt de kosten op 149,88 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Luc Van hoogenbemt, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 10 september 2013 uitgesproken door raadsheer Luc Van hoogenbemt, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky E. Francis A. Lievens

A. Bloch F. Van Volsem L. Van hoogenbemt

Vrije woorden

  • Gebrek aan keuringsbewijs

  • Strafbaarstelling

  • Artikel 4, Wet 21 juni 1985

  • Veroordeling tot geldboete en vervangend rijverbod

  • Wettigheid