- Arrest van 11 september 2013

11/09/2013 - P.13.0505.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Naar luid van artikel 43bis, eerste lid, van het Strafwetboek, kan bijzondere verbeurdverklaring toepasselijk op de zaken bedoeld in artikel 42, 3°, door de rechter in elk geval worden uitgesproken, maar slechts voor zover ze door de procureur des Konings schriftelijk wordt gevorderd; hoewel de rechter niet gebonden is door het bedrag dat in de vordering van het openbaar ministerie is vermeld, dient hij de vermogensvoordelen te ramen die uit het door hem bewezen verklaarde misdrijf zijn verkregen, met eerbiediging van het beginsel van tegenspraak dat in die bepaling is vastgelegd (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0505.F

I. M. H.,

II. C. H.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 18 februari 2013.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op 2 september 2013 een con-clusie neergelegd op de griffie.

Op de rechtszitting van 11 september 2013 heeft raadsheer Benoît Dejemeppe verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Het middel voert aan dat de appelrechters, door tegen de eisers straffen van bij-zondere verbeurdverklaring uit te spreken die hoger zijn dan die welke door de procureur-generaal waren gevorderd, de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek en artikel 6 EVRM schenden en het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging miskennen.

Volgens artikel 43bis, eerste lid, Strafwetboek kan bijzondere verbeurdverklaring toepasselijk op de zaken bedoeld in artikel 42, 3°, door de rechter in elk geval worden uitgesproken, maar slechts voor zover ze door de procureur des Konings schriftelijk wordt gevorderd.

Hoewel de rechter niet gebonden is door het bedrag dat in de vordering van het openbaar ministerie is vermeld, dient hij de vermogensvoordelen te ramen die uit het door hem bewezen verklaarde misdrijf zijn verkregen, met eerbiediging van het beginsel van tegenspraak dat in die bepaling is vastgelegd.

Het openbaar ministerie heeft in zijn vordering voor het hof van beroep de ver-beurdverklaring gevraagd van de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, van de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en van de inkomsten uit die belegde voordelen, ten belope van 600.322 euro.

De appelrechters beperken de verbeurdverklaring bij equivalent tot het voormelde bedrag, ten laste van de eerste eiser.

In zoverre het middel kritiek uitoefent op diens veroordeling, mist het feitelijke grondslag.

Volgens het proces-verbaal van de rechtszitting van de correctionele rechtbank van 26 januari 2011 heeft de eerste eiser verklaard dat hij 2.000 euro huur per maand betaalde aan zijn broer, thans de tweede eiser, die eigenaar was van het pand en die de verbouwingswerken had bekostigd. Hij heeft voorts verklaard dat die huur vervolgens was teruggebracht op 1.000 euro. Op dezelfde zitting heeft de tweede eiser verduidelijkt dat die huurgelden hem in staat hadden gesteld zijn hy-pothecaire leningen terug te betalen en dat hij sommige niet-aangegeven werk-zaamheden had betaald, zonder dat hij het bedrag ervan kon preciseren.

Tot staving van een op pagina zes van het arrest samengevatte verklaring van de eerste eiser hebben de appelrechters voorts aangegeven dat zijn broer hem met een lening had geholpen om als zelfstandige te beginnen.

Het arrest oordeelt dat 70.000 euro van de tweede eiser moet worden verbeurd-verklaard, in de eerste plaats op grond dat de vermogensvoordelen uit de huurgel-den bestaan, afkomstig van de exploitatie gedurende dertig maanden van een huis van ontucht of prostitutie. Het wijst er vervolgens op dat beide eisers het eens zijn over een aanvankelijke huur van 2.000 euro en dat zij met weinig waarschijnlijk-heid aanvoeren dat die huur werd verlaagd, zodat dit bedrag als grondslag moet dienen voor de berekening van het bedrag van de verbeurdverklaring, waarvan het totaal aldus op 60.000 euro neerkomt. De appelrechters vermelden ten slotte dat bij die som een bedrag van 10.000 euro diende te worden gevoegd, dat overeen-stemt met de lening die de eerste eiser was toegekend om zijn zaak op te starten.

Aangezien over dat alles tegenspraak is gevoerd, schenden de appelrechters de aangevoerde wettelijke bepalingen niet en miskennen zij evenmin het aangevoerde algemeen rechtsbeginsel.

In zoverre het middel betrekking heeft op de verbeurdverklaring die ten laste van de tweede eiser is uitgesproken, kan het niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissingen over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 11 september 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en over-geschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Bijzondere verbeurdverklaring

  • Rechtstreeks uit het misdrijf verkregen vermogensvoordeel

  • Raming

  • Onaantastbare beoordeling van de feitenrechter

  • Grens

  • Schriftelijke vordering van het openbaar ministerie

  • Eerbiediging van het beginsel van tegenspraak