- Arrest van 11 september 2013

11/09/2013 - P.13.0889.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 443, eerste lid, 3°, van het Wetboek van Strafvordering, stelt de ontvankelijkheid van de aanvraag tot herziening van de criminele en correctionele veroordelingen die kracht van gewijsde hebben, afhankelijk van de voorwaarde van een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan sedert de veroordeling of van een omstandigheid waarvan de veroordeelde het bestaan niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het proces, waaruit het bewijs van zijn onschuld blijkt voor het geheel of een gedeelte van de feiten waarvoor hij werd veroordeeld; zijn niet aannemelijk om tot herziening te leiden, zoals bij wet is vereist, de verklaringen die gezamenlijk in naam van de kinderen zijn opgesteld, die minderjarig waren op het ogenblik van de feiten waarvan ze het slachtoffer waren verklaard, en die de onschuld van de veroordeelde bevestigen maar die het geheel aan vermoedens niet tegenspreken die het veroordelend arrest in aanmerking heeft genomen en evenmin aantonen waarom ze hem destijds valselijk zouden hebben beschuldigd (1). (1) Zie Cass. 22 sept. 1999, AR P.99.1089.F, AC 1999, nr. 479.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0889.F

DE PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN CASSATIE,

aanvrager tot herziening,

in de zaak

V. L.,

tegen

N. L.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Met een vordering van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, die op de griffie is ontvangen op 15 mei 2013, werd bij het Hof een aanvraag tot herziening aanhangig gemaakt die luidt als volgt :

"Aan de tweede kamer van het Hof van Cassatie,

De ondergetekende procureur-generaal heeft de eer hierbij uiteen te zetten dat de minister van Justitie hem, bij schrijven van 28 februari 2013, nr. CAB./SL/2013-7266, gelast heeft om namens haar, overeenkomstig artikel 444, 3°, Wetboek van Strafvordering, een aanvraag in te dienen tot herziening van het arrest van het hof van beroep te Luik van 6 juni 2006 (lees 21 maart 2006) in de zaak van V. L.

In een brief van 14 februari 2013, gericht aan de minister van Justitie, heeft V. L., wonende (...), verzocht dat zij een aanvraag tot herziening zou indienen van zijn veroordeling bij arrest van het hof van beroep te Luik van 6 juni 2006 (lees 21 maart 2006), naar luid waarvan hij zou zijn veroordeeld "tot vijf jaar gevangenis-straf voor het betasten van en geweld tegen (zijn) kinderen, ofschoon (hij) on-schuldig was". Tot staving van zijn verzoekschrift legt L. een kopie over van twee verklaringen die, naar hij beweert, uitgaan van zijn kinderen.

Bij arrest van 21 maart 2006, dat op tegenspraak is gewezen en kracht van ge-wijsde heeft, heeft het hof van beroep te Luik V. L. veroordeeld tot een gevange-nisstraf van drie jaar, met vijf jaar uitstel voor de helft van de straf, en het verval uitgesproken van de in artikel 31 Strafwetboek opgesomde rechten gedurende vijf jaar wegens de volgende telastleggingen :

Zaak I.

A.1 tussen 1 januari 2000 en 24 april 2001, poging tot het plegen van de misdaad beschouwd als verkrachting met behulp van geweld, door het enkele feit van seksuele penetratie, van welke aard en met welk middel ook, op de persoon van M. L., minderjarige boven de volle leeftijd van tien jaar en beneden de volle leef-tijd van veertien jaar op het ogenblik van de feiten, aangezien hij geboren is op 25 april 1987, met de omstandigheid dat de schuldige tot degenen behoort die gezag over het slachtoffer hebben, in casu de partner van zijn moeder ;

B.2 van 25 april 2001 tot 28 april 2002, poging tot het plegen van de misdaad verkrachting op de persoon van M. L., minderjarige boven de volle leeftijd van veertien jaar en beneden de volle leeftijd van zestien jaar op het ogenblik van de feiten, aangezien hij geboren is op 25 april 1987, de daad van seksuele penetratie, van welke aard en met welk middel ook, die met name is opgedrongen door mid-del van geweld, dwang of list of mogelijk is gemaakt door een onvolwaardigheid of een lichamelijk of geestelijk gebrek van het slachtoffer, met de omstandigheid dat de schuldige tot degenen behoort die gezag over het slachtoffer hebben, in ca-su de partner van zijn moeder ;

C. tussen 1 januari 2000 en 28 februari 2002, het plegen van aanrandingen van de eerbaarheid met geweld of bedreiging op de persoon van minderjarigen bene-den de volle leeftijd van zestien jaar op het ogenblik van de feiten, met de om-standigheid dat de schuldige tot degenen behoort die gezag over het slachtoffer hebben, in casu de partner van zijn moeder,

C.3 op de persoon van M. L., geboren op 25 april 1987 ;

C.4 op de persoon van N. L., geboren op 17 maart 1990.

Zaak II.

A.1 tussen 1 januari 1995 en 17 februari 1998, het plegen van de misdaad be-schouwd als verkrachting met behulp van geweld, door het enkele feit van seksue-le penetratie, van welke aard en met welk middel ook, op de persoon van J. T., geboren op 14 augustus 1991, minderjarige beneden de volle leeftijd van tien jaar op het ogenblik van de feiten ;

B.2 tussen 1 januari 1995 en 17 februari 1998, het plegen van aanrandingen van de eerbaarheid met geweld of bedreiging, op de personen van J. T., geboren op 14 augustus 1991, M. T., geboren op 27 oktober 1988, en L. T., geboren op 9 augus-tus 1987, minderjarigen beneden de volle leeftijd van zestien jaar op het ogenblik van de feiten ;

C.3 met name op 22 februari 1997, het opzettelijk toebrengen van slagen of verwondingen aan M. T., geboren op 27 oktober 1988, met de omstandigheid dat de feiten werden gepleegd door iemand die gezag had over de slachtoffers.

Op burgerrechtelijk vlak heeft het hof van beroep V. L. veroordeeld om N. L. provisioneel 2.500 euro te betalen en heeft het een deskundige aangesteld. Voor het overige heeft het de burgerlijkepartijstelling van N. T. niet-gegrond en die van Meester Georges Rigo in zijn hoedanigheid van voogd ad hoc van M. L. niet-ontvankelijk verklaard.

V. L. voert aan dat hij ten tijde van het arrest van het hof van beroep zijn onschuld niet heeft kunnen bewijzen maar dat de verklaring van L. T., M. T. en J. T. bewijst dat hij onschuldig is.

Volgens het Hof beantwoordt de intrekking van een verklaring afgelegd door het minderjarig slachtoffer van een door zijn vader gepleegde aanranding van de eer-baarheid met geweld of bedreiging, alleen aan de voorwaarden van artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering, in zoverre een gegeven de oprechtheid van die intrekking waarschijnlijk maakt (Cass., 22 september 1999, AR P.99.1089.F, AC 1999, nr. 479).

Om die redenen,

Vordert de ondergetekende procureur-generaal dat het aan het Hof moge behagen uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van de onderhavige aanvraag tot her-ziening.

Brussel, 14 mei 2013

Voor de procureur-generaal,

de advocaat-generaal,

(get.) D. Vandermeersch".

Op de rechtszitting van 11 september 2013 heeft raadsheer Benoît Dejemeppe verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het arrest waarvan de herziening is aangevraagd, heeft betrekking op zedenfeiten en feiten van geweld die tot twee afzonderlijke zaken behoren die het hof van be-roep had gevoegd wegens samenhang. De tot staving van de aanvraag aangevoer-de gegevens hebben betrekking op de tweede zaak.

Volgens de stukken die gevoegd zijn bij de brief van de minister van Justitie aan de procureur-generaal, hebben L., M. en J. T., die minderjarig waren op het ogen-blik van de feiten waarvan ze het slachtoffer waren verklaard, daarin bevestigd dat V. L. onschuldig was.

Artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering, stelt de ontvankelijkheid van de aanvraag tot herziening van de criminele en correctionele veroordelingen met kracht van gewijsde, afhankelijk van de voorwaarde van een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan sedert de veroordeling of van een omstandigheid waarvan de veroordeelde het bestaan niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het proces, waaruit het bewijs van zijn onschuld blijkt voor het geheel of een gedeelte van de feiten waarvoor hij werd veroordeeld.

In de tweede zaak grondt het arrest de schuldigverklaring van V. L. voornamelijk op de beschuldigingen van de drie kinderen, door de omstandigheden te precise-ren waarin ze die beschuldigingen hebben geuit.

De appelrechters hebben aldus eerst geoordeeld dat J. T. spontane verklaringen aan de politie heeft afgelegd en dat zijn verhaal als samenhangend was be-schouwd door een deskundige, die erop wees dat de door het kind verstrekte details zijn verklaring aannemelijk maakten. Zij hebben vervolgens erop gewezen dat de aanvankelijke verklaringen van L. T niet waren afgenomen door haar moeder maar door een derde, die ze tijdens het onderzoek heeft bevestigd, en dat een deskundige van mening was dat haar verklaring erg waarschijnlijk was en dat elke vorm van beïnvloeding van buitenaf was uitgesloten. Ten slotte geven ze aan dat de onthulling van de feiten door M. T. heeft plaatsgevonden in een context die niet strookt met de stelling van manipulatie, aangezien de deskundige niet heeft kunnen uitsluiten dat de feiten zich daadwerkelijk hadden voorgedaan.

De verklaringen die gezamenlijk in naam van de kinderen van de veroordeelde zijn opgesteld en die dateren van 18 september 2007 en 31 januari 2012, beweren alleen dat de door hun moeder geformuleerde beschuldigingen vals zijn, dat de zaak volledig door haar is verzonnen en dat zijzelf ervoor gekozen hebben om bij hun vader te gaan wonen. Ze spreken evenwel het geheel aan vermoedens niet te-gen die het arrest in aanmerking had genomen om V. L. schuldig te bevinden en tonen evenmin aan waarom ze hem destijds valselijk zouden hebben beschuldigd.

De tot staving van de aanvraag tot herziening aangevoerde feiten vertonen niet het geloofwaardige karakter dat bij wet vereist is om deze zaak te herzien.

De aanvraag tot herziening is niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verklaart de aanvraag tot herziening niet ontvankelijk.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 11 september 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en over-geschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Reden

  • Nieuw feit

  • Voorwaarde

  • Intrekking van de beschuldigingen door de slachtoffers