- Arrest van 11 september 2013

11/09/2013 - P.13.1052.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Met toepassing van artikel 235bis, §6, van het Wetboek van Strafvordering, wordt de nietigheid van een handeling die volgt op een onregelmatige handeling alleen uitgesproken 'als daartoe grond bestaat'; de kamer van inbeschuldigingstelling is dus bevoegd om, nadat ze een onderzoeksverrichting nietig heeft verklaard, te oordelen dat de daaropvolgende handelingen, waarvan zij op onaantastbare wijze beslist dat die niet noodzakelijk daaruit voortvloeien, regelmatig zijn (1). (1) Cass. 15 juni 2005, AR P.05.0627.F, AC 2005, nr. 346.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1052.F

N. A. O.,

Mr. Nicolas Divry, advocaat bij de balie te Doornik.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 17 mei 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Het middel voert schending aan van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering en miskenning van het recht op verdediging en het recht op een eerlijke behandeling van de zaak. Volgens de eiser had de kamer van inbeschuldigingstelling het ver-hoor van een mede-inverdenkinggestelde door de onderzoeksrechter nietig moeten verklaren nadat zij in een vorig arrest de huiszoeking in de verblijfplaats van die mede-inverdenkinggestelde en het daaropvolgende verhoor van laatstgenoemde nietig had verklaard, omdat dat verhoor over dezelfde feiten ging en was beïn-vloed door gegevens die op onregelmatige wijze waren verkregen.

Met toepassing van artikel 235bis, § 6, van dat wetboek wordt de nietigheid van een handeling die volgt op de onregelmatig verklaarde handeling, alleen uitge-sproken "als daartoe grond bestaat". De kamer van inbeschuldigingstelling is dus bevoegd om, nadat ze een onderzoeksverrichting nietig heeft verklaard, te oorde-len dat de daaropvolgende handelingen waarvan ze op onaantastbare wijze beslist dat die niet noodzakelijk daaruit voortvloeien, regelmatig zijn.

Het arrest beslist dat het voormelde verhoor van een mede-inverdenkinggestelde regelmatig is, op grond dat die handeling niet het rechtstreekse gevolg is van de nietig verklaarde handelingen maar voortvloeit uit de uitleg van de eiser tijdens zijn verhoren door de politie en de onderzoeksrechter.

Het middel dat die feitelijke beoordeling door de appelrechters betwist of waar-van de beoordeling een onderzoek van feitelijke gegevens vereist, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is niet ontvankelijk.

Tweede middel

De kamer van inbeschuldigingstelling, die met toepassing van artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering uitspraak doet, kan de handelingen van de rechtsple-ging nietig verklaren die door een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid zijn aangetast die invloed heeft op een handeling van het onderzoek of de bewijsver-krijging, en kan bevelen dat de nietig verklaarde stukken alsook de stukken die noodzakelijk daaruit voortvloeien, uit het dossier worden verwijderd.

De bevoegdheid die door deze bepaling aan de kamer van inbeschuldigingstelling is toegekend, strekt zich niet uit tot de vordering van het openbaar ministerie, de beslissingen van de onderzoeksgerechten of de conclusie van een partij, ook niet wanneer die stukken melding maken van gegevens uit de nietig verklaarde hande-lingen.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 11 september 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en over-geschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Regelmatigheid van de rechtspleging

  • Toezicht

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Onregelmatige handeling

  • Nietigheid

  • Gevolg

  • Daaropvolgende handelingen

  • Regelmatigheid

  • Onaantastbare beoordeling