- Arrest van 13 september 2013

13/09/2013 - C.12.0329.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het middel van niet-ontvankelijkheid is gegrond, wanneer het hieruit is afgeleid dat het enige middel dat de eiser aanvoert tot staving van zijn cassatieberoep, geen kritiek uitoefent op de beslissing van het arrest waarbij de door de eiser tegen de tweede verweerder ingestelde vordering tot vrijwaring niet-gegrond wordt verklaard, daar de vernietiging waartoe dat middel zou kunnen leiden, geen gevolgen voor die beslissing zou hebben (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2012, nr. … .

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0329.F

BELGISCH BUREAU VAN DE AUTOVERZEKERAARS vzw,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. E. D.

2. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging,

Mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Luik van 11 januari 2012.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft op 23 juli 2013 een conclusie neerge-legd ter griffie.

Raadheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 2, § 2, en 19bis-1 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen;

- artikel 2 van het koninklijk besluit van 13 februari 1991 houdende de inwerkingtreding en uitvoering van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals het van toepassing was zowel vóór als na de wijziging ervan bij de koninklijke besluiten van 17 mei 2004, 20 februari 2006, 28 augustus 2007 en 11 april 2012;

- de artikelen 2, 3 en 4 van richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, zoals die artikelen 2 en 4 van toepassing waren zowel vóór als na de vervanging en wijziging ervan bij de richtlijn 2005/14/EG van 11 mei 2005 van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van de richtlijnen 72/166/EEG, 84/5/EEG, 88/357/EEG en 90/232/EEG van de Raad en richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, en zoals die richtlijn 72/166/EEG van kracht was vóór de opheffing ervan bij de richtlijn 2009/103/EG van 16 september 2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid;

- de artikelen 2 tot 5 van richtlijn 2009/103/EG van 16 september 2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid;

- de artikelen 1134, 1156 tot 1164, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis verklaart het hoger beroep van de eiseres niet gegrond, bevestigt het beroepen vonnis in zoverre het de vordering tot schadevergoeding van de eerste verweerder tegen de eiseres ontvankelijk en gegrond had verklaard op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, de eiseres had veroordeeld om aan de eerste verweerder het provisionele bedrag van 2.500 euro te betalen en, alvorens recht te doen, een medisch deskundige had aangewezen, om alle redenen en in het bijzonder om de volgende redenen:

"2. Beschikking van de Commissie van 28 juli 2003 betreffende de toepassing van richtlijn 72/166/EEG van de Raad betreffende de controle op de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven

[De eiseres] betwist ook dat ze de schade moet vergoeden op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989, aangezien de beschikking van de Commissie van 28 juli 2003 voor Denemarken een uitzondering maakt voor de ‘militaire voertuigen waarop internationale overeenkomsten van toepassing zijn'.

De overeenkomst tussen de bureaus van nationale verzekeraars van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte en andere geassocieerde staten bepaalt in de preambule het volgende (bladzijde L192/25) :

‘Overwegende dat in richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 (eerste richtlijn motorrijtuigenverzekering) wordt bepaald dat de nationale bureaus van verzekeraars een overeenkomst sluiten waarbij elk nationaal bureau, overeenkomstig de eigen nationale wetgeving betreffende de verplichte verzekering, de afwikkeling van ongevallen waarborgt die zich op zijn grondgebied hebben voorgedaan en die zijn veroorzaakt door deelneming aan het verkeer van al dan niet verzekerde voertuigen die gewoonlijk op het grondgebied van een andere lidstaat zijn gestald. Overwegende dat de genoemde richtlijn bepaalt dat voertuigen die gewoonlijk in een derde land zijn gestald, worden behandeld als voertuigen die gewoonlijk in de Gemeenschap zijn gestald wanneer elk nationaal bureau, overeenkomstig de eigen nationale wetgeving betreffende de verplichte verzekering, de afwikkeling van ongevallen waarborgt die zich op zijn grondgebied hebben voorgedaan en die zijn veroorzaakt door deelneming aan het verkeer van deze voertuigen (...)'.

Het doel van die overeenkomst is ervoor te zorgen dat het slachtoffer van een verkeersongeval, dat is veroorzaakt door een voertuig dat gewoonlijk in het buitenland is gestald, de vergoeding van zijn schade kan verkrijgen van het nationaal bureau van autoverzekeraars van de plaats van het ongeval.

Een lijst van uitzonderingen voor elk land is opgenomen op bladzijde L192/36.

Voor Denemarken is er weliswaar een uitzondering gemaakt met betrekking tot de militaire voertuigen waarop internationale overeenkomsten van toepassing zijn, maar voor België is die uitzondering niet gemaakt.

De analyse van de eerste rechter volgens welke [de eiseres], bij gebrek aan een soortgelijke uitzondering voor België, de schade van een verkeersongeval moet vergoeden dat op het Belgische grondgebied is veroorzaakt door voertuigen die gewoonlijk in het buitenland zijn gestald, ook wanneer het gaat om militaire voertuigen waarop internationale overeenkomsten van toepassing zijn, is correct.

Het feit dat de overeenkomst betrekking heeft op de wederkerige verbintenissen tussen de bureaus kan het tegendeel niet bewijzen, aangezien de bewoordingen van de overeenkomst, wat betreft de uitzonderingen en de draagwijdte ervan, duidelijk genoeg zijn.

Het beroepen vonnis zal dus bevestigd worden, in zoverre het de door [de eerste verweerder] tegen [de eiseres] ingestelde vordering tot schadevergoeding ontvankelijk en gegrond verklaart op basis van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989.

3. Vordering tot vrijwaring tegen [de tweede verweerder]

[De eiseres] vordert de veroordeling [van de tweede verweerder] teneinde haar te vrijwaren tegen de veroordelingen die tegen haar zouden kunnen worden uitgesproken, op grond dat laatstgenoemde een fout heeft begaan, omdat hij zich niet had voorbereid op het geval waarin [de eiseres] het schadegeval ten laste moet nemen zonder dat haar schade vergoed kon worden. Zij meent dat zij door de fout [van de tweede verweerder] schade heeft geleden.

De militaire voertuigen blijven door de Deense Staat verzekerd. Uit de litigieuze afwijking kan niet het tegendeel worden afgeleid.

Die uitzondering bepaalt alleen dat het Deense bureau, voor de militaire voertuigen waarop internationale overeenkomsten van toepassing zijn, niet de vergoeding hoeft te waarborgen van de schade uit verkeersongevallen die zich op zijn grondgebied hebben voorgedaan. Die uitzondering is hier niet van toepassing.

[De eiseres] heeft het Deense bureau trouwens gevraagd om haar de gegevens van de verzekeraar van het voertuig mee te delen of, bij ontstentenis daarvan, haar te bevestigen of hij het ongeval ten laste kon nemen, waarop het Deense bureau in een brief van 30 juni 2010 heeft geantwoord dat het voertuig door de militairen zelf was verzekerd",

en, voor zover het bestreden vonnis daadwerkelijk ernaar verwijst, om de redenen van het beroepen vonnis van de politierechtbank te Luik van 10 september 2010:

"[De eiseres] meent ook dat zij in dit geval kan weigeren de schade om die reden te vergoeden en beroept zich daartoe op een uitzondering die Denemarken heeft gemaakt in het kader van een overeenkomst tussen de bureaus van nationale verzekeraars van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte en andere geassocieerde staten, die gevoegd is bij een beschikking van de Europese Commissie van 28 juli 2003 betreffende de toepassing van richtlijn 72/166/EEG van de Raad wat betreft de controle op de verzekering tegen de aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven. Die uitzondering betreft de ‘militaire voertuigen waarop internationale overeenkomsten van toepassing zijn'.

Luidens de preambule van die overeenkomst bepaalt richtlijn 72/166/ EEG van de Raad van 27 april 1972 echter het volgende:

‘De nationale bureaus van verzekeraars sluiten een overeenkomst waarbij elk natio-naal bureau, overeenkomstig de eigen nationale wetgeving betreffende de verplichte verzekering, de afwikkeling van ongevallen waarborgt die zich op zijn grondgebied hebben voorgedaan en die zijn veroorzaakt door deelneming aan het verkeer van al dan niet verzekerde voertuigen die gewoonlijk op het grondgebied van een andere lidstaat zijn gestald'.

Artikel 5 van die overeenkomst bepaalt dat de overeenkomst, die is ‘opgesteld in drie exemplaren in de Engelse en de Franse taal', is ondertekend door de hieronder genoemde ondertekenende bureaus en dat zij betrekking heeft op ‘het grondgebied van de staat waarvoor elk van deze bureaus bevoegd is'.

De Europese reglementering strekt dus tot vereenvoudiging van de procedures voor het vergoeden van slachtoffers van verkeersongevallen die zijn veroorzaakt door voertuigen die gewoonlijk in het buitenland zijn gestald, door hen in staat te stellen hun schade te doen vergoeden door het nationaal bureau van autoverzekeraars van de plaats van het ongeval.

De lijst van uitzonderingen in het derde aanhangsel van de overeenkomst kan bijge-volg, voor elk land dat daarin wordt bedoeld, alleen betrekking hebben op de bijzondere uitzonderingen op de toepassing van de vereenvoudigde procedure die gelden voor zijn eigen bureau van autoverzekeraars.

De uitzondering die Denemarken heeft gemaakt wat betreft de ‘militaire voertuigen waarop internationale overeenkomsten van toepassing zijn', betekent met andere woorden dat het Deense bureau niet de vergoeding hoeft te waarborgen van de schade uit een verkeersongeval dat zich heeft voorgedaan op Deens grondgebied en dat is veroorzaakt door militaire voertuigen die gewoonlijk in het buitenland zijn gestald en waarop internationale overeenkomsten van toepassing zijn.

Aangezien België geen soortgelijke uitzondering heeft gemaakt, moet [de eiseres] de vergoeding waarborgen van de schade uit verkeersongevallen die op Belgisch grondgebied zijn veroorzaakt door voertuigen die gewoonlijk in het buitenland zijn gestald, ook wanneer het militaire voertuigen betreft waarop internationale overeenkomsten van toepassing zijn.

De vordering tot schadevergoeding die [de eerste verweerder] heeft ingesteld op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989, is dus ontvankelijk en gegrond, in zoverre ze gericht is tegen [de eiseres]."

Grieven

Krachtens artikel 2 van de in het middel bedoelde richtlijn 72/166/EEG moeten de nationale bureaus van verzekeraars, waaronder de eiseres, een overeenkomst sluiten waarbij elk nationaal bureau de afwikkeling van ongevallen waarborgt die zich op zijn grondgebied hebben voorgedaan en zijn veroorzaakt door deelneming aan het verkeer van al dan niet verzekerde voertuigen die gewoonlijk op het grondgebied van een andere Lidstaat zijn gestald. Krachtens de artikelen 3 en 4 van dezelfde richtlijn treffen de Lidstaten de nodige maatregelen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt, maar kunnen ze hiervan afwijken ten aanzien van bepaalde natuurlijke personen of rechtspersonen en ten aanzien van bepaalde typen voertuigen of bepaalde voertuigen met een speciale kentekenplaat.

De artikelen 2 tot 5 van de in het middel bedoelde richtlijn 2009/103/EG van 16 september 2009, die richtlijn 72/166/EEG en andere richtlijnen betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven gecodificeerd heeft, bepalen hetzelfde.

De nationale bureaus van verzekeraars hebben overeenkomstig de principes van artikel 2, § 2, van richtlijn 72/166/EEG de "Overeenkomst tussen de bureaus van nationale verzekeraars van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte en andere geassocieerde staten" goedgekeurd die te Rethymno is gesloten op 30 mei 2002. Die overeenkomst is gevoegd bij de beschikking van de Commissie van 28 juli 2003 betreffende de toepassing van Richtlijn 72/166/EEG van de Raad wat betreft de controle op de verzekering tegen de aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven.

De bepalingen die de betrekkingen tussen de bureaus regelen zijn, krachtens die overeenkomst, in één enkele tekst gebundeld met de titel "Algemeen reglement van de raad van bureaus", dat is goedgekeurd op 30 mei 2002 en bij die overeenkomst is gevoegd.

Overeenkomstig de voormelde richtlijn 72/166/EEG zijn de nationale bureaus dus overeengekomen dat elk van hen de afwikkeling van ongevallen waarborgt die zich op zijn grondgebied hebben voorgedaan en die zijn veroorzaakt door deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op het grondgebied van een andere lidstaat zijn gestald. Die waarborg is dus beperkt tot de ongevallen die worden veroorzaakt door de deelneming aan het verkeer van "voertuigen die gewoonlijk op het grondgebied van een andere Lidstaat zijn gestald" (artikel 2 van richtlijn 72/166/EEG en artikel 2 van de voormelde richtlijn 2009/103/EG). Artikel 19bis-1 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen bepaalt ook dat "het nationaal bureau van verzekeraars, hierna het Belgisch Bureau genoemd", dus de eiseres, de opdracht heeft "de schade te vergoeden, in België veroorzaakt door motorrijtuigen die gewoonlijk in het buitenland gestald zijn".

De Lidstaten kunnen ten aanzien van bepaalde voertuigen niettemin afwijken van hun verplichting om de nodige maatregelen te nemen teneinde de wettelijke aansprakelijkheid betreffende de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op hun grondgebied gestald zijn, door een verzekering te dekken (artikel 4 van richtlijn 72/166/EEG en artikel 5 van richtlijn 2009/103/EG). Die voertuigen worden in dat geval niet beschouwd als voertuigen die gewoonlijk op het grondgebied zijn gestald en geven dus geen aanleiding tot de toepassing van de waarborg tot afwikkeling, zoals die door de bureaus moet worden nagekomen.

Zo is er een "lijst van uitzonderingen" gevoegd bij de "Overeenkomst tussen de bu-reaus van nationale verzekeraars van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte en andere geassocieerde staten" van 30 maart 2002. Die lijst preciseert:

"België: Voertuigen met tijdelijke kentekenplaten die betrokken zijn bij ongevallen welke meer dan twaalf maanden na de afloopdatum die op de tijdelijke kentekenplaten wordt vermeld, hebben plaatsgevonden.

[...] Denemarken (en de Faeröer): 1. Voertuigen met tijdelijke kentekenplaten die betrokken zijn bij ongevallen welke meer dan twaalf maanden na de afloopdatum die op de tijdelijke kentekenplaten wordt vermeld, hebben plaatsgevonden; 2. Militaire voertuigen waarop internationale overeenkomsten van toepassing zijn".

De eiseres voerde te dezen aan dat zij het schadegeval niet daadwerkelijk hoefde te vergoeden, aangezien het betrokken voertuig een Deens militair voertuig was waarop internationale overeenkomsten van toepassing waren, waardoor de verzekeringsverplichting hierop niet van toepassing was en bijgevolg uitgesloten was uit de waarborgregeling van de bureaus, die gegrond is op de "gewoonlijke stalling" van de voertuigen.

Het bestreden vonnis beslist dat er voor Denemarken weliswaar een uitzondering is gemaakt met betrekking tot de militaire voertuigen waarop internationale overeen-komsten van toepassing zijn, maar dat die uitzondering niet voor België is gemaakt. Volgens het bestreden vonnis moet de eiseres dus de vergoeding van de schade uit een verkeersongeval waarborgen dat zich in België heeft voorgedaan en dat is veroorzaakt door militaire voertuigen waarop internationale overeenkomsten van toepassing zijn en die gewoonlijk op het grondgebied van een andere Lidstaat, met inbegrip van het grondgebied van Denemarken, zijn gestald.

Het bestreden vonnis miskent zodoende de draagwijdte van de teksten betreffende de waarborgregeling van de schadegevallen tussen de nationale bureaus van verzekeraars. De door de nationale bureaus bepaalde uitzonderingen sluiten immers bepaalde voertuigen uit van de categorie "voertuigen die gewoonlijk gestald zijn" op hun grondgebied en waarop hun waarborg net van toepassing is. Aangezien die voertuigen zijn uitgesloten van de categorie van voertuigen die gewoonlijk zijn gestald op het grondgebied van de Lidstaat waarvoor die uitzondering geldt, geven ze geen aanleiding tot schadevergoeding door de nationale bureaus wanneer ze betrokken zijn in verkeersongevallen op het grondgebied van een andere Lidstaat.

Denemarken heeft de "militaire voertuigen waarop internationale overeenkomsten van toepassing zijn" uitgesloten, waardoor het die categorie van voertuigen heeft uitgesloten van die welke gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald en heeft dus uitgesloten dat de nationale bureaus hun waarborg moeten verlenen voor de schadegevallen waarin die voertuigen betrokken zijn.

Het bestreden vonnis heeft de eiseres dus niet kunnen verplichten de schade te ver-goeden die voortvloeit uit het litigieuze ongeval, waarin een Deens militair voertuig is betrokken waarop internationale overeenkomsten van toepassing zijn, terwijl die voertuigen net uitgesloten worden van de categorie van voertuigen die gewoonlijk zijn gestald op het grondgebied van Denemarken en aanleiding geven tot dekking door de nationale bureaus overeenkomstig artikel 2 van richtlijn 2009/103/EG, artikel 2 van richtlijn 72/166/EEG en de overeenkomst die krachtens de laatstgenoemde richtlijn is gesloten "tussen de bureaus van nationale verzekeraars van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte en andere geassocieerde staten" (schending van de in het middel bedoelde artikelen 2, § 2, en 19bis-1 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, artikelen 2, 3 en 4 van richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deel-neming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, artikelen 2 tot 5 van richtlijn 2009/103/EG van 16 september 2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, en artikel 2 van het koninklijk besluit van 13 februari 1991 houdende de inwerkingtreding en uitvoering van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen).

Het bestreden vonnis miskent daarenboven de bewoordingen van de "Overeenkomst tussen de bureaus van nationale verzekeraars van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte en andere geassocieerde staten" van 30 mei 2002, van het "Algemeen reglement van de raad van bureaus" van 30 mei 2002 en van de daarbij gevoegde "lijst van uitzonderingen". Volgens die overeenkomsten zijn de aldus door de Lidstaten gemaakte uitzonderingen immers uitzonderingen op de categorie van voertuigen die gewoonlijk gestald zijn op het grondgebied van de Lidstaat die de voormelde uitzondering heeft ingevoerd en kunnen ze bijgevolg geen aanleiding geven tot de toepassing van de waarborg tussen de nationale bureaus van verzekeraars. Het bestreden vonnis schendt derhalve die overeenkomsten wanneer het beslist dat de uitzondering die Denemarken maakt voor de militaire voertuigen waarop internationale overeenkomsten van toepassing zijn, niet uitsloot dat de eiseres haar waarborg moest verlenen voor de schadegevallen die zich in België hebben voorgedaan en die zijn veroorzaakt door de deelneming aan het verkeer van die Deense voertuigen (schending van de artikelen 1134 en 1156 tot 1164 van het Burgerlijk Wetboek). Het geeft bovendien aan die akten, en in het bijzonder aan de "lijst van uitzonderingen", een draagwijdte die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan door hieraan niet de uitzondering te willen toekennen die erin vervat is (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burger-lijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het door het openbaar ministerie tegen het cassatieberoep overeenkomstig artikel 1097 van het Gerechtelijk Wetboek opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid: het cassatieberoep is, in zoverre gericht tegen de tweede verweerder, niet ontvankelijk bij gebrek aan belang :

Het enige middel dat de eiser aanvoert tot staving van zijn cassatieberoep, oefent geen kritiek uit op de beslissing van het arrest waarbij de door de eiser tegen de tweede verweerder ingestelde vordering tot vrijwaring niet-gegrond wordt ver-klaard.

De vernietiging waartoe dat middel zou kunnen leiden, zou geen gevolgen hebben voor die beslissing.

Het middel van niet-ontvankelijkheid is gegrond.

Middel

1. Krachtens artikel 2.2 van richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten betref-fende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de ver-zekering tegen deze aansprakelijkheid, waarborgt elk nationaal bureau de afwik-keling van ongevallen die zich op zijn grondgebied hebben voorgedaan en die zijn veroorzaakt door deelneming aan het verkeer van al dan niet verzekerde voertui-gen die gewoonlijk op het grondgebied van een andere Lidstaat zijn gestald, over-eenkomstig de eigen nationale wetgeving betreffende de verplichte verzekering.

Artikel 3.1 van dezelfde richtlijn bepaalt dat iedere Lidstaat, onverminderd de toepassing van artikel 4, de nodige maatregelen treft opdat de wettelijke aanspra-kelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt.

Krachtens artikel 4, a), van die richtlijn, zoals ze is gewijzigd bij richtlijn 2005/14/EG van 11 mei 2005, kan iedere Lidstaat van de bepalingen van artikel 3 afwijken ten aanzien van publiekrechtelijke of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen, van wie door deze Staat een lijst wordt opgemaakt, die aan de an-dere Lidstaten en aan de Commissie wordt toegezonden.

De Lidstaat die aldus die afwijking bepaalt, neemt de nodige maatregelen ter ver-zekering van de schadeloosstelling van de schade, op het grondgebied van de an-dere Lidstaten door aan deze personen toebehorende voertuigen veroorzaakt. Die Staat wijst met name de instantie of het lichaam aan in het land waar het ongeval heeft plaatsgevonden die, of dat, overeenkomstig de wettelijke voorschriften van deze Staat, is belast met de schadeloosstelling van de benadeelden, in het geval dat de in artikel 2.2 bedoelde procedure niet van toepassing is.

2. Krachtens artikel 2, § 2, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen worden motorrij-tuigen die gewoonlijk in het buitenland zijn gestald ook tot het verkeer in België toegelaten, mits een bureau, daartoe erkend of opgericht op grond van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zelf tegen-over de benadeelden de verplichtingen op zich neemt de schade, door de motorrij-tuigen in België toegebracht, overeenkomstig de bepalingen van deze wet te ver-goeden.

Luidens artikel 1, a), van het koninklijk besluit van 13 februari 1991 houdende de inwerkingtreding en uitvoering van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, worden, voor de uitvoering van de voormelde wet, de tijdelijk ingevoerde motorrijtuigen, andere dan bromfietsen die niet zijn voorzien van een in België afgegeven kentekenplaat, geacht gewoonlijk in het buitenland te zijn gestald.

Volgens artikel 2, tweede lid, van hetzelfde koninklijk besluit worden de motorrij-tuigen die gewoonlijk gestald zijn op het grondgebied van de daarin vermelde Sta-ten, waaronder Denemarken, zonder internationaal verzekeringsbewijs tot het ver-keer in België toegelaten.

3. Krachtens artikel 11 van de wet van 21 november 1989 zijn de motorrijtui-gen die gewoonlijk zijn gestald buiten het Belgisch grondgebied vrijgesteld van de toepassing van artikel 2, wanneer zij in het bezit zijn van een verklaring afgegeven door de regering van een andere Staat, waaruit blijkt dat het rijtuig aan die Staat toebehoort en wanneer in die verklaring de autoriteit of de instelling wordt aangewezen die belast is met de vergoeding van de schade overeenkomstig de Belgische wet en die volgens die wet gedagvaard kan worden voor de bevoegde rechter.

4. Uit die bepalingen volgt dat, wanneer is aangetoond dat het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt in een van de in artikel 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 13 februari 1991 vermelde Staten is gestald, maar een voertuig betreft waarvoor de Staat van oorsprong heeft afgeweken van de verplichting tot verzekering van de wettelijke aansprakelijkheid, het in artikel 2 van de wet van 21 november 1989 bedoelde bureau de benadeelde dient te vergoeden, behalve wanneer de Staat die dat voertuig van een kentekenplaat heeft voorzien, in België een autoriteit of een instelling heeft aangewezen die met die vergoeding is belast.

5. Het middel, dat geheel berust op de bewering dat de beslissing van Dene-marken om van de verzekeringsverplichting af te wijken voor de militaire voer-tuigen waarop internationale overeenkomsten van toepassing zijn, op zich vol-doende is om de eiseres te ontslaan van haar verplichting om de slachtoffers van een verkeersongeval te vergoeden dat zich op het Belgische grondgebied heeft voorgedaan en dat is veroorzaakt door een Deens militair voertuig, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Alain Simon, Michel Lemal en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 13 september 2013 uit-gesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Antoine Lievens en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Gemis aan belang

  • Middel van niet-ontvankelijkheid

  • Middel dat geen verband houdt met het dictum betreffende de tweede verweerder