- Arrest van 13 september 2013

13/09/2013 - C120422F-C120606F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van advocaat-generaal Werquin.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0422.F

ASSOCIATION DES COPROPRIETAIRES DE LA RESIDENCE PICAS-SO,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. SOCIÉTÉ DE PROMOTION ET D'INVESTISSEMENT, afgekort SO-PRINVEST nv,

2. J.-G. R.,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

ten aanzien van

1. G. T.,

2. M. B.,

3. S. D.,

4. K. H.,

5. B. M.,

AR C.12.0606.F

1. SOCIÉTÉ DE PROMOTION ET D'INVESTISSEMENT sa, (SOPRIN-VEST sa),

2. J.-G. R.,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. ASSOCIATION DES COPROPRIÉTAIRES DE LA RÉSIDENCE PICASSO,

2. G. T.,

3. M. B.,

4.. S. D.,

5. B. M.,

6. K. H.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 2 februari 2012.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft op 28 juni 2013 een conclusie neerge-legd ter griffie.

Raadsheer Marie-Claire Ernotte heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Thierry Werquin heeft conclusie genomen.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert volgend middel aan tot staving van haar cassatieberoep dat op de algemene rol is ingeschreven onder nummer C.12.0422.F :

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 517 tot 526, 543, 544, 552, 553 tot 555, 577-2, 577-3 en 577-4 tot 577-14 van het Burgerlijk Wetboek, zowel, wat de laatstgenoemde artikelen betreft, in de versie van vóór de wet van 30 juni 1994 tot wijziging en aanvulling van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende de mede-eigendom als in de versie van na die wet;

- artikel 1 van de wet van 10 januari 1824 over het recht van opstal;

- algemeen rechtsbeginsel van de numerus clausus van de zakelijke rechten, zoals het met name en voor zover nodig, is neergelegd in artikel 543 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest bevestigt het beroepen vonnis, in zoverre het voor recht zegt dat de achttien buitenparkeerplaatsen privatieve gedeelten zijn, op de volgende gronden :

"D. Gegrondheid van de hogere beroepen

Hoofdberoep

Volgens de [mede-eigenaars en de eiseres] zijn de [verweerders] niet de eigenaars van de litigieuze parkeerplaatsen.

Zij betogen subsidiair dat, als de parkeerplaatsen beschouwd moeten worden als individuele goederen, zij onverdeeld aan de mede-eigenaars toebehoren.

Meer subsidiair zou de basisakte in die zin uitgelegd moeten worden dat de gedeel-ten van het gebouw voor gemeenschappelijk gebruik moeten worden geacht gemeenschappelijk te zijn.

1. Analyse van de basisakte

De [mede-eigenaars en de eiseres] wijzen erop dat de litigieuze parkeerplaatsen, in de op de hypotheekbewaring overgeschreven basisakte, én als gemeenschappelijk gedeelte én als privatief gedeelte omschreven worden.

Het exemplaar van de basisakte van 17 februari 1993, dat op 12 maart 1993 is overgeschreven, bepaalt in de beschrijving van het inplantingsplan van het gebouw en de directe omgeving (hoofdstuk II van het reglement van mede-eigendom, afdeling 1, p. 15), dat volgende privatieve gedeelten kunnen worden onderscheiden:

- achttien (18) buitenparkeerplaatsen, met elk:

a) in privatieve en exclusieve eigendom: de ruimte van de parkeerplaats, zoals ze op de grond zal worden afgebakend met verflijnen of enig ander markeringsmiddel;

b) in gedwongen mede-eigendom en onverdeeldheid: geen enkel onverdeeld aandeel in de gemeenschappelijke gedeelten, waaronder de grond.

Uit die tekst volgt duidelijk dat de achttien parkeerplaatsen privatieve gedeelten zijn.

In afdeling 4, gemeenschappelijke gedeelten, wordt in punt 8° (p. 47) echter vermeld:

‘De buitenparkeerplaatsen, de grasperken en de beplantingen gelegen in de directe omgeving van het gebouw, zijn gemeenschappelijk.

De mede-eigendom zorgt voor het onderhoud ervan'.

De [mede-eigenaars en de eiseres] beroepen zich daarenboven op een ander exemplaar van de basisakte waarin, in hetzelfde hoofdstuk II van het reglement van mede-eigendom, afdeling 1, in de beschrijving van het inplantingsplan van het gebouw en de directe omgeving, het volgende wordt vermeld:

‘Volgende gemeenschappelijke gedeelten kunnen met name worden onderscheiden: [...] achttien (18) buitenparkeerplaatsen'.

Die verschillen zijn te verklaren doordat de eerste versie van de basisakte van 17 februari 1993, waarin was bepaald dat de buitenparkeerplaatsen gemeenschappelijk waren, is gewijzigd.

Niettemin zijn bepaalde bedingen van de op de hypotheekbewaring overgeschreven basisakte tegenstrijdig, aangezien de buitenparkeerplaatsen tegelijkertijd als gemeenschappelijk gedeelte (p. 47) en als privatief gedeelte (p. 15 en 42) worden aangemerkt.

Wanneer, in een overeenkomst, een beding voor tweeërlei zin vatbaar is, moet men het veeleer opvatten in de zin waarin het enig gevolg kan hebben (artikel 1157 van het Burgerlijk Wetboek).

Het hof [van beroep] wijst er allereerst op dat elke verkoopscompromis die de [verweerders] overleggen, vermeldt dat de verkoper, in het gebouw van de Résidence Picasso, een appartement verkoopt met een kelder en een ondergrondse parkeerplaats.

Nergens wordt melding gemaakt van het feit dat er tegelijkertijd een bui-tenparkeerplaats wordt verkocht; die plaatsen blijven de eigendom van de pro-jectontwikkelaar-verkoper.

Aangezien de basisakte en de koopakten van de appartementen elkaar niet tegenspreken, is het vermoeden van (het oude) artikel 577-3 van het Burgerlijk Wetboek, luidens hetwelk bij tegenstrijdigheid tussen titels, de gedeelten van ge-bouwen of gronden die tot het gebruik van alle mede-eigenaars of van enkelen onder hen bestemd zijn, geacht gemeenschappelijk te zijn, te dezen niet van toe-passing.

Om iedere twijfel weg te nemen over de vraag of die parkeerplaatsen al dan niet privatieve gedeelten zijn, heeft de instrumenterende notaris op 17 juni 2005 het volgende geschreven aan de vereniging van mede-eigenaars: ‘U zal, na het lezen van bladzijde 15, begrijpen wat er tijdens de ondertekening van de akte is gewijzigd. Bij het ondertekenen van de basisakte heeft de vennootschap Astrid Property Holdings IBV ons immers erop gewezen [...] dat de buitenparkeerplaatsen niet waren aangemerkt als gemeenschappelijke (lees : privatieve) gedeelten maar als privatieve (lees : gemeenschappelijke) gedeelten. Dat verklaart dus waarom de akte tijdens het lezen ervan werd verbeterd. Zo sommige mede-eigenaars in het bezit zijn van een andere tekst, gaat het hoogstwaarschijnlijk om een ontwerpakte en niet om een kopie van de ondertekende en naar behoren geregistreerde basisakte'.

Bij die brief waren de bladzijden van de minuut gevoegd met de wijzigingen betreffende het privatieve karakter van de buitenparkeerplaatsen.

Uit die brief kan worden afgeleid dat, ten eerste, het stuk waarop de mede-eigenaars zich beroepen een ontwerpakte is waarmee geen rekening kan worden gehouden bij het beantwoorden van de vraag of de buitenparkeerplaatsen privatieve dan wel gemeenschappelijke gedeelten zijn, en, ten tweede, dat ze beschouwd moeten worden als privatieve gedeelten (p. 15 en 42 van de basisakte) [en dat er, door onachtzaamheid, werd vergeten om punt 8° van bladzijde 47 van de basisakte] in overeenstemming te brengen met bladzijde 15.

Uit de minuut van bladzijde 15 van de basisakte blijkt ondubbelzinnig dat de achttien buitenparkeerplaatsen zijn geschrapt van de lijst van gemeenschappelijke gedeelten en in handschrift werden toegevoegd aan de privatieve gedeelten.

De verbeteringen van de andere bedingen van de basisakte, met als doel ze in overeenstemming te brengen met de wijziging op bladzijde 15, bevestigen op ondubbelzinnige wijze dat de buitenparkeerplaatsen privatieve gedeelten zijn en dat de projectontwikkelaar ze ook die bestemming heeft willen geven.

De instrumenterende notaris bevestigt dat die verbeteringen zijn aangebracht op de dag zelf van het ondertekenen van de basisakte, op 17 februari 1993, zodat de door [de eiseres] zeer subsidiair ingestelde vordering tot onderzoek niet ter zake dienend lijkt.

In tegenstelling tot wat [de eiseres] beweert, dienden de wijzigingen van de basisakte niet door een algemene vergadering te worden goedgekeurd, aangezien de enige comparant bij de basisakte de naamloze vennootschap Astrid Property Holdings was, die het initiatief heeft genomen om het op te richten gebouw en de grond onder een stelsel van mede-eigendom te plaatsen en die de voorwaarden daarvan heeft vastgesteld.

De comparante bij de basisakte, de vennootschap Astrid Holdings, wilde die parkeerplaatsen dus wel degelijk als privatieve gedeelten aanmerken.

Uit de vergelijking van het geheel van de akten en stukken kan geen enkele andere uitlegging worden afgeleid.

Die uitlegging komt overeen met die welke de instrumenterende notaris reeds had gegeven in een brief van 11 juni 2004 aan de raadsman van [de verweerster].

De enige basisakte die voor de partijen bindend is - en erga omnes geldt - is die van 17 februari 1993, die dezelfde dag is gewijzigd en op 12 maart 1993 is overgeschreven, en die bepaalt dat de achttien buitenparkeerplaatsen privatieve gedeelten zijn.

De [mede-eigenaars en de eiseres] beweren ten onrechte dat die basisakte hen niet kan worden tegengeworpen.

De aldus gewijzigde basisakte van 17 februari 1993 werd overgeschreven vóór de ondertekening van de voorlopige koopovereenkomsten die ernaar verwijzen (behalve die welke werd gesloten met de heer D. op 10 maart 1993) en kon dus, a fortiori, bij het verlijden van de koopakten van de appartementen aan alle eigenaars worden tegengeworpen.

Artikel 7 van de wet-Breyne van 9 juli 1971, die van toepassing is op de verkoop van de voormelde appartementen, bepaalt echter dat de koopovereenkomsten, op straffe van nietigheid, een afschrift van de in authentieke vorm opgemaakte basisakte en van het reglement van mede-eigendom moeten bevatten.

De mede-eigenaars kunnen dus niet beweren dat zij bij het verlijden van de koopakte een ander exemplaar van de basisakte dan de overgeschreven akte hebben ontvangen.

De kopers die een goed in de mede-eigendom van de Résidence Picasso hebben gekocht, hebben zodoende ingestemd met de basisakte, waarvan de naar behoren overgeschreven authentieke akte de enige akte is die in het contractuele veld is getreden en de rechten en verplichtingen van de projectontwikkelaar en de kopers vaststelt.

De bewering van de vijf betrokken mede-eigenaars volgens welke het ontwerp van basisakte nog met het oog op de verkoop van de appartementen werd verspreid na 12 maart 1993, wordt door geen enkel gegeven uit het dossier gestaafd.

Het feit aan van de parkeerplaatsen geen enkel aandeel in onverdeelde mede-eigendom is verbonden, belet niet dat ze als privatieve gedeelten worden aangemerkt of dat de oppervlakte van die plaatsen (de grond) een gemeenschappelijk goed blijft.

2. Het eigendomsrecht aan de zijde van de [verweerders]

De [mede-eigenaars en de eiseres] voeren aan dat de [verweerders] niet over een eigendomsrecht beschikken maar over een recht van genot op een goed dat anderen toebehoort, te dezen een grond dat de mede-eigenaars van de Résidence Picasso onverdeeld toebehoort.

Ze baseren zich op de basisakte, hoofdstuk II (reglement van mede-eigendom), afdeling 1, waarin, in de beschrijving van het inplantingsplan van het gebouw en de directe omgeving, de volgende privatieve gedeelten worden opgesomd :

- achttien (18) buitenparkeerplaatsen, met elk:

a) in privatieve en exclusieve eigendom: de ruimte van de parkeerplaats, zoals ze op de grond zal worden afgebakend met verflijnen of enig ander markeringsmiddel;

b) in gedwongen mede-eigendom en onverdeeldheid : geen enkel onverdeeld aandeel in de gemeenschappelijke gedeelten, waaronder de grond.

Zij baseren zich ook op een brief van de instrumenterende notaris van 20 april 2004, waarin hij het volgende toelicht:

‘Het spreekt dus voor zich dat de ruimte van de buitenparkeerplaatsen een gemeenschappelijke zaak blijven.

Het belangrijkste recht dat verbonden is aan de eigendom van die parkeerplaatsen, dat wil zeggen het recht op het genot van die plaatsen, is daarentegen privatief (...).

Het valt echter te betreuren dat er in de opsomming van die tekst gebruik is gemaakt van het begrip "ruimte van de parkeerplaatsen" ("assiette d'emplacements de parking"). "Afbakening" was als begrip wenselijker geweest, aangezien de ruimte (grond) zelf gemeenschappelijk is gebleven'.

In tegenstelling tot wat de [mede-eigenaars en de eiseres] beweren, volgt uit de overgeschreven basisakte, hoofdstuk II, afdeling 1, en uit de brief van de notaris dat de buitenparkeerplaatsen als privatieve gedeelten moeten worden beschouwd.

Het begrip ‘ruimte' ('assiette') moet in dit geval worden begrepen als de afbakening van de buitenparkeerplaatsen, met andere woorden de ruimte waarbinnen de parkeerplaatsen zich bevinden.

De eigenlijke ruimte van de parkeerplaatsen, dat wil zeggen de grond, het bodemoppervlak, blijft een gemeenschappelijk gedeelte.

De grond waarop het gebouw is opgetrokken wordt, naargelang van de verkoop van een privatieve kavel, de onverdeelde mede-eigendom van de mede-eigenaars, waarbij elke overdracht leidt tot de afstand, door een mede-eigenaar ten voordele van de andere mede-eigenaars, van onroerende rechten van natrekking van de aandelen grond en van dezelfde rechten voor al wat geen betrekking heeft op de privatieve kavels, met de daarbij horende aandelen in de gemeenschappelijke gedeelten van het goed.

Het eigendomsrecht van de buitenparkeerplaatsen werd (tot in 2004) echter niet overgedragen en blijft de eigendom van de projectontwikkelaar-verkoper.

De [mede-eigenaars en de eiseres] baseren zich ook tevergeefs op een ander fragment uit de brief van de instrumenterende notaris van 20 april 2004, waarin hij preciseert dat ‘de bouwmeester het destijds wenselijk heeft geacht het eigendomsrecht aan bepaalde beperkingen te onderwerpen, wat verklaart waarom de vereniging van mede-eigenaars zeggenschap heeft over het gebruik, het onderhoud van en de toegang tot (de parkeerplaatsen)', om daaruit af te leiden dat de projectontwikkelaar de parkeerplaatsen niet in volle eigendom heeft willen overdragen aan een derde, wat in dat geval de eigendom zou hebben uitgehold.

Hoewel de vennootschap Astrid Property Holdings, die de houder was van het eigendomsrecht op de buitenparkeerplaatsen, hierover naar eigen goeddunken kan beschikken, kunnen haar - overeenkomstig de basisakte - bepaalde verplichtingen worden opgelegd teneinde de goede verstandhouding binnen de mede-eigendom in stand te houden, inzonderheid de zeggenschap van de vereniging van mede-eigenaars over de toegang tot, het gebruik en het onderhoud van de par-keerplaatsen rond het gebouw.

Die beperking van het eigendomsrecht belet de projectontwikkelaar evenwel niet de litigieuze parkeerplaatsen te verkopen.

De vennootschap Astrid Property Holdings beschikte niet alleen over een genotsrecht maar was wel degelijk de eigenaar van die parkeerplaatsen en heeft ze rechtsgeldig kunnen verkopen aan [de verweerster], die ze heeft doorverkocht [aan de verweerder]".

Grieven

Het arrest beslist dat de litigieuze parkeerplaatsen de eigendom zijn van de verweerders, op grond van een uitgebreide analyse van de basisakte en van de door de partijen overgelegde gegevens, en besluit daaruit dat die parkeerplaatsen deel uitmaken van de privatieve gedeelten in de basisakte.

Bij de behandeling van de vraag of de verweerders over een eigendomsrecht beschikken, preciseert en stelt het arrest met name het volgende vast :

- het begrip "ruimte" ("assiette") in de basisakte moet worden begrepen als de afbakening van de buitenparkeerplaatsen, met andere woorden de ruimte waarbinnen de parkeerplaatsen zich bevinden,

- de eigenlijke ruimte van de parkeerplaatsen, dat wil zeggen het bodemoppervlak, blijft gemeenschappelijk.

(...)

Derde onderdeel

Het arrest stelt vast dat de verweerders de eigenaars van de litigieuze parkeerplaatsen zijn, op grond, enerzijds, dat het begrip "ruimte" ("assiette") in de basisakte begrepen moet worden als "de afbakening van de buitenparkeerplaatsen, met andere woorden de ruimte waarbinnen de parkeerplaatsen zich bevinden" en, anderzijds, dat de eigenlijke ruimte van de parkeerplaatsen, dat wil zeggen het bodemoppervlak, een gemeenschappelijk gedeelte blijft.

Het arrest erkent zodoende het bestaan van een privatief eigendomsrecht op een open ruimte die sommigen toebehoort en die gelegen is boven de grond van de parkeerplaatsen die anderen toebehoren.

Een privaat eigendomsrecht op een open ruimte bestaat niet, aangezien de eigendom van de grond, krachtens artikel 552 van het Burgerlijk Wetboek, de ei-gendom van hetgeen op en onder de grond is in zich bevat. De eigenaar van de grond is dus de eigenaar van de ruimte die zich boven die grond bevindt.

Hoewel men krachtens de artikelen 553 tot 555 van het Burgerlijk Wetboek in bepaalde omstandigheden eigenaar kan zijn van bepaalde onroerende stoffelijke goederen op de grond van derden, is een open ruimte geen lichamelijk onroerend goed in de zin van de artikelen 517 tot 525 van dat wetboek of van artikel 1 van de wet van 10 januari 1824.

Het arrest, dat beslist dat de grond een gemeenschappelijk gedeelte is dat de eiseres toebehoort, heeft niet naar recht kunnen beslissen dat de ruimte die zich boven die grond bevindt, waarbinnen de parkeerplaatsen zich zouden bevinden, aan de verweerders toebehoorde.

Het arrest, dat zijn beslissing met de bekritiseerde redenen verantwoordt, schendt de in het middel bedoelde artikelen, met uitzondering van artikel 149 van de Grondwet. Het miskent meer bepaald:

- het wettelijk begrip eigendomsrecht (artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek);

- de begrippen onroerende goederen, en daarenboven ook de begrippen roerende goederen (artikelen 517 en volgende van het Burgerlijk Wetboek);

- het begrip en het stelsel van de mede-eigendom, in het bijzonder de gedwongen mede-eigendom van gebouwen (artikelen 577-2 en 577-3 van het Burgerlijk Wetboek; artikelen 577-4 tot 577-14 betreffende de regeling van de gedwongen mede-eigendom, zowel in de versie van vóór de wet van 30 juni 1994 tot wijziging en aanvulling van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende de mede-eigendom als in de versie van na die wet);

- het begrip en het stelsel van het recht van opstal (artikel 1 van de wet van 10 januari 1824) ;

- en, derhalve, ook het algemeen rechtsbeginsel van de numerus clausus van de zakelijke rechten, zoals het met name, en voor zover nodig, is vastgelegd in artikel 543 van het Burgerlijk Wetboek en het schendt bijgevolg ook dat artikel, daar ze uitsluiten dat er een ander zakelijk recht - te dezen een privatieve eigendom - kan worden ingevoerd dan die welke bij wet zijn ingevoerd en toegestaan, en op een ander soort goederen dan die welke bij wet zijn ingevoerd en toegestaan, te dezen een zakelijk recht op een open ruimte in de lucht.

In het cassatieberoep dat op de algemene rol is ingeschreven onder het nummer C.12.0606.F voeren de eisers in het verzoekschrift waarvan een eensluidend ver-klaart afschrift aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

De cassatieberoepen zijn gericht tegen hetzelfde arrest. Er bestaat grond tot voe-ging.

Cassatieberoep dat op de algemene rol is ingeschreven onder nummer C.12.0422.F

Middel

Derde onderdeel

Artikel 552, eerste en tweede lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de eigendom van de grond de eigendom van hetgeen op en onder de grond is in zich bevat en dat de eigenaar, behoudens de in de titel Erfdienstbaarheden gestelde uitzonderin-gen, op de grond naar goeddunken mag planten en bouwen.

Volgens artikel 553 van hetzelfde wetboek worden alle gebouwen, beplantingen en werken op de grond van een erf vermoed door de eigenaar, op zijn kosten, tot stand te zijn gebracht en hem toe te behoren. Krachtens artikel 1 van de wet van 10 januari 1824 over het recht van opstal kan een zakelijk recht worden toegekend dat bestaat in de eigendom van gebouwen, werken of beplantingen op een aan een ander toebehorende grond.

Uit de voormelde bepalingen volgt dat een onroerend eigendomsrecht, dat niet samenvalt met de eigendom van de grond, alleen betrekking kan hebben op ge-bouwen, werken en beplantingen.

Een open ruimte boven de grond die slechts met verflijnen of enig ander marke-ringsmiddel is afgebakend, kan niet met dergelijke werken worden gelijkgesteld.

Het arrest, dat erop wijst dat, enerzijds, "de eigenlijke ruimte van de parkeerplaat-sen, dat wil zeggen de grond, het bodemoppervlak, blijft een gemeenschappelijk gedeelte" en dat, anderzijds, "de buitenparkeerplaatsen als privatieve gedeelten moeten worden beschouwd" die overeenstemmen met "de ruimte waarbinnen de parkeerplaatsen zich bevinden" en die door een grondmarkering zijn afgebakend, oordeelt dat het eigendomsrecht op de litigieuze plaatsen die de promotor- zich in de basisakte heeft voorbehouden, betrekking heeft, niet op werken, maar op een open ruimte die gelegen is boven de grond die de mede-eigenaars onverdeeld toe-behoort.

Het arrest, dat aan de verweerders een eigendomsrecht toekent dat slechts betrek-king heeft op een open ruimte die gelegen is boven een grond die anderen toebe-hoort, schendt de voormelde wettelijke bepalingen.

Het onderdeel is gegrond.

De eiseres heeft daarenboven belang erbij dat dit arrest bindend wordt verklaard ten aanzien van de daartoe voor het Hof opgeroepen partijen.

(...)

Dictum

Het Hof

Voegt de cassatieberoepen die op de algemene rol zijn ingeschreven onder de nummers C.12.0422.F en C.12.0606.F.

Vernietigt het bestreden arrest.

Verklaart dit arrest bindend ten aanzien van G.T., M.B., S.D., B.M. en K.H.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Verwerpt het cassatieberoep dat op de algemene rol is ingeschreven onder nummer C.12.0606.F.

Houdt de kosten van de twee cassatieberoepen aan en laat de beslissing daarom-trent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Alain Simon, Michel Lemal Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 13 september 2013 uitge-sproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Bart Wylleman en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Onroerend eigendomsrecht dat niet samenvalt met de eigendom van de grond

  • Voorwerp

  • Gebouwen, werken en beplantingen