- Arrest van 16 september 2013

16/09/2013 - C.12.0032.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een nieuwe wet wordt in de regel niet enkel toegepast op situaties die ontstaan vanaf haar inwerkingtreding maar ook op de gevolgen in de toekomst van situaties die onder de werking van de vroegere wet ontstaan zijn en zich onder de nieuwe wet voordoen of voortduren, voor zover er geen afbreuk wordt gedaan aan de reeds definitief vastgestelde rechten; bij overeenkomsten blijft echter de oude wet toepasselijk tenzij de nieuwe wet van openbare orde of van dwingend recht is, of als zij uitdrukkelijk de toepassing op de lopende overeenkomsten bepaalt (1). (1) Cass. 18 maart 2011, AR C.10.0015.N, AC 2011, nr. 212.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0032.F

ALLIANZ BELGIUM nv,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. M. K.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. ARCELORMITTAL BELGIUM nv,

Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 6 september 2011.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 31 juli 2013 naar de derde kamer verwezen.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan die luiden als volgt:

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 2, 6, 1131, 1133 en 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek ;

- de artikelen 12 en 23 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen;

- artikel 4 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen;

- algemeen rechtsbeginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten en regelgevende besluiten.

Aangevochten beslissingen

Het arrest stelt, enerzijds vast dat de eerste verweerster sinds 14 maart 1983 tewerkgesteld was bij de vennootschap Phoenix Works, in wiens rechten de tweede verweerster getreden is, en aangesloten was bij een groepsverzekering van het type "invaliditeit" die de vennootschap Phoenix Works bij de eiseres had afgesloten en luidens welke "de prestaties uiterlijk tot de maand van de 60ste verjaardag van een vrouwelijke verzekerde of uiterlijk tot de maand van de 65ste verjaardag van een mannelijke verzekerde worden betaald" (artikel 6) en merkt anderzijds op dat "de eerste verweerster, als gevolg van een arbeidsongeval op 26 september 1991 door haar arbeidsongevallenverzekeraar, en door de eiseres, vergoed werd voor een gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid van 50 pct.", Het arrest dat vaststelt dat artikel 6 van de voornoemde groepsverzekeringsovereenkomst nietig is omdat het strijdig is met artikel 12 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen, zegt vervolgens voor recht dat "de eiseres aan de eerste verweerster een vergoeding uit overeenkomst moet betalen tot de maand van haar 65ste verjaardag en veroordeelt haar bijgevolg om, enerzijds, aan de eerste verweerster de maandelijkse schijven te betalen berekend vanaf 1 augustus 2010 tot de dag van het arrest, vermeerderd met de verwijlinterest tegen de wettelijke rentevoet vanaf elke datum van het respectievelijk verschuldigde, en, anderzijds, 650 euro morele schadevergoeding vermeerderd met de interest tegen de wettelijke rentevoet vanaf 1 augustus 2010".

Het steunt zijn beslissing op de motieven die op de pagina's 5 tot 7 zijn weergegeven en inzonderheid op de volgende overwegingen:

"De eerste verweerster voert de wet aan van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen, de zogeheten 'Genderwet', die discriminatie op grond van geslacht verbiedt.

Die wet is van toepassing op alle personen, zowel in de openbare als in de private sector, inzonderheid op het vlak van aanvullende regelingen voor sociale zekerheid, hetzij regelingen die tot doel hebben aan de werknemers of zelfstandigen uit een onderneming, een groep ondernemingen, een tak van de economie of een één of meer bedrijfstakken omvattende sector, prestaties te verstrekken in aanvulling op de prestaties uit hoofde van de wettelijke regelingen op het gebied van de sociale zekerheid of in de plaats daarvan (de artikelen 5, 16°, en 6, van de Genderwet).

De litigieuze overeenkomst valt binnen die definitie - de rente die de maatschappij betaald heeft is een aanvulling op de vergoeding die de arbeidsongevallenverzekering verschuldigd is.

Het non-discriminatiebeginsel heeft ook betrekking op de duur en het behoud van het recht op prestaties.

Artikel 12 van de wet van 10 mei 2007, dat in werking is getreden op 9 juni 2007, bepaalt dat een direct onderscheid op grond van geslacht, in de in artikel 6, § 1, 4°, bedoelde materies, hetzij de aanvullende regelingen van sociale zekerheid, en onverminderd paragraaf 2 van dit artikel en de artikelen 16, 17 en 18, een directe discriminatie vormt.

Volgens artikel 12, § 2, van de wet ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, vormt een direct onderscheid op grond van leeftijd weliswaar geen discriminatie, mits het niet leidt tot discriminatie op grond van geslacht (het hof van beroep kan zich niet aansluiten bij de uitlegging van de eiseres [...] die stelt dat 'de wetgever een aanpassing aanvaardt van de sociale prestaties in functie van de leeftijd en de mogelijke weerslag daarvan op het verzekerde risico; die discriminatie op grond van leeftijd mag echter niet uitsluitend in functie van een verschillend geslacht zijn'). Er is, te dezen, wel degelijk discriminatie op grond van het geslacht aangezien artikel 6 van de overeenkomst een verschillende leeftijdsgrens oplegt al naargelang de verzekerde een man of een vrouw is, zodat de Genderwet van toepassing is. Het maakt weinig uit of het onderscheid op grond van leeftijd naast die discriminatie op grond van het geslacht, ook steunt op een element als de duur van de loopbaan van de loontrekkende vrouwen.

Er moet worden nagegaan of de bepaling van artikel 6 van de overeenkomst, die de maatschappij heeft uitgevoerd tot juli 2010 op grond dat de eerste verweerster de door die bepaling vastgelegde leeftijd had bereikt, overeenstemt met de bepalingen van de Genderwet, die van openbare orde is en bijgevolg op de lopende overeenkomsten van toepassing is, ten minste voor hun toekomstige gevolgen. De werkgever heeft de litigieuze overeenkomst weliswaar in november 1994 beëindigd, maar de eiseres bleef gebonden door die overeenkomst die bij de inwerkingtreding van artikel 12 van de Genderwet nog steeds uitwerking had ten aanzien van de eerste verweerster; de eiseres is trouwens tot juli 2010 blijven storten.

Artikel 12 van de wet van 10 mei 2007 bepaalt dus dat voor de in artikel 6, § 1, 4°, bedoelde materies, dit zijn de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid, en onverminderd paragraaf 2 van dit artikel en de artikelen 16, 17 en 18, een direct onderscheid op grond van geslacht een directe discriminatie vormt.

Te dezen maakt artikel 6 van de overeenkomst een onderscheid op grond van het geslacht; dat onderscheid valt niet onder paragraaf 2 van artikel 12 van de wet - onderscheid op grond van levensverwachting; de litigieuze overeenkomst die een vergoeding toekent tot de leeftijd van 60 jaar voor vrouwen en 65 jaar voor mannen houdt geen rekening met de langere levensduur van vrouwen - noch onder de artikelen 16 (maatregel van positieve actie), 17 (zwangerschap en moederschap) en 18 (onderscheid opgelegd door een wet) van de wet.

Daaruit volgt dat het door artikel 6 van de overeenkomst ingevoerde onderscheid een discriminatie vormt in de zin van de wet.

Die bepaling is in zoverre, absoluut nietig en impliceert een gelijkschakeling met de categorie van bevoorrechte personen, zodat de eerste verweerster recht heeft op prestaties tot de maand van haar 65ste verjaardag. (...)

De vordering tot veroordeling van de maatschappij tot betaling van 650 euro morele schadevergoeding is gegrond (artikel 23 van de Genderwet).

De maatschappij voert het wederkerig karakter van de verzekeringsovereenkomst aan.

Op die grond voert zij aan dat ze, bij leven van de eiseres, vijf bijkomende jaren zou moeten betalen, terwijl het risico en de te betalen premies niet op die basis berekend werden, hetgeen het contractuele evenwicht verbreekt.

De begunstigde van de overeenkomst is niet de werkgever verzekeringnemer maar de eerste verweerster en als dusdanig is het probleem haar vreemd.

Zij voert ook aan dat de overeenkomst in november 1994 beëindigd werd zodat vanaf die datum geen enkele eenzijdige wijziging meer mogelijk was.

Dat doet er weinig toe; het beginsel van non-discriminatie is van openbare orde; het betreft een fundamenteel recht dat de inrichting van de maatschappij aanbelangt; de nietigheid is absoluut, gelet op het belang van de regel die de nietigheid wil beschermen; de wet van 10 mei 2007 is van toepassing op de huidige gevolgen van de overeenkomst waarvan de eerste verweerster de begunstigde is, niettegenstaande de verzekeringnemer, te weten de werkgever, en de maatschappij de overeenkomst beëindigd hebben».

Grieven

De wet van 10 mei 2007, die met name inzake aanvullende regelingen voor sociale zekerheid elk onderscheid verbiedt op grond van het geslacht (artikel 12, § 1) raakt de openbare orde en bestraft met absolute nietigheid de bedingen en akten die indruisen tegen het verbod op discriminatie (artikel 20). Zij is in werking getreden op de tiende dag na haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad (artikel 4 van de wet van 31 mei 1961).

Krachtens artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel bedoeld in de aanhef van het middel, is een nieuwe wet in de regel niet alleen van toepassing op situaties die ontstaan zijn na de inwerkingtreding ervan maar ook op de toekomstige gevolgen van situaties die onder de werking van de vroegere wet zijn ontstaan en die zich onder de nieuwe wet voordoen of blijven voortbestaan, voor zover zodoende geen afbreuk wordt gedaan aan reeds definitief vastgestelde rechten.

Bij overeenkomsten blijft de oude wet in de regel toepasselijk, behalve als de nieuwe wet van openbare orde of dwingend recht is.

In dat geval is de nieuwe wet van toepassing op de toekomstige gevolgen van de lopende overeenkomsten maar niet op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet definitief vastgestelde rechten, inzonderheid wanneer die rechten voortvloeien uit een overeenkomst die geëindigd is vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet (de artikelen 2, 6, 1131, 1133 en 1134, eerste lid, en het algemeen rechtsbeginsel bedoeld in de aanhef van het middel).

Uit de vaststellingen van het arrest volgt dat de eiseres het recht op een invaliditeitsrente tot de maand van haar zestigste verjaardag heeft verworven ten gevolge van een arbeidsongeval in 1991 en krachtens een groepsverzekeringsovereenkomst die haar werkgever met de eiseres in 1975 heeft gesloten en in 1994 is beëindigd.

Het arrest dat aldus vaststelt dat het recht uit overeenkomst van de eerste verweerster in 1991 was vastgesteld krachtens een groepsverzekeringsovereenkomst die was ontstaan en beëindigd vóór de inwerkingtreding van de wet van 10 mei 2007, kon niet wettig beslissen dat de rente, omdat die wet van openbare orde is, tot haar 65ste verjaardag moest worden betaald en bijgevolg evenmin de eiseres veroordelen tot een morele schadevergoeding van 650 euro op grond van artikel 23 van de wet van 10 mei 2007 (schending van de artikelen 2, 6, 1131, 1133 en 1134, eerste lid,, van het Burgerlijk Wetboek en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel bedoeld in de aanhef van het middel, en, voor zoveel nodig, schending van de artikelen 12 en 23 van de wet van 10 mei 2007 en 4 van de wet van 31 mei 1961).

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet ;

- de artikelen 744, 747, 748, 748bis, 807, 809 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek;

- het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging;

- het algemeen rechtsbeginsel van verbod van rechtsmisbruik.

Aangevochten beslissingen

Het arrest weert de door de eiseres neergelegde aanvullende en syntheseconclusie van 9 februari 2011 uit het debat in zoverre zij de veroordeling van de tweede verweerster vordert om de bijkomende financiële last te dragen van het eventueel bijkomende kapitaal dat aan de eerste verweerster verschuldigd is en de eiseres dus een bedrag te betalen dat overeenstemt met de hogere premies die zij had moeten betalen om voldoende kapitaal op te bouwen om aan de eerste verweerster de dekking van haar rente tot de leeftijd van 65 jaar te verzekeren. Die beslissing steunt op de volgende gronden:

"Op de rechtszitting van 26 april 2011 heeft de tweede verweerster gevraagd de conclusie te weren die de eiseres op 9 februari 2011 heeft neergelegd in zoverre die partij haar veroordeling vraagt tot het dragen van de bijkomende financiële last, op grond dat die veroordeling niet in voorgaande conclusies was gevorderd.

De eiseres heeft de tweede verweerster inderdaad in hoger beroep gedagvaard tot bindendverklaring van het arrest en vraagt pas in haar aanvullende- en syntheseconclusie van 9 februari 2011 dat voor recht wordt gezegd dat 'het eventueel bijkomende kapitaal dat aan de eerste verweerster verschuldigd is, volledig ten laste moet blijven van de tweede verweerster die in de rechten en plichten is getreden van de vroegere werkgever van de eerste verweerster; dat de tweede verweerster de bijkomende financiële last moet dragen en dus aan de eiseres een bedrag moet betalen dat overeenstemt met de hogere premies die dienden te worden betaald om voldoende kapitaal op te bouwen om aan de eerste verweerster de dekking van een rente - van een ongewijzigd nominaal bedrag - te verzekeren tot de leeftijd van 65 jaar'.

De eerbiediging van het recht van verdediging vereist dat die vordering, aldus verwoord in de conclusie van 9 februari 2011, uit het debat wordt geweerd, vermits de tweede verweerster hierop niet kon antwoorden, aangezien haar bij beschikking van het hof van beroep van 22 maart 2010 op grond van 747 van het Gerechtelijk Wetboek werd toegestaan, een aanvullende syntheseconclusie in te dienen uiterlijk op 15 december 2010, terwijl de eiseres zulk een conclusie uiterlijk op 15 februari 2011 mocht indienen".

Grieven

Enerzijds moeten de conclusies de middelen en de eisen van de partijen uiteenzetten (artikel 744 van het Gerechtelijk Wetboek). Anderzijds kunnen de partijen, binnen de begrenzingen van de wet, nieuwe tussenvorderingen instellen bij conclusies die ter griffie worden neergelegd (artikel 807 en 808 van het Gerechtelijk Wetboek).

Ten slotte volgt, noch uit artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek, noch uit het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging, dat een verwerende partij die als laatste mag concluderen, geen nieuwe tussenvordering mag opnemen, in haar laatste syntheseconclusie, die binnen de gestelde termijn ter griffie is neergelegd, (artikel 748bis van het Gerechtelijk Wetboek) noch nieuwe middelen mag aanvoeren.

Want in dat geval mag de andere partij, met toepassing van artikel 748, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, in combinatie met het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging, om een nieuwe conclusietermijn verzoeken of ervoor kiezen zich mondeling te verdedigen.

Een uitzondering op die beginselen die in de regel in hoger beroep van toepassing zijn (artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek), is weliswaar mogelijk als, wegens de bijzondere omstandigheden van de zaak, de vertraging bij het instellen van een nieuwe tussenvordering concreet het recht van verdediging schaadt van de partij waartegen zij gericht is (algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging) of nog, in geval van rechtsmisbruik (algemeen rechtsbeginsel van verbod van rechtsmisbruik), maar dan moet de rechter, die de volledige of gedeeltelijke conclusie van een partij weert, het bestaan vaststellen van een dergelijke concrete inbreuk op het recht van verdediging of van een dergelijk misbruik.

Het arrest dat vaststelt dat de eiseres haar laatste conclusie op 9 februari 2011 heeft neergelegd, vóór het verstrijken van de termijn waarover zij beschikte, mocht de tussenvordering van de eiseres in een regelmatig neergelegde conclusie niet weren louter op grond dat het recht van verdediging moet worden geëerbiedigd, daar de tweede verweerster " deze niet kon beantwoorden".

Aldus schendt het arrest alle bepalingen bedoeld in het middel en inzonderheid de artikelen 744, 747, 748bis, 807 en 809 van het Gerechtelijk Wetboek, aangezien geen enkele van die wetsbepalingen verbiedt een nieuwe tussenvordering in te stellen in een regelmatig neergelegde conclusie conform de kalender van de rechtspleging.

Het oordeelt overigens ten onrechte dat de tweede verweerster het recht ontzegd was over die vordering te concluderen aangezien zij krachtens artikel 748 van het Gerechtelijk Wetboek, in combinatie met het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging, een conclusietermijn kon vragen (schending van voornoemd artikel 748 van het Gerechtelijk Wetboek en miskenning van voornoemd algemeen rechtsbeginsel).

Het arrest dat nalaat in zijn redenen aan te geven waarom het recht van verdediging van de tweede verweerster daadwerkelijk zou zijn miskend wegens de bijzondere omstandigheden van de zaak of waarom de eiseres haar recht zou hebben misbruikt om een nieuwe tussenvordering in te stellen in haar laatste conclusie, staat het Hof althans niet toe zijn wettelijk toezicht uit te oefenen en is bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Een nieuwe wet wordt in de regel niet enkel toegepast op situaties die ontstaan vanaf haar inwerkingtreding maar ook op de toekomstige gevolgen van situaties die onder de werking van de vroegere wet ontstaan zijn die zich onder de nieuwe wet voordoen of voortduren, voor zover er geen afbreuk wordt gedaan aan reeds definitief vastgestelde rechten.

Bij overeenkomsten blijft echter de oude wet toepasselijk, behalve als de nieuwe wet van openbare orde of van dwingend recht is, of als zij uitdrukkelijk bepaalt op de lopende overeenkomsten van toepassing te zijn.

In de regel verbiedt de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tus-sen vrouwen en mannen, bij de artikelen 12, § 1, en 19, het onderscheid op grond van geslacht, inzonderheid, volgens artikel 6, § 1, 4°, en § 3, met betrekking tot de voorwaarden inzake duur en behoud van het recht op prestaties in de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid.

Die wet is op 9 juni 2007 in werking getreden.

Het arrest stelt vast dat :

- de eerste verweerster ten gevolge van een arbeidsongeval in 1991 uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid heeft ontvangen krachtens een groepsverzeke-ringsovereenkomst gesloten tussen een verzekeraar, die door de eiseres is op-gevolgd, en haar werkgever in wiens rechten en plichten de tweede verweerster is getreden;

- artikel 6 van die overeenkomst bepaalt dat "de prestaties uiterlijk tot de maand van de 60ste verjaardag van een vrouwelijke verzekerde of uiterlijk tot de maand van de 65ste verjaardag van een mannelijke verzekerde moeten worden betaald";

- de groepsverzekeringsovereenkomst in 1994 eindigde en de eiseres de uitke-ringen is blijven betalen en heeft beslist dat te doen tot de zestigste verjaardag van de eerste verweerster, in juli 2010;

- laatstgenoemde de eiseres in 2008 heeft gedagvaard tot het betalen van uitke-ringen tot haar vijfenzestigste verjaardag, in juli 2015;

- het arrest dat het vonnis van de eerste rechter bevestigt, op die vordering in-gaat, met toepassing van de bepalingen van de voornoemde wet van 10 mei 2007.

Het recht op uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid, vastgelegd door de ver-zekeraar ten voordele van de eerste verweerster, is een gevolg van de groepsver-zekeringsovereenkomst dat voortduurt onder de gelding van de wet van 10 mei 2007 niettegenstaande de overeenkomst in 1994 is beëindigd.

Het arrest dat de bepalingen van die wet, die van openbare orde zijn, op dat recht toepast, schendt niet de wettelijke bepalingen en miskent niet het algemeen rechtsbeginsel aangevoerd in het middel.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Overeenkomstig artikel 744, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, moeten de conclu-sies uitdrukkelijk de eisen van de partijen uiteenzetten.

Krachtens artikel 747, § 1 en § 2, van dat wetboek, worden de conclusietermijnen bij beschikking bepaald.

Hoewel de rechter, op vraag van een partij, een deloyale handelwijze die het recht van verdediging aantast mag bestraffen en op die grond een conclusie uit het de-bat mag weren, stelt de partij die een vordering instelt in de laatste conclusie van de, overeenkomstig voornoemd artikel 747, § 1 en § 2, bepaalde procedurekalen-der, niet noodzakelijk een dergelijke deloyale handeling.

Het arrest dat "om het recht van verdediging te eerbiedigen" de aanvullen-de syntheseconclusie van de eiseres weert "in zoverre die partij bij die conclusie de veroordeling vordert van de tweede verweerster tot het dragen van de bijkomende financiële lasten", louter op grond dat de beschikking van instaatstelling, verleend op grond van artikel 747 Gerechtelijk Wetboek, de tweede verweerster niet meer toestond een conclusie neer te leggen in antwoord op de voornoemde conclusie van de eiseres, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

Het middel is in zoverre gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de door de eiseres op 9 februari 2011 neergelegde conclusie weert voor zover die partij daarin de veroordeling van de tweede verweerster vordert, en het uitspraak doet over de kosten van die partijen.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten van de eerste verweerster en houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Alain Simon, Mireille De-lange en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 16 september 2013 uit-gesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Werking in de tijd

  • Overeenkomst

  • Nieuwe wet

  • Toepassing