- Arrest van 17 september 2013

17/09/2013 - P.12.1724.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het hoger beroep van de burgerlijke partij tegen een vrijspraak van een beklaagde brengt de strafvordering niet voor de appelrechter; de appelrechter moet op het hoger beroep van de burgerlijke partij over diens burgerlijke rechtsvordering oordelen; hij moet onderzoeken of het feit dat ten laste van de beklaagde werd gelegd, bewezen is, ook wanneer de eerste rechter hem heeft vrijgesproken en tegen wiens vrijspraak geen hoger beroep is ingesteld: hij moet ook onderzoeken of dat misdrijf oorzaak is van de schade waarvan de burgerlijke partij vergoeding vordert.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1724.N

EURODESSERTS nv, met zetel te 3580 Beringen, Lochtemansweg 4,

burgerlijke partij,

eiseres,

met als raadslieden mr. Leo Panis, advocaat bij de balie te Tongeren, en mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie te Hasselt,

tegen

1. I G E H,

beklaagde,

met als raadsman mr. Lieve Dehaese, advocaat bij de balie te Hasselt,

2. V C O J,

beklaagde,

met als raadsman mr. Nathalie Buisseret, advocaat bij de balie te Brussel,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 24 september 2012.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. De eiseres heeft, behoudens haar veroordeling tot de kosten op strafgebied, geen hoedanigheid op te komen tegen de beslissing op de tegen de verweerders ingestelde strafvordering.

In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 496 Strafwetboek: het arrest antwoordt niet, minstens niet op afdoende wijze, op de stelling van de eiseres die zij ontwikkelde in haar beroepsbesluiten met betrekking tot de schuld van de verweerders aan het misdrijf van oplichting (telastlegging B); het tijdstip van de keuze voor S.I.D.P. maakt geen deel uit van de incriminatieperiode; voor elk afzonderlijk feit van oplichting gedurende de ganse incriminatieperiode diende de aanwezigheid van de constitutieve bestanddelen beoordeeld te worden, wat het arrest nalaat; ook de twee listige kunstgrepen die de eiseres uitdrukkelijk vermeldde, worden niet beantwoord.

3. De rechter in strafzaken beoordeelt onaantastbaar de bewijswaarde van alle hem regelmatig overgelegde en aan tegenspraak onderworpen stukken en feitelijke gegevens.

Daaruit volgt dat hij de stukken of gegevens die hem regelmatig zijn overgelegd en betrekking hebben op feitelijke gegevens van vóór de geïncrimineerde periode, ook in zijn oordeel mag betrekken.

In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eise-res argumenten heeft aangevoerd met betrekking tot "elk afzonderlijk feit van op-lichting gedurende de ganse incriminatieperiode".

De appelrechters dienden dan ook de aan- of afwezigheid van de constitutieve be-standdelen voor elk afzonderlijk feit niet afzonderlijk te motiveren.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

5. De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkle-den houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op argumenten die tot staving van een middel zijn aangevoerd, maar geen afzonderlijk middel vormen.

6. De appelrechters oordelen met overname van de redenen van het beroepen vonnis die zij aanvullen met eigen redenen, dat:

- er in het strafdossier onvoldoende objectieve gegevens zijn die aantonen dat de verweerders een constructie zouden opgezet hebben;

- uit de verklaring onder eed van M P blijkt dat Acatris bv de stabilisator meng-de op bestelling van S.I.D.P. en deze daarna rechtstreeks leverde aan de eiseres;

- de eiseres niet kan gevolgd worden in haar bewering dat zij "plots" moest vast-stellen dat S.I.P.D. de stabilisator niet zelf produceerde, maar bestelde bij Aca-tris bv;

- de beslissing die destijds genomen werd om de specifieke stabilisator te bestel-len via S.I.P.D., een autonome beslissing is, genomen door de eiseres;

- de eenzijdige bewering van de eiseres dat die beslissing zou genomen zijn op instigatie van de eerste verweerder, niet bewezen is;

- het strafonderzoek geen enkel objectief bewijs heeft opgeleverd dat de ver-weerders die beslissing op bedrieglijke wijze zouden beïnvloed hebben.

De appelrechters verantwoorden aldus hun beslissing naar recht dat de schuld van de verweerders aan de ten laste gelegde feiten van oplichting niet bewezen is, minstens dat er hierover twijfel bestaat. Zij hoefden aldus niet meer bijkomend te antwoorden op de overige argumenten die de eiseres heeft aangevoerd.

In zoverre kan het middel evenmin worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 127 Wetboek van Strafvorde-ring: het arrest beperkt ten onrechte het onderzoek van de schuld van de verweer-ders aan het misdrijf van valsheid in geschriften en gebruik ervan (telastlegging A) uitsluitend tot de aanwezigheid van allergenen; de klacht met burgerlijkepartij-stelling die de strafvordering op gang bracht, beperkte de valsheid in geschrifte niet tot de enkele aanwezigheid van allergenen; de feitenrechter is niet gebonden door de concrete omschrijving van de feitenconstellatie in de vordering van het openbaar ministerie of in de verwijzingsbeschikking.

8. In correctionele of politiezaken maakt de verwijzingsbeschikking van het onderzoeksgerecht of de dagvaarding om voor het vonnisgerecht te verschijnen niet de daarin vervatte kwalificatie of omschrijving bij het vonnisgerecht aanhan-gig, maar wel de feiten zoals zij blijken uit de stukken van het onderzoek en die aan de verwijzingsbeschikking of de dagvaarding ten grondslag liggen. Die eerste kwalificatie en omschrijving is voorlopig en het vonnisgerecht heeft, ook in hoger beroep, het recht en de plicht om, mits eerbiediging van het recht van verdediging, aan de ten laste gelegde feiten hun juiste omschrijving te geven.

9. Op grond van de gegevens van de verwijzingsbeschikking of de dagvaar-ding en deze van het strafdossier oordeelt de rechter onaantastbaar of de feiten die onder de voorgestelde heromschrijving vallen, werkelijk deze zijn die het voor-werp uitmaken van de vervolgingen of daaraan ten grondslag liggen.

In zoverre het onderdeel opkomt tegen dit onaantastbare oordeel van de rechter, is het niet ontvankelijk.

10. Voor het overige is het onderdeel dat een onderzoek van feiten vereist waarvoor het Hof niet bevoegd is, evenmin ontvankelijk.

Tweede onderdeel

11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oor-deelt niet over de andere valsheden waarmee het van valsheid betichte stuk is be-hept; aldus schiet het tekort aan de motiveringsplicht.

12. De appelrechters oordelen dat de afwijkende productsamenstelling die geen betrekking heeft op de allergenen, geen deel uitmaakt van de aan de verweerders ten laste gelegde feiten van valsheid in geschriften.

Aldus beantwoorden zij het verzoek van de eiseres ook andere valsheden dan deze die vervat zijn in de telastlegging A, zoals zij omschreven werd in de verwijzingsbeschikking, te beoordelen.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde middel

13. Het middel voert schending aan van artikel 202 Wetboek van Strafvorde-ring: het arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres niet ontvankelijk "in zo-verre gericht tegen die onderdelen van het bestreden vonnis die haar niet aanbe-langen"; de appelrechters preciseren evenwel niet welke die onderdelen zijn en hebben de eiseres evenmin uitgenodigd zich hierop te verweren.

14. Krachtens artikel 202, 2°, Wetboek van Strafvordering behoort het recht om hoger beroep in te stellen tegen de vonnissen, gewezen door de politierechtbanken en de correctionele rechtbanken, toe aan de burgerlijke partij, alleen wat haar bur-gerlijke belangen betreft.

15. Het hoger beroep van de burgerlijke partij tegen een vrijspraak van een be-klaagde brengt de strafvordering niet voor de appelrechter.

De appelrechter moet op het hoger beroep van de burgerlijke partij over diens burgerlijke rechtsvordering oordelen. Hij moet onderzoeken of het feit dat ten laste van de beklaagde werd gelegd, bewezen is, ook wanneer de eerste rechter hem heeft vrijgesproken en tegen wiens vrijspraak geen hoger beroep is ingesteld. Hij moet ook onderzoeken of dat misdrijf oorzaak is van de schade waarvan de burgerlijke partij vergoeding vordert.

16. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- het beroepen vonnis de eerste verweerder vrijspreekt van de hem ten laste ge-legde feiten en zich onbevoegd verklaart te oordelen over de burgerlijke rechtsvordering van de eiseres in zoverre deze gericht is tegen de eerste ver-weerder; het spreekt verder de tweede verweerster vrij voor het feit van de te-lastlegging B en verklaart zich onbevoegd te oordelen over de burgerlijke rechtsvordering van de eiseres tegen de tweede verweerster in zoverre deze ge-steund is op die telastlegging; het veroordeelt ten slotte de tweede verweerster tot straf wegens het feit van de telastlegging A en veroordeelt haar tot betaling van een schadevergoeding aan de eiseres in zoverre zij gesteund is op de telast-legging A en tot een rechtsplegingsvergoeding;

- het openbaar ministerie en de eiseres tegen dit vonnis hoger beroep hebben in-gesteld;

- het arrest oordeelt dat het hoger beroep van de eiseres niet ontvankelijk is in zoverre gericht tegen die onderdelen van het beroepen vonnis die haar niet aanbelangen, en vervolgens oordeelt over de burgerlijke rechtsvordering van de eiseres tegen de beide verweerders, in zoverre gesteund op alle hen ten laste gelegde feiten.

Aldus schenden de appelrechters artikel 202 Wetboek van Strafvordering niet en dienden zij de eiseres niet uit te nodigen hierover verweer te voeren.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 87,31 euro waarvan 52,31 euro verschuldigd is.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Luc Van hoogenbemt, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 17 september 2013 uitgesproken door raadsheer Luc Van hoogenbemt, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche E. Francis A. Lievens

P. Hoet F. Van Volsem L. Van hoogenbemt

Vrije woorden

  • Burgerlijke partij

  • Hoger beroep tegen vrijspraak beklaagde