- Arrest van 17 september 2013

17/09/2013 - P.12.1485.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De redelijke termijn waarvan sprake in artikel 6.1 EVRM, heeft betrekking op de behandeling van de zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie; die redelijke termijn heeft geen uitstaans met de termijnen voor uitvoeren van een reconstructie.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1485.N

I

B D P,

burgerlijke partij,

eiseres.

II

P H,

burgerlijke partij,

eiser,

beide cassatieberoepen tegen

1. P R B,

beklaagde,

2. B H P C,

beklaagde,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 28 juni 2012.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan.

De eiseres voert in een tweede memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Zij legt ook meerdere stukken neer.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

I. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de neergelegde geschriften en stukken

1. Krachtens artikel 420bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering mag de eiser in cassatie na verloop van twee maanden sedert de dag waarop de zaak op de algemene rol is ingeschreven, geen memories of stukken meer indienen, behalve akten van afstand of hervatting van het geding of akten waaruit blijkt dat het cas-satieberoep doelloos geworden is of noten bedoeld in artikel 1107 Gerechtelijk Wetboek.

1. De zaak is op 9 augustus 2012 op de algemene rol ingeschreven.

De geschriften en de stukken van de eiseres die ter griffie van het Hof ontvangen zijn op 17 oktober 2012, 19 oktober 2012, 7 november 2012, 23 januari 2013, 27 februari 2013 en 14 juni 2013, te weten buiten de voormelde termijn van twee maanden, zijn laattijdig, mitsdien niet ontvankelijk.

Eerste middel van beide eisers

2. Het middel voert schending aan van artikel 6.3.d EVRM: het verslag van de ondervraging door de politie van ooggetuige S M is niet terug te vinden in het dossier; het verzoek om hem als getuige te horen werd afgewezen.

3. Artikel 6.3.d EVRM waarborgt het recht om getuigen à charge of à déchar-ge op te roepen. Die bepaling verhindert niet dat de rechter de pertinentie van een gevraagd getuigenverhoor beoordeelt en die vraag afwijst mits hij het recht van de partijen om een zodanig bewijs te leveren, niet miskent.

4. De appelrechters wijzen het verzoek van de eisers om een getuige te horen af omdat zij het niet nuttig of noodzakelijk achten voor de waarheidsvinding. Aldus verantwoorden zij hun beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

5. Voor het overige verplicht het middel het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Tweede middel van beide eisers

6. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM: de redelijke termijn voor het uitvoeren van een reconstructie werd overschreden zodat het resultaat niet meer bruikbaar was.

7. De redelijke termijn waarvan sprake in artikel 6.1 EVRM, heeft betrekking op de behandeling van de zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlij-ke instantie; die redelijke termijn heeft geen uitstaans met de termijnen voor uit-voeren van een reconstructie.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

8. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de bewijswaarde van de resultaten van de reconstructie.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Derde middel van beide eisers

9. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: een aangifte bij de verzekering, gewichtstoename bij de reconstructie en foto's van een eerder ge-broken achterlicht zijn wel belangrijke bewijselementen; het arrest beantwoordt ook twee belangrijke vragen van de eisers niet.

10. De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkle-den houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op argumenten die tot staving van een middel zijn aangevoerd, maar geen afzonderlijk middel vormen.

11. De eisers hebben hun in het middel aangehaalde argumentatie enkel aange-voerd tot staving van hun stelling met betrekking tot de schuld van de verweer-ders; zij hebben met de verscheidene argumenten die zij hebben aangevoerd, geen afzonderlijk middel beoogd; de appelrechters dienden die argumenten niet afzon-derlijk te beantwoorden.

Met de erin vermelde redenen beantwoordt het arrest dit verweer.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

12. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de appelrechters.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Vierde middel van beide eisers

13. Het middel voert schending aan van artikel 151 Grondwet: de eisers hebben met hun argumenten wel degelijk op voldoende wijze de argumenten van de ver-weerders weerlegd.

14. Het middel komt op tegen het onaantastbare oordeel van de rechters over de bewijswaarde van de hen regelmatig overgelegde feitelijke gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

15. Voor het overige vermogen de eisers geen schending van artikel 151 Grondwet af te leiden uit de omstandigheid dat de appelrechters hun verweer ver-werpen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Vijfde middel van beide eisers

16. Het middel voert schending aan van artikel 13 EVRM: er werd niet onpar-tijdig opgetreden; een onderlinge nota tussen verzekeringsmaatschappijen is een bevestiging van de feiten.

17. Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig over-gelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren.

18. De eisers vermogen geen miskenning van het in artikel 13 EVRM bepaalde recht op daadwerkelijke rechtshulp af te leiden uit de omstandigheid dat de appel-rechters hun verweer verwerpen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Zesde middel van de eiseres

19. Het middel voert aan dat geen relevante of wettige reconstructie kan uitge-voerd worden met een bromfiets die verschillende malen werd vervoerd en in ver-schillende handen heeft vertoefd.

20. Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig over-gelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, waar-onder de resultaten van een reconstructie.

Het middel dat geheel opkomt tegen die beoordeling of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, is niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 104,66 euro waarvan de eiseres I en de eiser II elk 17,33 euro verschuldigd zijn.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Luc Van hoogenbemt, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 17 september 2013 uitgesproken door raadsheer Luc Van hoogenbemt, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche E. Francis A. Lievens

P. Hoet F. Van Volsem L. Van hoogenbemt

Vrije woorden

  • Redelijke termijn

  • Omvang