- Arrest van 18 september 2013

18/09/2013 - P.13.1515.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De wachttijd van een maand als bepaald in artikel 71, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, geldt niet voor het beroep tegen de met toepassing van artikel 7, vijfde lid, van dezelfde wet genomen maatregel tot verlenging van de opsluiting (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1515.F

T. F.,

vreemdeling, van zijn vrijheid beroofd,

Mr. Dominique Andrien, advocaat bij de balie te Luik.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, ka-mer van inbeschuldigingstelling, van 13 augustus 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft een conclusie neergelegd die op 12 september 2013 op de griffie is ontvangen.

Op de rechtszitting van 18 september 2013 heeft raadsheer Benoît Dejemeppe verslag uitgebracht en heeft de procureur-generaal geconcludeerd.

II. FEITEN

Op 22 mei 2013 is tegen de eiser, met toepassing van de artikelen 7, eerste lid, 1°, 2 en 3, 27, § 1 en 3 en 74/14, § 3, 4°, Vreemdelingenwet, een bevel uitgevaardigd om het grondgebied te verlaten, samen met een beslissing tot teruggeleiding naar de grens en een daartoe genomen maatregel van vrijheidsberoving.

Bij arrest van 18 juli 2013 heeft de kamer van inbeschuldigingstelling het verzoek tot invrijheidstelling van de eiser afgewezen.

Op 19 juli 2013 heeft de gemachtigde van de staatssecretaris voor het Asiel- en Migratiebeleid, van Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding, met toe-passing van artikel 7, vijfde lid, Vreemdelingenwet, de opsluiting van de eiser met een termijn van twee maanden verlengd.

Diezelfde dag heeft de eiser een verzoek tot invrijheidstelling ingediend, waarin hij de beslissing tot verlenging van de vrijheidsberovende maatregel betwist.

Het bestreden arrest verklaart dat verzoek niet-ontvankelijk.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Artikel 5.4 EVRM bepaalt dat eenieder die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd, het recht heeft voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt indien de gevangenhouding onrechtmatig is.

Volgens artikel 71, eerste lid, Vreemdelingenwet kan de vreemdeling die het voorwerp is van een maatregel van vrijheidsberoving, genomen op grond van met name de artikelen 7 en 27, tegen die maatregel beroep instellen door een verzoek-schrift neer te leggen bij de raadkamer van de correctionele rechtbank van zijn verblijfplaats in het Rijk of van de plaats waar hij werd aangetroffen.

Krachtens het derde lid van die bepaling kan de vreemdeling een nieuw verzoek tot invrijheidstelling indienen, een maand na de beslissing van het onderzoeksge-recht dat een vorig verzoek heeft afgewezen.

Met toepassing van artikel 7, vijfde lid, van de wet, kan de minister of zijn ge-machtigde de opsluiting telkens met een periode van twee maanden verlengen wanneer de nodige stappen om de vreemdeling te verwijderen werden genomen binnen zeven werkdagen na de opsluiting van de vreemdeling, wanneer zij worden voortgezet met de vereiste zorgvuldigheid en wanneer de effectieve verwijdering van deze laatste binnen een redelijke termijn nog steeds mogelijk is.

Hoewel die maatregel tot verlenging geen autonome titel van vrijheidsberoving is, beantwoordt ze niettemin aan wettelijke voorschriften, die verschillen van die welke voor de maatregel zijn bepaald waarvan zij de uitwerking moet verlengen. De wettigheid van die voorwaarden van verlenging kan, met toepassing van arti-kel 71, eerste lid, door de rechter worden getoetst.

Voor dergelijk beroep geldt geen wachttijd van een maand als bepaald in artikel 71, derde lid.

Het arrest dat beslist dat het rechtsmiddel van de eiser niet ontvankelijk is op grond dat het minder dan een maand na de vorige beslissing van de kamer van in-beschuldigingstelling is ingesteld, schendt de voormelde bepalingen.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldiging-stelling, anders samengesteld.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 18 september 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en over-geschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Maatregel tot verlenging

  • Beroep

  • Wachttijd