- Arrest van 20 september 2013

20/09/2013 - C.08.0018.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 815 van het Burgerlijk Wetboek, waarvan het eerste lid bepaalt dat niemand kan worden genoodzaakt in onverdeeldheid te blijven en dat de verdeling te allen tijde kan worden gevorderd, niettegenstaande enige hiermee strijdige verbodsbepaling, is niet van toepassing op de vrijwillige onverdeeldheid in hoofdzaak (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.08.0018.F

1. J.-M. H.,

2. P. G.,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. D. W.,

2. LE CABINET MÉDICAL OPHTALMOLOGIQUE, B.T.,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 22 juni 2007.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 22 augustus 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren twee middelen aan waarvan het tweede als volgt is gesteld.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 577-2, 815 en 1134 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verwerpt het hoger beroep van de eisers, bevestigt volledig het beroepen vonnis, verwijst de zaak naar de eerste rechter met toepassing van artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, nadat het eerst de vervanging had bevolen van de door de beroepen beslissing aangestelde deskundige, verwerpt, met toepassing van die beslissing, de tegenvordering van de eisers, op grond dat, ook al hebben de gedingpartijen geen enkele vennootschap opgericht, "[zij] samen de litigieuze laser hebben aangekocht; dat het Belgische recht van mede-eigendom steunt op artikel 577bis van het Burgerlijk Wetboek, dat van toepassing is bij ontstentenis van bijzondere bepalingen of overeenkomsten, d.w.z. bij ontstentenis van elke andersluidende wilsuiting, ofwel in een bijzondere wet, ofwel in overeenkomsten of testamenten (R.P.D.B., trefwoord Propriété, nr. 274); onder dat artikel vallen onder meer alle onverdeeldheden met betrekking tot roerende of onroerende zaken en met name die welke ontstaan zijn naar aanleiding van een gezamenlijke aankoop (R.P.D.B., ibidem, nr.279); paragraaf 8 van dat artikel vermeldt dat de verdeling van de gemeenschappelijke zaak gebeurt volgens de re-gels die bepaald zijn in de titel Erfenissen, dus de artikelen 815 e.v. van het Bur-gerlijk Wetboek (R.P.D.B., nr. 295); uit die analyse volgt dat de eerste rechter terecht beslist heeft die artikelen toe te passen, vastgesteld heeft dat het goed niet makkelijk te verdelen was en een deskundige heeft ingeschakeld om de waarde ten tijde van de breuk te ramen, namelijk op 1 december 2001", en dat hij de tegen-vordering van de eisers verworpen heeft.

Grieven

Hoewel artikel 577-2, § 1, van het Burgerlijk Wetboek (oud artikel 577bis vóór de wet van 30 juni 1994 die de nummering heeft gewijzigd) bepaalt dat, "bij ontstentenis van overeenkomsten en van bijzondere bepalingen de eigendom van een zaak die onverdeeld aan verscheidene personen toebehoort, geregeld wordt als volgt" en hoewel paragraaf 8 van die bepaling ook vermeldt dat "de verdeling van de gemeenschappelijke zaak onderworpen is aan regels die bepaald zijn in de titel Erfenissen", is artikel 815 van dat wetboek slechts van toepassing op een gewone en toevallige, in hoofdzaak precaire, onverdeeldheid, en geenszins op de vrijwillige mede-eigendom, die overeenstemt met de toestand waar twee of meer rechtssubjecten vrijelijk en zonder dwang beslissen in hoofdzaak een roerende of onroerende onverdeeldheid tussen hen tot stand te brengen, die wordt geregeld door de wilsautonomie en door artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek volgens hetwelk de wil van de partijen tot wet strekt, zodat de rechter, niet met toepassing van artikel 815 van het Burgerlijk Wetboek, de verdeling kon bevelen van het goed dat gezamenlijk was aangekocht en zich in een toestand van vrijwillige on-verdeeldheid bevindt.

Daaruit volgt dat het arrest, dat om de redenen die het vermeldt, niet vaststelt dat de toestand van onverdeeldheid waarin de partijen zich met betrekking tot het litigieuze toestel bevonden, voortvloeide uit een toevallige en onvrijwillige toestand maar, integendeel, aanneemt dat hij ontstaan is uit de wilsovereenstemming om het gezamenlijke goed aan te kopen en met betrekking daartoe uitdrukkelijk een mede-eigendom tot stand te brengen, niet naar recht heeft kunnen beslissen dat de verweerders die naar hun goeddunken konden beëindigen (schending van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek), dat de verdeling van de gemeenschappelijk zaak bevolen moest worden met toepassing van de artikelen 577-2 en 815 van het Burgerlijk Wetboek (schending van die bepalingen) en dat een deskundige diende te worden aangesteld om de waarde van het gemeenschappelijke goed te ramen ten tijde van de beslissing van de verweerders, waarbij de tegenvordering van de eisers niet gegrond was.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede middel

Artikel 815 Burgerlijk Wetboek, waarvan het eerste lid bepaalt dat niemand kan worden genoodzaakt in onverdeeldheid te blijven en dat de verdeling te allen tijde kan worden gevorderd, niettegenstaande enige hiermee strijdige verbodsbepaling, is niet van toepassing op de vrijwillige onverdeeldheid in hoofdzaak.

Het arrest, dat vaststelt dat rechtsvordering van de verweerders "strekt tot de ver-effening van de onverdeeldheid van de partijen met betrekking tot [een] toestel" dat zij "samen hebben aangekocht" en waarvan "[zij] gebruik maakten in de uit-oefening van hun beroep", schendt voornoemd artikel 815 wanneer het beslist dat de verdeling van de gemeenschappelijke zaak overeenkomstig die bepaling moet worden bevolen.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Gustave Steffens en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 20 september 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Vrijwillige mede-eigendom in hoofdzaak

  • Verdeling

  • Toepasselijk recht