- Arrest van 20 september 2013

20/09/2013 - C.12.0479.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van advocaat-generaal Henkes.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0479.F

CLINIQUES UNIVERSITAIRES SAINT-LUC vzw,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. D. C.,

2. F. C.,

3. M. C.,

4. M.-T. C.,

5. R. C.,

6. M. C.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 3 april 2009.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 22 augustus 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikelen 205 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis verklaart het hoger beroep van de eiseres niet-gegrond, bevestigt alle beschikkingen van het beroepen vonnis, wijst de vordering van de ei-ser af, zijnde de terugbetaling, niet alleen van de zogeheten kosten van laatste ziekte, die werden gemaakt tussen eind oktober 1997 en eind oktober 1998, maar ook van alle geneeskundige kosten die vóór die periode werden gemaakt, namelijk vanaf eind september 1996 tot eind oktober 1997; het steunt die beslissing op al zijn redenen en inzonderheid op de onderstaande redenen:

"[De eiseres] [stelt] hoger beroep in en meent te kunnen steunen op artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek om alle onbetaald gebleven kosten van geneeskundige verzorging te vorderen die wijlen A. C. heeft gekregen, en niet uitsluitend de kosten van laatste ziekte;

De [verweerders] stellen geen incidenteel beroep tegen het voornoemd vonnis aangezien zij van oordeel zijn dat zij enkel de kosten van laatste ziekte dienen te betalen;

Daarentegen zijn zij van oordeel dat zij de overige geneeskundige kosten niet dienen te betalen, overeenkomstig de beslissing van de eerste rechter;

Levensonderhoud, in de zin van artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek, omvat weliswaar alles wat noodzakelijk is voor het leven, met inbegrip van medische zorg die niet beperkt blijft tot de kosten van laatste ziekte, waarbij laatstgenoemde deel slaat op de kosten voor de zorgverstrekking tijdens het jaar dat aan het overlijden voorafgaat;

Nochtans volgt uit de artikelen 205 tot 211 van het Burgerlijk Wetboek dat de vordering tot levensonderhoud in essentie een persoonlijk karakter heeft en bijgevolg slechts door de in het Burgerlijk Wetboek bedoelde personen kan worden ingesteld (J.-Ch. Brouwers, ‘Les aliments', in Droit des personnes et des familles, Chronique de jurisprudence 1999-2004, Les dossiers du Journal des Tribunaux, De Boeck & Larcier, Brussel, p. 865 e.v.; N. Gallus, ‘Les aliments', in Répertoire notarial, boek IV, dl. 1., Larcier, 2006, nr. 334, p. 288);

[De eiseres], die de [verweerders] [dagvaardt] in hun hoedanigheid van kinderen van de overledene [beschikt] niet over een persoonlijke vordering tegen hen (Luik, 18 december 1990, J.L.M.B., 1991, 589; L. Raucent en M. Grégoire, ‘Examen de jurisprudence (1987 à 1994). Les successions, les partages et les libéralités', R.C.J.B., 1996, p. 409, nr. 11);

Voor zoveel als nodig dient erop gewezen dat [de eiseres] niet [aantoont] dat de [verweerders], alleen of samen, met haar hebben gecontracteerd."

Grieven

Eerste onderdeel

1. Artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de kinderen levensonderhoud verschuldigd zijn aan hun ouders en hun andere bloedverwanten in de opgaande lijn die behoeftig zijn.

Eerst wijst de eiseres erop dat het bestreden vonnis overweegt dat het in artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde levensonderhoud de geneeskundige zorg omvat, met inbegrip van de kosten van laatste ziekte, "waarbij laatstgenoemde deel slaat op de kosten voor de zorgverstrekking tijdens het jaar dat aan het overlijden voorafgaat".

Ten eerste blijkt duidelijk dat het bestreden vonnis genoemd artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek schendt wanneer het de vordering van de eiseres afwijst op grond dat "de vordering tot levensonderhoud in essentie een persoonlijk karakter heeft en bijgevolg slechts door de in het Burgerlijk Wetboek bedoelde personen kan worden ingesteld".

Ten tweede blijkt duidelijk dat het bestreden vonnis voornoemd artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek schendt wanneer het beslist dat levensonderhoud, zijnde de kosten van laatste ziekte, beperkt moet worden tot de zorgverstrekking tijdens het jaar voor het overlijden.

2. De eiseres merkt op dat de hoven en rechtbanken de rechtsvordering tot terugbetaling van de kosten van laatste ziekte doorgaans aannemen wanneer deze gegrond is op de onderhoudsverplichting, voor zover de eiser aantoont dat de overledene tijdens zijn leven met goed gevolg een vordering tot levensonderhoud had kunnen instellen tegen zijn familieleden. Deze stroming in de rechtspraak aanvaardt tevens, onder dezelfde voorwaarden, de rechtsvordering tot terugbeta-ling van de uitvaartkosten.

Er moet worden aangenomen dat de zogeheten kosten van laatste ziekte, ook al kunnen ze worden aangemerkt als levensonderhoud in de zin van voornoemd artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek, in geen geval het voorwerp kunnen zijn van een rechtsvordering die wordt ingesteld door de enige, in het Burgerlijk Wetboek bedoelde persoon aan wie het levensonderhoud ten goede komt, aangezien hij overleden is en een dergelijke rechtsvordering niet meer kan instellen.

De eiseres stelt dat de overige geneeskundige kosten, met betrekking tot de zorgverstrekking vanaf eind september 1996 tot eind oktober 1997, dus vóór het tijdvak van één jaar dat dat de limiet zou zijn van wat zou worden erkend als zogeheten kosten "van laatste ziekte", niet kunnen worden uitgesloten op grond dat "de vordering tot levensonderhoud in essentie een persoonlijk karakter heeft", terwijl niets die kosten onderscheidt van de kosten van na die datum, die worden be-schouwd als zogeheten kosten van laatste ziekte, en op die grond kunnen worden terugbetaald.

Er moet immers worden aangenomen dat de vordering tot terugbetaling van de zogeheten kosten van laatste ziekte en van de kosten voorafgaand aan de periode van één jaar waarvan het bestreden vonnis gewag maakt, geen essentieel per-soonlijk karakter heeft.

3. Het bestreden vonnis dat de beslissing in eerste aanleg bevestigt, is van oordeel dat onder laatste ziekte moet worden begrepen de beperkte periode van één jaar vóór het overlijden.

De eiseres vraagt dat het Hof uitspraak doet over de gegrondheid van een dergelijke beperking in de tijd.

Het bestreden vonnis neemt de redenering van de eerste rechter zonder meer over. De beslissing in eerste aanleg stelde "dat onder laatste ziekte, de kosten moeten worden verstaan die gemaakt zijn tijdens het jaar dat aan het overlijden van de patiënt voorafgaat". De vrederechter verwees daarbij naar het Traité élémentaire de droit civil van H. De Page, dl. III, nr. 79.

De kwestie van kosten van laatste ziekte wordt behandeld in deel VII - en niet in deel III van het Traité élémentaire de droit civil - onder het opschrift Privilèges sur les meubles. Henri De Page bespreekt artikel 19, 3°, van de hypotheekwet, dat luidt als volgt: "de schuldvorderingen, bevoorrecht op alle roerende goederen, worden hierna opgesomd en zij worden in de volgende orde verhaald: [...] de kosten van laatste ziekte gedurende een jaar".

De eiseres wijst erop dat noch de wet van 16 december 1851, de zogeheten hypo-theekwet, noch Henri De Page in zijn bespreking, gewagen van een beperking in de tijd van de kosten van laatste ziekte. De duur van een jaar waarvan sprake is in artikel 19, 3°, heeft geen betrekking op het bestaan van de schuldvordering maar wel op het voorrecht dat ze waarborgt.

De auteur van het Traité élémentaire de droit civil staaft zijn redenering over de be-perking van de door het voorrecht gedekte tijd als volgt: «la dernière maladie peut être fort longue; ce peut être une maladie chronique; les premiers frais peuvent remonter à plus d'un an: s'il en est ainsi le privilège ne garantira que ceux des douze derniers mois » (H. De Page, Traité élémentaire de droit civil, dl. VII, nr. 79).

De auteur van het Traité de droit civil, die een duidelijk onderscheidt maakt tussen het bestaan van de schuldvordering en het voorrecht dat ze waarborgt, preciseert dus uitdrukkelijk dat de duur van de laatste ziekte meer dan een jaar kan bedragen.

De eiseres veroorlooft zich dus te stellen dat de beperking in de tijd van de kosten van laatste ziekte tot de periode van één jaar die aan het overlijden voorafgaat, zoals vermeld door het bestreden vonnis, niet gegrond is.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Eerste onderdeel

Luidens artikel 205 Burgerlijk Wetboek zijn de kinderen levensonderhoud ver-schuldigd aan hun ouders en hun andere bloedverwanten in de opgaande lijn die behoeftig zijn.

Het recht op levensonderhoud dat vastgelegd is in die bepaling berust op de fami-liale solidariteit en is onlosmakelijk verbonden met de onderhoudsgerechtigde en hij alleen kan een vordering instellen tot vrijwaring van dat recht.

Het bestreden vonnis, dat vaststelt dat de eiseres op grond van die bepaling tegen de verweerders haar vordering instelt tot terugbetaling van de geneeskundige ver-zorging die aan hun overleden vader werd verstrekt, verklaart derhalve naar recht het hoger beroep niet-gegrond dat zij had ingesteld tegen de beslissing van de eer-ste rechter die genoemde vordering ten dele had afgewezen.

De overweging van het bestreden vonnis dat de kosten van laatste ziekte beperkt zijn tot de zorgverstrekking tijdens het jaar vóór het overlijden, is geen grondslag van die beslissing en is bijgevolg ten overvloede gegeven.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Gustave Steffens en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 20 september 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Onderhoudsgerechtigde

  • Vorderingsrecht

  • Aard