- Arrest van 23 september 2013

23/09/2013 - C.12.0559.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Degene die schadevergoeding vordert moet bewijzen dat er tussen de fout en de schade, zoals die zich heeft voorgedaan, een oorzakelijk verband bestaat; dit verband veronderstelt dat, zonder de fout, de schade niet had kunnen ontstaan, zoals ze zich heeft voorgedaan.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0559.N

D.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. MARIA MIDDELARES vzw, met zetel te 9100 Sint-Niklaas, Hospitaal-straat 17,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerster woonplaats kiest,

2. A.,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest;

3. J.,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerder woonplaats kiest,

in aanwezigheid van

LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel te 1031 Brussel, Haachtsesteenweg 579, bus 40,

in bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 9 januari 2012.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 1 juli 2013 verwezen naar de derde kamer.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Ontvankelijkheid

1. De eerste verweerster en de derde verweerder werpen een grond van niet-ontvankelijkheid op: het middel is nieuw omdat de eiser voor de appelrechters heeft aanvaard dat de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen betaald door de tot bin-dendverklaring van het arrest opgeroepen partij in mindering moeten worden ge-bracht van de gemeenrechtelijke vergoeding.

2. De appelrechters oordelen dat anders dan de eiser laat gelden, het gaat om één en dezelfde schade, het feit dat slechts het verlies van een kans hier vergoed-bare schade vormt, daaraan geen afbreuk doet en de vergoeding voor inkomsten-verlies bijgevolg volledig toekomt aan de tot bindendverklaring van het arrest op-geroepen partij.

Het middel is niet nieuw.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Gegrondheid

3. Krachtens artikel 136, § 2, eerste lid, ZIV-wet worden de bij deze wet be-paalde prestaties geweigerd indien voor de schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of in het gemeen recht werkelijk schadeloosstelling is verleend. Belopen de bedragen welke krachtens die wetgeving of het gemeen recht worden verleend evenwel minder dan de prestaties van de verzekering, dan heeft de rechthebbende recht op het verschil ten laste van de verzekering.

Krachtens artikel 136, § 2, derde lid, ZIV-wet worden de prestaties, onder door de Koning bepaalde voorwaarden, toegekend in afwachting dat de schade effectief wordt vergoed krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of het gemeen recht.

Krachtens artikel 136, § 2, vierde lid, ZIV-wet treedt de verzekeringsinstelling rechtens in de plaats van de rechthebbende tot beloop van het bedrag van de ver-leende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de in het eerste lid bedoelde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden.

4. De in artikel 136, § 2, ZIV-wet bedoelde schade wegens arbeidsongeschikt-heid bestaat in het verlies of de vermindering van het vermogen om, door het ver-richten van arbeid, inkomsten te verwerven die tot het levensonderhoud kunnen bijdragen. Dit is dezelfde schade als die waarop de gemeenrechtelijke vergoeding voor arbeidsongeschiktheid betrekking heeft.

5. Degene die schadevergoeding vordert moet bewijzen dat er tussen de fout en de schade, zoals die zich heeft voorgedaan, een oorzakelijk verband bestaat. Dit verband veronderstelt dat, zonder de fout, de schade niet had kunnen ontstaan, zoals ze zich heeft voorgedaan.

De rechter kan vergoeding toekennen voor het verlies van een kans op het ver-werven van een voordeel of het vermijden van een nadeel indien het verlies van deze kans te wijten is aan een fout.

Enkel de economische waarde van de verloren gegane kans komt voor vergoeding in aanmerking. Deze waarde kan niet bestaan uit het volledige bedrag van het uit-eindelijk geleden nadeel of het verloren voordeel.

6. Hieruit volgt dat het verlies van een kans op herstel van de arbeidsonge-schiktheid geen schade is zoals bedoeld in artikel 136, § 2, ZIV-wet.

7. De appelrechters oordelen dat:

- de schade van de eiser volgens het tussenarrest van 18 september 2006 bestaat in het verlies van een kans op functioneel herstel;

- de omvang van het verlies van deze kans moet vastgesteld worden op 43 % in-gevolge de onzorgvuldigheden van dr. D. en de derde verweerder en op 33 % ingevolge de onzorgvuldigheden van de tweede verweerder;

- de werkelijke schade van de eiser wegens inkomstenverlies voor de periode tij-delijke arbeidsongeschiktheid 44.612,33 euro en voor de periode van blijvende arbeidsongeschiktheid 449.250,74 euro, hetzij samen 498.863,06 euro, be-draagt;

- de schadevergoeding verschuldigd voor het inkomstenverlies van de eiser in-gevolge het verlies van een kans dient bepaald te worden op 493.863,06 euro x 43 %, hetzij 212.361,11 euro;

- de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten uitkeringen tot beloop van 250.075,28 euro heeft verricht aan de eiser.

8. De appelrechters die in die omstandigheden oordelen dat de vergoeding voor inkomstenverlies volledig toekomt aan het ziekenfonds omdat het om één en dezelfde schade gaat en het feit dat het verlies van een kans hier vergoedbare schade vormt, daaraan geen afbreuk doet, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is in zoverre gegrond.

Overige grieven

9. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de vordering van de eiser met betrekking tot het inkomstenverlies.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verklaart het arrest bindend voor de tot bindendverklaring opgeroepen partij.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit raadsheer Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Geert Jocqué, Peter Hoet, Antoine Lievens en Bart Wylleman, en op de openbare rechtszitting van 23 september 2013 uitgesproken door raadsheer Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols B. Wylleman A. Lievens

P. Hoet G. Jocqué K. Mestdagh

Vrije woorden

  • Oorzakelijk verband

  • Bewijslast