- Arrest van 24 september 2013

24/09/2013 - P.13.0317.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een door de wet beschermd geschrift is een geschrift dat in zekere mate tot bewijs kan strekken, dit is zich aan het openbare vertrouwen opdringt, zodat de overheid of particulieren die ervan kennis nemen of aan wie het wordt voorgelegd, kunnen overtuigd zijn van de waarachtigheid van de rechtshandeling of van het rechtsfeit in dat geschrift vastgelegd of kunnen gerechtigd zijn daaraan geloof te hechten; het geschrift dat die rechtshandeling of dat rechtsfeit bevat, moet juridische draagwijdte hebben, dit wil zeggen dat het bestemd is tot bewijs van enig feit dat de rechtstoestand van de betrokken personen of zaken kan beïnvloeden; een geschrift dat rechtsverhoudingen tussen contractpartijen vaststelt met het oog op de toegang van één van die partijen tot een nagestreefd ambt, heeft juridische draagwijdte, ongeacht of de wijziging van de juridische realiteit die dat geschrift beoogt, verband houdt met het voldoen aan een wettelijke verplichting (1). (1) A. De Nauw, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, 6e herwerkte uitgave, nrs. 34 ev.; S. Van Dyck, Valsheid in geschriften en gebruik van valse geschriften, nrs. 145 ev. en 160 ev.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0317.N

I

F M G G D T,

beklaagde,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, en met als raadsman mr. André De Becker, advocaat bij de balie te Brussel.

II

L G A C V,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 21 januari 2013.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het arrest spreekt de eiseres vrij van de feiten van de telastlegging B en ver-klaart de strafvordering met betrekking tot de feiten van de telastlegging C verval-len door verjaring.

In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep van de eiseres bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

2. Het arrest spreekt de eiser vrij van de feiten van de telastlegging C.

In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep van de eiser bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Middel van de eiseres

Eerste onderdeel

3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: met de rede-nen die het bevat, beantwoordt het arrest niet eiseres' verweer dat het strafonder-zoek nietig is en de strafvordering tegen de eiseres niet ontvankelijk is omdat het onderzoek steunt op de initiële miskenning van het beroepsgeheim door een aan-vankelijk anonieme getuige wiens identiteit later bekend raakte, die tegenover de gerechtelijke politie voor de eiseres belastende verklaringen heeft afgelegd, waar-van een vertrouwelijk verslag werd bezorgd aan de minister van Justitie die zijn positief injunctierecht aanwendde, wat leidde tot de oorspronkelijke vordering van de procureur-generaal van 27 augustus 2009 tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek bij voorrang van rechtsmacht tegen onder andere de eiseres, met haar veroordeling tot gevolg.

4. Het arrest oordeelt dat:

- het aanvankelijk proces-verbaal geen bewijselementen bevat doch slechts in-lichtingen op grond waarvan het bedoelde gerechtelijk onderzoek werd geo-pend;

- in casu noch die informatie noch de wijze waarop ze werd bekomen, dienstig is voor het onderzoek naar de schuld van de eiseres;

- de eiseres in de voorliggende zaak vervolgd wordt voor feiten waarvan in de oorspronkelijke vordering van de procureur-generaal zelfs geen sprake was;

- een gerechtelijk onderzoek niet nietig is en de erop gesteunde vervolging niet onontvankelijk is op de enkele grond dat het onderzoek is aangevat ingevolge een anonieme getuigenis, maar het aan de bevoegde vervolgende instantie staat het gevolg te beoordelen dat eraan dient gegeven te worden.

Aldus beantwoordt het arrest het in het onderdeel vermelde verweer.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 458 Strafwetboek en de artikelen 29 en 481 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: op grond van de redenen die het bevat, oordeelt het arrest ten onrechte dat de om-standigheid dat een gerechtelijk onderzoek werd opgestart als gevolg van de ver-klaring van een anonieme getuige waarvan achteraf blijkt dat die daardoor zijn be-roepsgeheim heeft miskend, niet de nietigheid van dat onderzoek en de niet-ontvankelijkheid van de erop gesteunde vervolging noch de miskenning van het recht van verdediging tot gevolg heeft; in de veronderstelling dat de in artikel 29 Wetboek van Strafvordering bedoelde overheden als gevolg van een schending van dat artikel of van artikel 481 van dat wetboek, aan het openbaar ministerie of de minister van Justitie bericht zouden geven van misdrijven waarvan zij kennis hebben gekregen in de uitoefening van hun ambt, dan mag het openbaar ministerie daarvan op straffe van nietigheid geen gewag maken bij strafvervolging; door de eiseres te veroordelen zonder na te gaan of er sprake was van miskenning van het beroepsgeheim noch of er een oorzakelijk verband bestond tussen de begane onregelmatigheid en het meedelen van de inlichtingen aan de rechterlijke overheid of aan de politie, verhindert het arrest het Hof zijn wettigheidstoezicht uit te oefe-nen en is het niet regelmatig gemotiveerd; door te weigeren de behandeling van de strafvordering tegen de eiseres op te schorten tot de verdere afwerking van het ge-rechtelijk onderzoek dat is ingesteld als gevolg van eiseres' klacht wegens laster-lijke aangifte en miskenning van het beroepsgeheim tegen A. en door te weigeren te bevelen dat het volledig dossier van onderzoeksrechter Van Aelst bij het straf-dossier zou worden gevoegd, miskent het arrest eiseres' recht van verdediging.

6. In zoverre het onderdeel berust op een hypothese, namelijk dat de in artikel 29 Wetboek van Strafvordering bedoelde overheden dat artikel of artikel 481 van dat wetboek zouden geschonden hebben, is het niet ontvankelijk.

7. Wanneer een persoon, al dan niet anoniem, inlichtingen aan de politie ver-strekt, staat het aan het bevoegde openbaar ministerie te oordelen welk gevolg hieraan wordt gegeven en of het mogelijk lijkt regelmatig bewijs in te zamelen van de eventueel strafbare feiten die deze inlichtingen bevatten.

8. De omstandigheid dat de bedoelde persoon bij het verstrekken van die in-lichtingen zou gehandeld hebben met miskenning van zijn beroepsgeheim, heeft niet tot gevolg dat het navolgende onderzoek nietig is of dat de vervolgens inge-stelde strafvordering die gegrond is op bewijs dat naderhand zonder enige onwet-tigheid werd verkregen, niet ontvankelijk is.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

9. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel verant-woordt het arrest de beslissing dat het gerechtelijk onderzoek niet nietig is en dat de op dat onderzoek gebaseerde strafvordering ontvankelijk is, naar recht en ver-hindert het de wettigheidscontrole van het Hof niet.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

10. Uit het enkele feit dat de appelrechters eiseres' verzoek tot voeging van een ander strafdossier niet inwilligen, vermag de eiseres geen miskenning van het recht van verdediging af te leiden.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

11. In zoverre het onderdeel opkomt tegen het onaantastbare oordeel van het ar-rest dat er geen redenen voorhanden zijn om de behandeling van de strafvordering op te schorten, is het niet ontvankelijk.

Eerste middel van de eiser

Eerste onderdeel

12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 196 Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat eisers schriftelijke verklaring van 10 augustus 2007, die stelt dat de eiseres nooit met hem heeft gehandeld en hij deze enkel als borg be-schouwt, een vals stuk is omdat het in zekere mate als bewijs kan dienen van wat erin wordt vermeld of vastgesteld; om vals te kunnen zijn, moet een stuk echter minstens in zekere mate dienen tot bewijs van een rechtens relevant feit, dit is een feit dat iets kan teweegbrengen in de juridische realiteit; het arrest stelt echter geen dergelijk feit vast en de vermelde verklaring kan geen juridische draagwijdte hebben omdat de financiële draagkracht van een kandidaat geen benoemings-voorwaarde is voor het ambt van voorzitter van de rechtbank van koophandel en die verklaring bijgevolg niets kan teweegbrengen in de juridische realiteit.

13. Het misdrijf valsheid in geschriften als bedoeld in de artikelen 193, 196 en 214 Strafwetboek, bestaat erin in een door de wet beschermd geschrift, met be-drieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de waarheid te vermommen op een bij de wet bepaalde wijze, terwijl hieruit een nadeel kan ontstaan.

Een door de wet beschermd geschrift is een geschrift dat in zekere mate tot bewijs kan strekken, dit is zich aan het openbare vertrouwen opdringt, zodat de overheid of particulieren die ervan kennis nemen of aan wie het wordt voorgelegd, kunnen overtuigd zijn van de waarachtigheid van de rechtshandeling of van het rechtsfeit in dat geschrift vastgelegd of kunnen gerechtigd zijn daaraan geloof te hechten.

Het geschrift dat die rechtshandeling of dat rechtsfeit bevat, moet juridische draagwijdte hebben, dit wil zeggen dat het bestemd is tot bewijs van enig feit dat de rechtstoestand van de betrokken personen of zaken kan beïnvloeden.

Een geschrift dat rechtsverhoudingen tussen contractpartijen vaststelt met het oog op de toegang van één van die partijen tot een nagestreefd ambt, heeft juridische draagwijdte, ongeacht of de wijziging van de juridische realiteit die dat geschrift beoogt, verband houdt met het voldoen aan een wettelijke verplichting.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

14. Het arrest oordeelt onaantastbaar dat:

- het feit vastgesteld in de verklaring van 10 augustus 2007, met name dat de eiser nooit gehandeld heeft met de eiseres en hij haar enkel als borg beschouwt, niet met de werkelijkheid overeenkomt;

- de eiseres het voordeel nastreefde om tot voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel benoemd te worden en hierbij haar exacte financiële toestand verborgen wou houden, wat noodzakelijk was om dit doel te bereiken;

- de eiseres derhalve met die verklaring het opzet heeft gehad het bestaan van belangrijke leningen te ontveinzen ten aanzien van de instanties die haar dienden te beoordelen met het oog op een mogelijke voordracht;

- de eiseres door zo te handelen, het openbaar algemeen belang in het gedrang heeft of kan hebben gebracht.

Met die redenen duidt het arrest het juridisch relevante feit aan waarvan de verklaring tot bewijs kan dienen en verantwoordt het de beslissing naar recht.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 196 Strafwetboek: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat de eiseres de verkla-ring van 10 augustus 2007 niet heeft gebruikt om een rechtens relevant feit te be-wijzen of dat dit stuk enige maatschappelijke bewijswaarde had; de eiseres heeft de verklaring niet neergelegd bij de verenigde benoemings- en aanwijzingcom-missie van de Hoge Raad voor de Justitie en uit niets blijkt dat leden van die commissie die verklaring beschouwden als een rechtens relevant feit.

16. In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk.

17. Het arrest oordeelt onder meer:

"In haar tegenverklaring heeft [de eiseres] expliciet geschreven dat het document van 10 augustus 2007 slechts werd opgemaakt in het kader van haar kandidatuur-stelling.

Uit de verklaring zelf blijkt dat de toenmalige eerste voorzitter van het hof van be-roep te Brussel blijkbaar contact had opgenomen met [de eiser] eind juli 2007 - op een ogenblik dat [de eiseres] kandidaat was als voorzitter - en dit document n.a.v. die interpellatie werd opgesteld.

Uit deze gegevens alleen al blijkt afdoend dat het geschrift tot bewijs moest dienen van de overheid of van particulieren die er kennis van hebben genomen of aan wie het werd voorgelegd teneinde hen te overtuigen van de waarachtigheid van het feit dat in het geschrift was vastgesteld of die gerechtigd waren daaraan geloof te hechten."

18. Met die redenen oordeelt het arrest dat het geschrift ertoe strekte geloof-waardigheid te verschaffen aan eisers beweringen ten overstaan van de eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel en dat het geschrift dus maatschappe-lijke bewijswaarde heeft, zonder dat het verder dient te antwoorden op eisers doelloos verweer over het gebruik van het geschrift door de eiseres voor de in het onderdeel vermelde commissie. Aldus beantwoordt het arrest eisers verweer en is het regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

19. Het onderdeel voert schending aan van artikel 196 Strafwetboek: de verkla-ring van 10 augustus 2007 waarbij de eiser stelde dat hij nooit gehandeld heeft met de eiseres en hij haar enkel als borg beschouwt, bevat enkel een persoonlijke bewering en appreciatie die niet als waar kunnen worden beschouwd en maakt dus geen strafrechtelijk beschermd geschrift uit.

20. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser het bedoelde verweer voor de appelrechters heeft gevoerd.

Het onderdeel is nieuw, mitsdien niet ontvankelijk.

Vierde onderdeel

21. Het onderdeel voert schending aan van artikel 196 Strafwetboek: door te oordelen: "Door zo te handelen kan/heeft [de eiseres] het openbaar algemeen be-lang in het gedrang (hebben) gebracht door te laten uitschijnen dat zij op een re-gelmatige wijze benoemd werd tot een openbaar ambt en heeft zij de goede naam van de justitiële instanties aangetast die instaan voor het bewerkstelligen van be-noemingen van de juiste personen op de juiste plaats.", miskent het arrest het constitutief bestanddeel dat de valsheid een mogelijk nadeel moet kunnen berok-kenen.

22. Met het in het onderdeel aangehaalde oordeel geeft het arrest te kennen dat het mogelijk door de valsheid opgeleverde nadeel onder andere bestaat in reputa-tieschade in hoofde van de instanties die instaan voor benoemingen van magistra-ten, omdat de indruk gewekt wordt dat zij niet de meest geschikte kandidaten zouden selecteren. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel van de eiser

23. Het middel voert schending aan van artikel 7 EVRM en artikel 149 Grond-wet: het arrest beantwoordt niet eisers bij conclusie aangevoerde middel dat zijn vervolging niet beantwoordt aan de vereisten van artikel 7 EVRM omdat artikel 196 Strafwetboek voor de rechtszoekende onvoldoende voorspelbaar is om het strafbare karakter van zijn handelen in te schatten.

24. Met de in het middel aangehaalde aanvoering bevat eisers conclusie geen concreet verweer waaruit hij een rechtsgevolg afleidt. Het arrest dient bijgevolg dat verweer niet te beantwoorden.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel van de eiser

25. Het middel voert schending aan van de artikelen 479, 483 en 484 Wetboek van Strafvordering.

Eerste onderdeel

26. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte artikel 483 Wetboek van Strafvordering toepast en niet artikel 484 van dat wetboek; dat laatste artikel is van toepassing omdat de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel een vordering tot gerechtelijk onderzoek heeft ingesteld ten laste van een rechter in de rechtbank van koophandel die in de uitoefening van haar functie misdaden zou hebben gepleegd; krachtens artikel 484, tweede lid, Wetboek van Strafvordering worden voor de verdere rechtspleging de algemene bepalingen van dit wetboek toegepast; bijgevolg is artikel 479 Wetboek van Strafvordering niet van toepassing en kon niet de procureur-generaal bij rechtstreekse dagvaarding maar enkel een onderzoeksgerecht de zaak bij het hof van beroep aanhangig maken.

27. Artikel 479 Wetboek van Strafvordering, dat betrekking heeft op de vervol-ging en het onderzoek tegen rechters wegens misdaden en wanbedrijven door hen buiten hun ambt gepleegd, bepaalt: "Wanneer (...) een rechter (...) in de rechtbank van koophandel (...) ervan beschuldigd wordt buiten zijn ambt een misdrijf gepleegd te hebben dat een correctionele straf meebrengt, laat de procureur-generaal bij het hof van beroep hem dagvaarden voor dat hof, dat uitspraak doet, zonder dat beroep kan worden ingesteld."

Artikel 480 Wetboek van Strafvordering, dat dezelfde gevallen betreft, bepaalt: "Indien het een misdrijf betreft waarop een criminele straf is gesteld, wijst de pro-cureur-generaal bij het hof van beroep de magistraat aan die het ambt van officier van gerechtelijke politie zal waarnemen en de eerste voorzitter van dat hof de ma-gistraat die het ambt van onderzoeksrechter zal waarnemen."

Artikel 483 Wetboek van Strafvordering, dat betrekking heeft op de vervolging en het onderzoek tegen sommige rechters en rechtbanken wegens misdaden en wan-bedrijven in verband met hun ambt, bepaalt: "Wanneer (...) een rechter (...) in de rechtbank van koophandel (...) ervan beschuldigd wordt in zijn ambt een misdrijf gepleegd te hebben dat een correctionele straf meebrengt, dan wordt dat misdrijf vervolgd en gevonnist zoals in artikel 479 is bepaald."

Artikel 484 Wetboek van Strafvordering, dat dezelfde gevallen betreft, bepaalt:

"Wanneer ambtenaren van de hoedanigheid als vermeld in het vorige artikel ervan verdacht worden een misdaad te hebben gepleegd, worden de ambtsverrichtingen die in de regel behoren tot de bevoegdheid van de onderzoeksrechter en van de procureur des Konings, onmiddellijk waargenomen door de eerste voorzitter en de procureur-generaal bij het hof van beroep, ieder wat hem betreft, of door andere ambtenaren die zij onderscheidenlijk en bepaaldelijk daartoe aanwijzen.

Totdat die opdracht is gegeven en ingeval er een voorwerp van het misdrijf aan-wezig is, kan ieder officier van gerechtelijke politie dit vaststellen; voor de verdere rechtspleging worden de algemene bepalingen van dit wetboek toegepast."

Artikel 2, tweede lid, Wet Verzachtende omstandigheden bepaalt: "Evenzo kan het openbaar ministerie, indien geen gerechtelijk onderzoek is gevorderd, de be-klaagde rechtstreeks voor de correctionele rechtbank dagvaarden of oproepen met mededeling van de verzachtende omstandigheden of van de reden van verschoning, wanneer het van oordeel is dat er wegens verzachtende omstandigheden of om reden van verschoning geen grond is om een hogere straf te vorderen dan een correctionele straf."

28. Uit het geheel van die bepalingen volgt dat, wanneer een rechter, te dezen in de rechtbank van koophandel, verdacht wordt van het plegen van een correctiona-liseerbare misdaad in de uitoefening van zijn ambt, artikel 479 Wetboek van Strafvordering de algemene bepaling van dat wetboek is die moet worden toege-past wanneer de procureur-generaal voor die misdaad in zijn rechtstreekse dag-vaarding verzachtende omstandigheden meedeelt.

In zoverre het onderdeel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

29. De aangevoerde onwettigheid die erin bestaat dat het arrest ten onrechte ar-tikel 483 Wetboek van Strafvordering toepast in plaats van artikel 484 van dat wetboek, kan de eiser niet grieven.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

30. Het onderdeel voert aan dat het arrest dat oordeelt dat in geval van voorrecht van rechtsmacht, de strafvordering niet wordt ingesteld op het moment dat een magistraat met de hoedanigheid van onderzoeksrechter wordt gevat, maar pas door de dagvaarding ten gronde voor het hof van beroep, de in het middel vermelde bepalingen schendt.

31. In de bij de artikelen 479 en volgende Wetboek van Strafvordering bepaalde gevallen, behoudens in geval van verwijzing naar het hof van assisen, komt het al-leen aan de procureur-generaal bij het hof van beroep, met uitsluiting van de on-derzoeksgerechten, toe de strafvordering in te stellen bij het bevoegde vonnisge-recht. Van die regel wordt niet afgeweken wanneer de procureur-generaal vooraf de eerste voorzitter van het hof van beroep heeft gevorderd een onderzoek te ver-richten.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Vierde middel van de eiser

32. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en de artikelen 55 en 56 Wetboek van Strafvordering: op grond van de overwegingen die het bevat, oordeelt het arrest ten onrechte dat de aangestelde raadsheer-onderzoeksrechter zijn onderzoek à charge en à décharge heeft gevoerd en dat de strafvordering niet onontvankelijk is wegens miskenning van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces; uit de in eisers conclusie vernoemde stukken blijkt dat ver-gaderingen van de onderzoeksrechter met de politie werden bijgewoond door het openbaar ministerie; uit bepaalde processtukken die de eiser in zijn conclusie heeft vernoemd, blijkt dat de raadsheer-onderzoeksrechter het parket-generaal verschillende malen zelf heeft aangestuurd in het uitbreiden van zijn vorderingen.

33. De omstandigheid dat de eiser in zijn conclusie verwijst naar stukken die geen processtukken zijn, heeft niet tot gevolg dat het Hof op die stukken vermag acht te slaan.

In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.

34. Met de redenen die het bevat en waarnaar het middel verwijst, verantwoordt het arrest de beslissing dat de strafvordering ontvankelijk is, naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

35. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 188,71 euro waarvan de eiseres I 94,35 euro verschuldigd is en de eiser II 94,36 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Luc Van hoogenbemt, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 24 september 2013 uitgesproken door raadsheer Luc Van hoogenbemt, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen E. Francis A. Lievens

P. Hoet A. Bloch L. Van hoogenbemt

Vrije woorden

  • Door de wet beschermd geschrift

  • Juridische draagwijdte van het geschrift

  • Geschrift dat rechtsverhoudingen tussen contractpartijen vaststelt