- Arrest van 26 september 2013

26/09/2013 - C.11.0712.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Enkel de waardevermindering die rechtstreeks voortvloeit uit het bouwverbod in beschermd duingebied of in voor het duingebied belangrijk landbouwgebied komt in aanmerking voor vergoeding; wanneer de waardevermindering die zich voordoet tussen de verwerving van het goed en het ontstaan van het recht op schadevergoeding voor een deel kan worden toegerekend aan een andere oorzaak dan aan het bouwverbod, mag de financiële weerslag die het gevolg is van die andere oorzaak niet in de berekening van de waardevermindering worden opgenomen; dit leidt tot een aanpassing van de restwaarde, waarbij de externe oorzaak wordt weggedacht bij het bepalen van de verkoopwaarde van het goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding (1). (1) Zie concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0712.N

VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de per-soon van de minister-president, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Leef-milieu, Natuur en Cultuur, met kantoor te 1000 Brussel, Koolstraat 35, bus 5,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. REWA BENELUX nv, in vereffening, met zetel te 2600 Antwerpen (Berchem), Boomgaardstraat 76, vertegenwoordigd door haar vereffenaar Luc MORTELMANS, wonende te 2500 Lier, Leopoldsplein 37,

2. AXA BANK EUROPE nv, met zetel te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorst-laan 25,

verweersters,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de verweersters woon-plaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 16 november 2010.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft op 24 juli 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 7 Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 44, § 1, 1°, van de wet 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en stedenbouw;

- artikel 42, § 1, eerste lid, 1°, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals van toepassing vóór de opheffing bij artikel 104 van het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling, van het ruimtelijke plannings-, vergunningen-en handhavingsbeleid;

- de artikelen 52, § 1, derde lid, 54, § 2, § 3 en § 4 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest;

- artikel 52, § 1, tweede lid, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud zowel in de versie vóór als na de wijziging bij artikel 3 van het decreet van 21 december 1994 houdende bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 16 november 1994 betreffende de definitieve aanwijzing van de beschermde duingebieden en van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, en houdende wijziging van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;

- artikel 54, § 1, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, zowel in de versie vóór als na de wijziging bij artikel 3 van het Vlaams decreet van 29 november 1995 houdende bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 4 oktober 1995 betreffende de definitieve aanwijzing van de be-schermde duingebieden en van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden die aangeduid werden door het besluit van de Vlaamse regering van 16 november 1994 betreffende de aanwijzing van de beschermde duingebieden en van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, maar niet door het besluit van de Vlaamse regering van 15 september 1993 betreffende de aanduiding van beschermde duingebieden en voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, en houdende wijziging van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;

- de artikelen 3 en 4 van het decreet van 21 december 1994 houdende be-krachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 16 november 1994 betreffende de definitieve aanwijzing van de beschermde duingebieden en van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, en houdende wijziging van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;

- de artikelen 63, 64 en 65 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;

- artikel 8 van het besluit van de Vlaamse regering van 22 oktober 1996 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 24 september 1996 tot coördinatie van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw;

- artikel 1, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 8 oktober 1996 tot uitvoering van artikel 54 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud,

Bestreden beslissing

Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiser ontvankelijk maar ongegrond en het incidenteel hoger beroep van de verweersters ontvankelijk en gegrond zoals hierna bepaald, hervormt het vonnis a quo voor zover het oordeelt over de grond van de vordering van de eerste verweerster en verklaart de vordering van de eerste verweerster gegrond in volgende mate, veroordeelt de eiser tot de betaling aan de eerste verweerster van 979.309,84 EUR, plus de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet op 2.088.162,65 EUR vanaf 6 december 1995 tot 8 februari 2002, op 27.682,26 EUR vanaf 6 december 1995 tot 22 februari 2002, op 2.017.757,11 EUR vanaf 6 december 1995 tot 22 februari 2002, op 42.723,27 EUR vanaf 6 december 1995 tot 15 maart 2002, op 979.309,84 EUR euro vanaf 6 december 1995 tot 22 april 1998, waarna de gerechtelijke intresten aan dezelfde rentevoet, en verklaart de incidentele vordering van de eiser ont-vankelijk maar ongegrond en dit op volgende gronden:

"4.2. De vergoeding overeenkomstig artikel 54

4.2.1. De waarde van het goed op het ogenblik van verwerving

Artikel 1, § 1, van het Besluit van de Vlaamse regering van 8 oktober 1996 tot uitvoering van artikel 54 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud bepaalt dat in aanmerking wordt genomen als waarde van het goed op het ogenblik van verwerving: ‘het bedrag dat als grondslag heeft gediend voor de heffing van de registratie- of successierechten over de volle eigendom van het goed van de aanvrager of, bij ontstentenis van zulke heffing, de verkoopwaarde van het goed in volle eigendom op de dag van de verwerving door de aanvrager'.

(De verweersters) werpen op dat deze regeling onwettig is, omdat de Vlaamse regering aldus de bevoegdheid te buiten gaat die haar is gegeven door artikel 54, § 6, Wet op het natuurbehoud. Dit bepaalt: ‘De Vlaamse Executieve bepaalt de uitvoeringsmodaliteiten van dit artikel, inzonderheid wat betreft de vaststelling van de waarde van het goed en de actualisering ervan. Wat de actualisering betreft, dient deze te geschieden op basis van de evolutie van de index van de consumptieprijzen'. Anders dan (de verweersters) menen, bepaalt de Vlaamse regering door de verwijzing naar de grond voor de registratierechten niet de waarde, maar bepaalt zij de wijze waarop de waarde wordt vastgesteld, wat dus een uitvoeringsmodaliteit is. Er is dus geen reden om het besluit wat dit betreft buiten toepassing te verklaren. Overigens is de verwijzing naar de registratierechten niet onlogisch; die worden immers geheven op de verkoopprijs, en die mag geacht worden te beantwoorden aan de marktwaarde.

Terecht laten (de verweerders) gelden dat ‘het goed' moet begrepen worden als het gehele onroerend goed, dit is met inbegrip van de gebouwen, en niet enkel de grond. (De eiser) stelt dat alleen de grond en de daarmee overeenstemmende waarde in aanmerking mag genomen worden, maar die beperking vindt geen steun in de tekst van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud of van het Besluit van de Vlaamse regering van 8 oktober 1996 tot uitvoering van artikel 54. Het goed dat (de eerste verweerster) had verworven, was een perceel met gebouwen, en niet een onbebouwd perceel. (De eiser) stelt dat alleen de grond wordt getroffen door een bouwverbod en dat gebouwen in stand mogen worden gehouden; indien dat een verwijzing is naar artikel 52, § 1, derde lid, Wet op het natuurbehoud (dat luidt: Het bouwverbod geldt niet voor instandhoudingswerken aan gebouwen of woningen in de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden. In de beschermde duingebieden en in de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden geldt het bouwverbod niet voor werken noodzakelijk voor een efficiënt natuurbeheer, natuurherstel, natuurontwikkeling, kustverdediging en voor slopingswerken van woningen of gebouwen) dan is dat onterecht, nu dat pas bij decreet van 21 oktober 1997 werd ingevoegd. Overigens laat die bepaling ook geen instandhoudingswerken toe in het duinengebied.

(De eerste verweerster) heeft de opstallen verworven onder het regime van de btw. Wat dat betreft moet dus overeenkomstig artikel 1, § 1, van het Besluit van 8 oktober 1996, bij gebrek aan grond van heffing van registratierechten, de verkoopwaarde in aanmerking genomen worden.

(De eerste verweerster) komt overeenkomstig het bovenstaande tot een waarde bij verwerving van 190.000.000 BEF, of, geactualiseerd door middel van de index van de consumptieprijzen, 227.977.280 BEF. (De eiser) betwist deze berekening op zich niet.

4.2.2. De kosten van verwerving en de uitgaven met het oog op de realisatie van de bestemming

Artikel 2, tweede lid, Besluit van de Vlaamse regering van 8 oktober 1996 tot uit-voering van artikel 54 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud bepaalt dat de geactualiseerde waarde van het goed bij verwerving wordt ‘verhoogd met de kosten van verwerving en met de uitgaven die de aanvrager heeft gedaan met het oog op de realisatie van de bestemming van het goed tot op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het bouwverbod volgend uit een definitieve aanduiding als beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied'.

In overeenstemming met het bovenstaande onder 4.1.1 moeten al de kosten en erelonen met betrekking tot de akten van aankoop aangerekend worden, zonder daarbij een proportioneel gedeelte voor de verwerving van de gebouwen af te trekken. Overigens, zelfs indien de gebouwen niet werden meegerekend in de waarde bij verwerving, dan hadden deze kosten ook moeten aangerekend worden: om de gronden te verwerven heeft (de eerste verweerster) immers de facto ook kosten moeten maken voor de gebouwen die er nu eenmaal op stonden. De registratierechten, erelonen en kosten bedroegen naar opgave van (de eerste verweerster), die niet wordt betwist, 1.116.975 BEF, 7.310.345 BEF en 195.324 BEF, of samen 8.622.644 BEF.

Terecht heeft de eerste rechter de bijkomende registratierechten in aanmerking genomen die verschuldigd waren doordat (de eerste verweerster) het onroerend goed heeft verworven als vastgoedmakelaar aan het tarief van 5 % in plaats van 12,5 % mits de verplichting tot verkoop binnen de tien jaar en zij niet heeft kunnen verkopen binnen de tien jaar. Anders dan (de eiser) voorhoudt, is dit een rechtstreeks gevolg van de aanduiding als beschermd duingebied. Die heeft immers de uitvoering van het project van (de eerste verweerster), en dus de geplande doorverkoop, belet. Alleen met het oog op die doorverkoop en dus met het oog op de realisatie van de bestemming van het goed tot op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het bouwverbod, heeft (de eerste verweerster) immers het tarief van 5 % genoten. Het kan (de eerste verweerster) niet ten kwade geduid worden dat zij heeft verkozen haar grond niet te verkopen als duin en af te zien van de betwisting van de aanduiding als duingebied.

Aangezien de niet-verkoop binnen de 10 jaar de heffing meebrengt van 12,5 % zonder verrekening van de reeds betaalde 5 %, moet de gehele 12,5 % aangerekend worden als het verloren bijkomend registratierecht, en niet, zoals de eerste rechter oordeelde, het verschil tussen de 5 % en de 12,5 %. Dat de 12,5 % heffing supplementair verschuldigd werd, is niet het gevolg van een bewuste of ongelukkige keuze van (de eerste verweerster), maar van het bouwverbod dat haar heeft verrast.

Het (hof van beroep) rekent dus de volledige bijkomende registratierechten, of 20.775.862 BEF, aan als kosten van verwerving.

Zoals de eerste rechter meent het (hof van beroep) dat de kosten en lasten van financiering en borgstellingkosten voor de aankoop niet kunnen worden opgenomen als kosten van verwerving. Anders dan de eerste rechter overweegt, houden zij weliswaar verband met de verwerving. Zij kunnen evenwel niet worden aangerekend zonder niet alleen de prijs maar ook de prijs van de prijs toe te kennen. Anders gezegd: tegenover de financieringslast staat de waarde van het verworven goed, en indien de waardevermindering uit het bouwverbod wordt vergoed, is er geen reden om ook de financiering te vergoeden. Artikel 54 Wet op het natuurbehoud en het besluit van 8 oktober 1996 bieden geen grond tot aanrekening van de kosten en lasten van financiering en borgstellingkosten bij de bepaling van de vergoeding wegens onbebouwbaarheid.

(De eerste verweerster) beroept zich in dit verband op artikel 54, § 8, Wet op het natuurbehoud, dat bepaalt dat bij de terugkoop door (de eiser) van het enige perceel van een natuurlijke persoon de waarde wordt verhoogd met de lasten en de kosten, de financieringskosten inbegrepen, en op artikel 7 van het besluit van 8 oktober 1996, dat bepaalt dat bij aankoop door (de eiser) de waarde wordt verhoogd met de lasten en de kosten, de financieringskosten inbegrepen. Dat in dat geval de financieringskosten worden inbegrepen laat verstaan dat die anders, a contrario, niet gelden als lasten en kosten. Ten onrechte ziet (de eerste verweerster) een schending van het gelijkheidsbeginsel in de ongelijke behandeling van ongelijke gevallen.

(De eerste verweerster) herneemt haar vordering met betrekking tot 16.066.121 BEF aan kosten die zij stelt gemaakt te hebben voor de realisatie van de bestemming. De eerste rechter heeft daarvan slechts 6.628.672 BEF aanvaard en heeft geoordeeld dat voor de rest niet vaststaat dat zij uitgaven vertegenwoordigen die in verband stonden met de realisatie van de bestemming (de bundel stukken ter zake vormt stuk 12 van (de eiser)). (De eerste verweerster) brengt geen concrete en door stukken onderbouwde argumenten voor die het (hof van beroep) ertoe brengen daarvan af te wijken.

4.2.3. De restwaarde

De partijen zijn het eens over de restwaarde, met name 4.072.200 BEF.

4.2.4 De afrekening

In overeenstemming met het bovenstaande ontstaat volgende afrekening:

geactualiseerde verwervingswaarde 227.977.280 BEF

kosten van verwerving 8.622.644 BEF

bijkomende registratierechten 20.775.862 BEF

kosten voorde realisatie van de bescherming 6.628.672 BEF

totaal 264.044.458 BEF

min restwaarde- 4.072.200 BEF

waardevermindering 259.972.258 BEF

Artikel 54, § 4, bepaalt dat de waardevermindering ten belope van 20 % zonder vergoeding moet gedoogd worden. De waardevermindering wordt dus vermenigvuldigd:

maal 80 % 207.977.806 BEF

min reeds uitgekeerde vergoeding 168.472.545 BEF

verschuldigd saldo 39.505.261 BEF

of 979.309,84 EUR

Grieven

Eerste onderdeel

1, Naar luid van artikel 52, § 1, tweede lid, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud houdt de aanduiding als beschermd duingebied of als voor het duingebied belangrijk landbouwgebied, vanaf de publicatie van het besluit een volledig bouwverbod in, ongeacht de bestemming van het goed volgens de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen, van kracht in de ruimtelijke ordening of volgens de verleende verkavelingsvergunningen.

Dit bouwverbod vestigt een erfdienstbaarheid van algemeen nut. Als beperking van het eigendomsrecht in het algemeen belang door een niet foutieve handeling van de overheid, doet ze voor de eigenaar geen recht op vergoeding ontstaan, tenzij de wet of het decreet anders bepaalt.

Luidens artikel 54, § 1, Wet op het natuurbehoud, in de versie zoals ingevoegd bij artikel 2 van het Vlaams decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen, is schadevergoeding ingevolge het in artikel 52 bedoelde bouwverbod verschuldigd "wanneer het bouwverbod een einde maakt aan de bestemming als woongebied en voor zover overeenkomstig de geldende voorschriften en beleidsregels op basis van deze bestemming effectief een bouwvergunning kon worden afgeleverd'.

Artikel 54, § 1, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, in de versie zoals vervangen bij artikel 3 van het Vlaams decreet van 29 november 1995 "houdende bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 4 oktober 1995 betreffende de definitieve aanwijzing van de beschermde duingebieden en van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden die aangeduid werden door het besluit van de Vlaamse regering van 16 november 1994 betreffende de aanwijzing van de beschermde duingebieden en van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, maar niet door het besluit van de Vlaamse regering van 15 september 1993 betreffende de aanduiding van beschermde duingebieden en voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, en houdende wijziging van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud', voorziet een recht op schadevergoeding ingevolge het bij artikel 52, § 1, tweede lid, van dezelfde wet voorziene bouwverbod "wanneer dit verbod, volgend uit een definitieve aanduiding als beschermd duinge-bied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied, een einde maakt aan de bestemming volgens de geldende plannen van aanleg of verkavelingsvergunningen die de grond had de dag voorafgaand aan de bekendmaking van het besluit tot voorlopige aanduiding als beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied'.

Luidens artikel 54, § 2, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud ontstaat het recht op schadevergoeding "bij overdracht van het goed, bij de afgifte van een weigering van bouwvergunning of bij de afgifte van een negatief stedenbouwkundig attest, mits de overdracht of de afgifte geschiedt na de bekendmaking van het besluit tot definitieve aanduiding als beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied'. De vergoedbare schade is, naar luid van artikel 54, § 4, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud "enkel de waardevermindering rechtstreeks voortvloeiende uit het in artikel 52 bedoelde bouwverbod'. Echter dient, naar luid van hetzelfde voorschrift, de waardevermindering ten belope van twintig procent zonder vergoeding te worden gedoogd.

Deze waardevermindering die voor schadeloosstelling in aanmerking komt dient, naar luid van artikel 54, § 3, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud "te worden geraamd als het verschil tussen eensdeels de waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving, geactualiseerd tot op de dag van het ontstaan van het recht op schadevergoeding en verhoogd met de lasten en kosten, zonder rekening te houden met het bouwverbod, en anderdeels de waarde van het goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding".

Krachtens artikel 1, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 8 oktober 1996 tot uitvoering van artikel 54 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, dient voor de toepassing van artikel 54, § 3, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, in aanmerking te worden genomen als waarde van het goed op het ogenblik van verwerving: "het bedrag dat als grondslag heeft gediend voor de heffing van de registratie- of successierechten over de volle eigendom van het goed van de aanvrager of, bij ontstentenis van zulke heffing, de verkoopwaarde van het goed in volle eigendom op de dag van de verwerving door de aanvrager". Naar luid van dezelfde bepaling geldt als waarde van het goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding: "a) in geval van overdracht van het goed, het bedrag dat als grondslag heeft gediend voor de heffing van de registratie- of successierechten over de volle eigendom van het goed van de aanvrager of, indien zulke heffing ontbreekt, de verkoopwaarde van het goed in volle eigendom op de dag van de overdracht door de aanvrager, met als minimum de overeengeko-men waarde; b) in geval van weigering van een bouwvergunning of in geval van negatief stedenbouwkundig attest, de verkoopwaarde op het ogenblik van de afgifte van de weigering of van de afgifte van het negatief stedenbouwkundig attest'.

2. Het bouwverbod treft het goed zoals het bestaat op het ogenblik van de aanduiding als beschermd duingebied.

De berekening van de waardevermindering met toepassing van artikel 54, § 3, Wet op het natuurbehoud, dient te gebeuren rekening houdende met de staat van het goed sinds de aanduiding ais beschermd duingebied. Wanneer het goed onbebouwd is, zal alleen de geactualiseerde verwervingswaarde van de grond als berekeningsbasis dienen voor de begroting van de schadevergoeding, ook al was het goed bebouwd ten tijde van de verwerving.

De schadeloosstelling beoogt uiteindelijk het verschil te vergoeden tussen de waarde die het goed op een welbepaald tijdstip -m.n. het tijdstip van het ontstaan van het recht op schadevergoeding bij overdracht, weigering bouwvergunning, of negatief stedenbouwkundig attest - zou gehad hebben zonder het bouwverbod, en de waarde die hetzelfde goed, op datzelfde tijdstip, nog heeft ingevolge de bescherming.

Indien naast de verwervingswaarde van de grond ook de verwervingswaarde van de opstallen-gebouwen in rekening zou gebracht worden, hoewel deze gebouwen niet meer bestaan bij de bescherming als duingebied, zou een vergoeding worden toegekend wegens een niet rechtstreeks door de bescherming als duingebied veroorzaakte waardevermindering.

3. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt:

- dat de eerste verweerster, sinds september 1988, ingevolge aankoop, eigenares is van percelen gelegen te De Panne, en dat zij 166.206.897 frank betaalde voor de gronden, en 23.793.103 frank voor de bestaande constructies;

- dat de eerste verweerster na aankoop de constructies afbrak;

- dat de percelen van de eerste verweerster met ingang van 30 november 1994 definitief werden aangeduid als beschermd duingebied;

- dat op 20 november 1995 door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente De Panne een negatief stedenbouwkundig attest werd afgeleverd aan eerste verweerster;

- dat de restwaarde van de percelen (de gronden) op 20 november 1995 4.072.200 frank bedraagt.

De eerste rechter berekende de aan de eerste verweerster verschuldigde schadeloosstelling voor waardevermindering, rekening houdende met de verwervingswaarde van de grond, met uitsluiting van de verwervingswaarde van de door de eerste verweerster, nog voordat de terreinen getroffen werden door het bouwverbod, afgebroken constructies.

De verweersters vorderden bij incidenteel hoger beroep dat ook de verwervingswaarde van de constructies in rekening zou gebracht worden.

De eiser verzette zich hiertegen in conclusie, o.a. aanvoerend dat alleen de verwervingswaarde van de grond in rekening kan gebracht worden om reden dat de gebouwen niet werden getroffen door het bouwverbod, nu ze "zelfs niet meer op het ogenblik van de bescherming als duinengebied (bestonden), gezien (de eerste verweerster) ze na de aankoop op eigen initiatief had gesloopt, zodat de verdwijning ervan en de ermee gepaarde waardevermindering, niet in oorzakelijk verband staat met het bouwverbod'.

4. Het bestreden arrest hervormt de beslissing a quo, en neemt als verwervingswaarde voor de berekening van de schadeloosstelling de verkoopwaarde van de gronden met gebouwen (190.000.000 frank, geactualiseerd tot 227.977.280 euro ).

Het steunt deze beslissing o.m. op de overweging dat "het goed", in de zin de wet op het natuurbehoud van 12 juli 1973, inzonderheid artikel 54, § 3, en het uitvoeringsbesluit van 8 oktober 1996, inzonderheid artikel 1, § 1, moet begrepen worden als het gehele onroerend goed "dit is met inbegrip van de gebouwen, en niet enkel de grond", en dat het goed dat de eerste verweerster had verworven, een perceel was met gebouwen, en niet een onbebouwd perceel.

Deze omstandigheden sluiten echter niet uit dat wanneer, zoals te dezen, de gebouwen niet meer bestaan op het tijdstip van de bescherming als duingebied, het bouwverbod niet de rechtstreekse oorzaak kan zijn, in de zin van artikel 54, § 4, Wet op het natuurbehoud, van een waardevermindering die het verlies omvat van het gebouw, en sluiten evenmin uit dat het verlies van het gebouw niet als een "waardevermindering" van het goed, in de zin van artikel 54, § 3, Wet op het natuurbehoud, kan worden beschouwd.

Nu het bestreden arrest zelf vaststelt dat de eerste verweerster na de aankoop, in 1988, de gebouwen heeft doen afbreken, en aldus blijkt dat de percelen van de eerste verweerster bij de bescherming als duingebied en nadien bij het ontstaan van het recht op schadevergoeding ingevolge het negatief stedenbouwkundig attest van 1995, niet bebouwd waren, minstens nu het bestreden arrest niet uitsluit dat, zoals aangenomen door de eerste rechter en zoals aangevoerd door de eiser in conclusie, de gebouwen, op het ogenblik van het bouwverbod, niet meer bestonden, kon het niet wettig de verwervingswaarde van deze gebouwen mede in rekening brengen voor de berekening van de bij artikel 54, § 3, Wet op het natuurbehoud van 12 juli 1973 voorziene schadeloosstelling.

Door op die wijze de waardevermindering ingevolge het bouwverbod te berekenen, laat het bestreden arrest na de waarden van hetzelfde goed zonder- en met het bouwverbod, te vergelijken, laat het na het waardeverlies te berekenen op grond van de staat waarin het goed zich bevindt ten tijde van het ontstaan van het recht op schadevergoeding (schending van de artikelen 52, § 1, tweede lid, 54 § 2, § 3 en § 4 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest; artikel 54, § 1, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, zowel in de versie vóór als na de wijziging bij artikel 3 van het Vlaams decreet van 29 november 1995, artikel 1, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 8 oktober 1996 tot uitvoering van artikel 54 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud), en kent het vergoeding toe voor een waardevermindering die niet rechtstreeks door het bouwverbod werd veroorzaakt, en voor een verlies waarvoor de wet op het natuurbehoud geen vergoeding onder de vorm van waardevermindering voorziet (schending van dezelfde wetsbepalingen).

Tweede onderdeel

5. Overeenkomstig artikel 52, § 1, tweede lid, Wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud houdt de aanduiding als beschermd duingebied of als voor het duingebied belangrijk landbouwgebied, vanaf de publicatie van het besluit een volledig bouwverbod in, ongeacht de bestemming van het goed volgens de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen, van kracht in de ruimtelijke ordening of volgens de verleende verkavelingsvergunningen.

Het bouwverbod verleent een recht op schadevergoeding aan de eigenaar of de houder van zakelijke rechten onder de voorwaarden gesteld bij artikel 54, § 1 en § 2, Wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, zoals weergegeven in het eerste onderdeel en hier uitdrukkelijk als hernomen aangezien.

De schadevergoeding wordt berekend op de wijze voorzien in artikel 54, § 3 en § 4, Wet op het natuurbehoud, en artikel 1, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 8 oktober 1996 tot uitvoering van artikel 54 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, zoals weergegeven in het eerste onderdeel en hier als uitdrukkelijk hernomen aangezien.

6. Naar luid van artikel 52, § 1, tweede lid, in fine, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, zoals van toepassing vóór de wijziging bij artikel 3 van het decreet van 21 december 1994 "houdende bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 16 november 1994 betreffende de definitieve aanwijzing van de beschermde duingebieden en van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, en houdende wijziging van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud', geldt het bouwverbod niet "voorzover het gaat om verbouwing, herbouw en uitbreiding van bestaande landbouwbedrijven en voor zover deze werken geen wijziging van de landbouwbestemming tot gevolg hebben".

Bij artikel 3 van voornoemd decreet van 21 december 1994 werd in artikel 52, § 1, tweede lid, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, na de eerste zin de volgende zin ingevoegd: "Het bouwverbod heeft betrekking op alle werken die vergunningsplichtig zijn overeenkomstig artikel 44 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw." Dit decreet van 21 december 1994 is, overeenkomstig artikel 7, in werking getreden op de dag van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, m.n. 30 december 1994.

Deze verduidelijking van het begrip bouwverbod is een interpretatieve bepaling, zodat zij, overeenkomstig artikel 7 Gerechtelijk Wetboek, door de rechter met terugwerkende kracht moet worden toegepast overeenkomstig de bedoeling van de wetgever.

Bij artikel 4 van voornoemd decreet van 21 december 1994 werden in artikel 52, § 1, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud een derde en een vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt:

"Het bouwverbod geldt niet voor instandhoudingswerken aan gebouwen of woningen in de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden. In de beschermde duingebieden en in de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden geldt het bouwverbod niet voor werken noodzakelijk voor een efficiënt natuurbeheer, natuurherstel, natuurontwikkeling, kustverdediging en voor slopingswerken van woningen of gebouwen.

Artikel 45, § 2, Wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw is van toepassing op de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, mits uitsluiting van wijziging van gebruik."

Bij artikel 8 van het besluit van 22 oktober 1996 van de Vlaamse regering "tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 24 september 1996 tot coördinatie van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw", werden in artikel 52, § 1, tweede lid, Wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, de woorden "de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw" vervangen door de woorden "het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996".

Het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, en inzonderheid de artikelen 63, 64 en 65, brachten geen wijzigingen aan in artikel 52, § 1, tweede tot vierde lid, Wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud.

7. Het met ingang van 30 december 1994 bij artikel 4 van voornoemd decreet van 21 december 1994 in artikel 52, § 1, Wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud toegevoegde derde lid inzake "instandhoudingswerken aan gebouwen of woningen", is zinloos, in die zin dat instandhoudingswerken (en onderhoudswerken) reeds op grond van de stedenbouwwetgeving zelf, inzonderheid het voor huidig geschil relevant artikel 44, § 1, 1°, Wet 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en stedenbouw en artikel 42, § 1, eerste lid, 1°, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, niet vergunningsplichtig zijn, en derhalve de omschrijving van het bouwverbod, in artikel 52, § 1, tweede lid, in fine, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, als betrekking hebbend "op alle werken die vergunningsplichtig zijn overeenkomstig artikel 44 Wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw", volstaat.

De decreetgever van 21 december 1994 achtte het, blijkens de voorbereidende werken van dit decreet, niettemin nuttig het voorschrift inzake de niet gelding van het bouwverbod "voor instandhoudingswerken aan gebouwen of woningen in de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden" expliciet op te nemen "om klaar en duidelijk te stellen dat instandhoudingswerken mogelijk blijven" (Gedr. St. VI. Parl., 1994-1995, nr. 632/4, p. 26). De omstandigheid dat de decreetgever dit enkel expliciteerde voor "het duingebied belangrijk landbouwgebied', en niet voor "het beschermd duingebied', is louter het gevolg van de tijdens de voorbereidende werken ten onrechte weerhouden omstandigheid dat in het "beschermd duingebied" geen zonevreemde gebouwen zijn.

8. De verweersters vorderden bij incidenteel hoger beroep dat ook de verwervingswaarde van de nog voor de bescherming als duingebied afgebroken constructies, in rekening zou gebracht worden bij het bepalen van de ver-wervingswaarde.

De eiser verzette zich hiertegen in conclusie, o.a. aanvoerend dat alleen de verwervingswaarde van de grond in rekening kan gebracht worden om reden dat de gebouwen niet werden getroffen door het bouwverbod, nu ze "zelfs niet meer op het ogenblik van de bescherming als duinengebied (bestonden), gezien (de eerste verweerster) ze na de aankoop op eigen initiatief had gesloopt zodat de verdwijning ervan en de ermee gepaarde waardevermindering, niet in oorzakelijk verband staat met het bouwverbod' (appelconclusie eiser, neergelegd 28 maart 2008, p. 34, derde alinea).

9. Het bestreden arrest oordeelt dat ook de verwervingswaarde van het afgebroken gebouw in rekening moet gebracht worden bij de berekening van de schadevergoeding, en overweegt in dit verband "(dat) het goed dat (de eerste verweerster) had verworven, een perceel met gebouwen (was), en niet een onbebouwd perceel; (dat) (de eiser) stelt dat alleen de grond wordt getroffen door een bouwverbod en dat gebouwen in stand mogen worden gehouden; (dat) indien dat een verwijzing is naar artikel 52, § 1; derde lid, Wet op het natuurbehoud, dat (dan) onterecht (is), nu dat pas bij decreet van 21 oktober 1997 werd ingevoegd; (dat) overigens die bepaling ook geen instandhoudingswerken (toelaat) in het duinengebied'.

Aldus oordeelt het bestreden arrest ten onrechte dat de verduidelijking, in artikel 52, § 1, derde lid, Wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, dat het bouwverbod niet geldt voor "instandhoudingswerken aan gebouwen of woningen in de voor het duinengebied belangrijke landbouwgebieden" pas werd ingevoerd bij decreet van 21 oktober 1997, nu deze verduidelijking reeds werd ingevoerd bij decreet van 21 december 1994 (schending van artikel 4 van het decreet van 21 december 1994 houdende bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 16 november 1994 betreffende de definitieve aanwijzing van de beschermde duingebieden en van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, en houdende wijziging van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, artikelen 63, 64 en 65 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, en artikel 52, § 1, derde lid, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud).

Bovendien kon het bestreden arrest niet wettig, impliciet doch zeker, oordelen dat instandhoudingswerken aan gebouwen in beschermd duingebied, zoals te dezen, niet toegelaten zijn, nu dergelijke werken, overeenkomstig artikel 52, § 1, tweede lid, in fine, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, artikel 44, § 1, 1°, van de wet 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en stedenbouw en artikel 42, § 1, eerste lid, 1°, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, wel toegelaten zijn nu ze niet vergunningsplichtig zijn (schending van artikel 7 Gerechtelijk Wetboek, artikel 52, § 1, tweede lid, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud in de versies aangehaald in de aanhef van het middel, artikelen 3 en 4 van het decreet van 21 december 1994 houdende bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 16 november 1994 betreffende de definitieve aanwijzing van de beschermde duingebieden en van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, en houdende wijziging van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, artikel 8 van het besluit van de Vlaamse regering van 22 oktober 1996 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 24 september 1996 tot coördinatie van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, artikel 44, § 1, 1°, van de wet 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en stedenbouw en artikel 42, § 1, eerste lid, 1°, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996).

In zoverre het bestreden arrest dan ook oordeelt dat niet alleen de verwervingswaarde van de grond, maar ook de verwervingswaarde van de gebouwen in rekening moet gebracht worden bij de begroting van de schadevergoeding -ook al brak de eerste verweerster de gebouwen af nog vóór de bescherming als duingebied- om reden dat ook gebouwen door het bouwverbod worden getroffen, in die zin dat zelfs geen instandhoudingswerken meer zijn toegelaten, miskent het alle voornoemde wetsbepalingen, en kon het niet wettig een totale verwervingswaarde van 190.000.000 frank begroten, geactualiseerd naar 20 november 1995 op 227.977.280 frank (schending van alle voornoemde wetsbepa-lingen evenals de artikelen 54, § 1, § 2, § 3 en § 4, Wet op het natuurbehoud, en artikel 1, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 8 oktober 1996 tot uitvoering van artikel 54 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud).

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1139, 1146 en 1153 Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 52, § 1, tweede lid, 54, § 2, § 3 en § 4 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;

- artikel 54, § 1, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, zowel in de versie vóór als na de wijziging bij artikel 3 van het Vlaams decreet van 29 november 1995 houdende bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 4 oktober 1995 betreffende de definitieve aanwijzing van de be-schermde duingebieden en van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden die aangeduid werden door het besluit van de Vlaamse regering van 16 november 1994 betreffende de aanwijzing van de beschermde duingebieden en van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, maar niet door het besluit van de Vlaamse regering van 15 september 1993 betreffende de aanduiding van beschermde duingebieden en voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, en houdende wijziging van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;

- artikel 1, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 8 oktober 1996 tot uitvoering van artikel 54 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud.

Bestreden beslissing

Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiser ontvankelijk maar ongegrond, het incidenteel hoger beroep van de verweersters ontvankelijk en gegrond zoals hierna bepaald, hervormt het vonnis a quo voor zover het oordeelt over de grond van de vordering van de eerste verweerster en verklaart de vordering van de eerste verweerster gegrond in volgende mate, veroordeelt de eiser tot de betaling aan de eerste verweerster van 979.309,84 EUR, plus de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet op 2.088.162,65 EUR vanaf 6 december 1995 tot 8 februari 2002, op 27.682,26 EUR vanaf 6 december 1995 tot 22 februari 2002, op 2.017.757,11 EUR vanaf 6 december 1995 tot 22 februari 2002, op 42.723,27 EUR vanaf 6 december 1995 tot 15 maart 2002, op 979.309,84 EUR euro vanaf 6 december 1995 tot 22 april 1998, waarna de gerechtelijke intresten aan dezelfde rentevoet, verklaart de incidentele vordering van de eiser ontvankelijk, maar ongegrond, en dit op volgende gronden:

"4.2.5, De intresten

(De eiser) betwist dat vergoedende intresten verschuldigd zijn, omdat artikel 54 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud en het Besluit van de Vlaamse regering van 8 oktober 1996 daartoe geen grond bieden. Volgens hem kunnen alleen verwijlintresten toegekend worden.

Het klopt dat de vermelde bepalingen niets uitdrukkelijks bevatten over intresten. Wel bepaalt artikel 54, § 2, het ogenblik wanneer het recht op schadevergoeding ontstaat, dit is onder meer bij de afgifte van een negatief stedenbouwkundig attest. Op dat moment ontstaat de betalingsverplichting van een waardeschuld. Indien die met vertraging wordt voldaan, zoals hier, zijn vergoedende intresten verschuldigd, die lopen vanaf het ogenblik dat de betalingsverplichting ontstond. Dat is in deze bij de afgifte van het negatief stedenbouwkundig attest, wat partijen situeren op 6 december 1995 (het attest zelf dateert van 20 november 1995).

Het (hof van beroep) ziet geen reden om de loop van de intresten te schorsen tijdens wat (de eiser) de normale behandelings- en uitbetalingstermijn noemt. Ook het bewarend derdenbeslag door (de tweede verweerster) is uiteraard zonder incidentie op de loop van de intresten.

Partijen voeren geen betwisting over de wijze waarop de eerste rechter de sommen heeft bepaald waarop de intresten lopen tot verschillende data. In overeenstemming met de afrekening hierboven wordt in het dispositief het door de eerste rechter bepaalde saldo van 247.209 EUR vervangen door 979.309,84 EUR'.

4.2.4 De afrekening

in overeenstemming met het bovenstaande ontstaat volgende afrekening:

geactualiseerde verwervingswaarde 227.977.280 BEF

kosten van verwerving 8.622.644 BEF

bijkomende registratierechten 20.775.862 BEF

kosten voorde realisatie van de bescherming 6.628.672 BEF

totaal 264.044.458 BEF

min restwaarde - 4.072.200 BEF

waardevermindering 259.972.258 BEF

Artikel 54, § 4, bepaalt dat de waardevermindering ten belope van 20 % zonder vergoeding moet gedoogd worden. De waardevermindering wordt dus vermenigvuldigd:

maal 80 % 207.977.806 BEF

min reeds uitgekeerde vergoeding 168.472.545 BEF

verschuldigd saldo 39.505.261 BEF

of 979.309.84 EUR

Grieven

1. Naar luid van artikel 52, § 1, tweede lid, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud houdt de aanduiding als beschermd duingebied of als voor het duingebied belangrijk landbouwgebied, vanaf de publicatie van het besluit een volledig bouwverbod in, ongeacht de bestemming van het goed volgens de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen, van kracht in de ruimtelijke ordening of volgens de verleende verkavelingsvergunningen.

Dit bouwverbod vestigt een erfdienstbaarheid van algemeen nut. Als beperking van het eigendomsrecht in het algemeen belang door een niet foutieve handeling van de overheid, doet ze voor de eigenaar geen recht op vergoeding ontstaan, tenzij de wet of het decreet anders bepaalt.

Overeenkomstig artikel 54, § 1, Wet op het natuurbehoud, in de versie zoals inge-voegd bij artikel 2 van het Vlaams decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen, is schadevergoeding ingevolge het in artikel 52 bedoelde bouwverbod verschuldigd "wanneer het bouwverbod een einde maakt aan de bestemming als woongebied en voor zover overeenkomstig de geldende voorschriften en beleidsregels op basis van deze bestemming effectief een bouwvergunning kon worden afgeleverd".

Artikel 54, § 1, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, in de versie zoals vervangen bij artikel 3 van het Vlaams decreet van 29 november 1995 "houdende bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse regering van 4 oktober 1995 betreffende de definitieve aanwijzing van de beschermde duingebieden en van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden die aangeduid werden door het besluit van de Vlaamse regering van 16 november 1994 betreffende de aanwijzing van de beschermde duingebieden en van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, maar niet door het besluit van de Vlaamse regering van 15 september 1993 betreffende de aanduiding van beschermde duingebieden en voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, en houdende wijziging van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud', voorziet een recht op schadevergoeding ingevolge het bij artikel 52, § 1, tweede lid, van dezelfde wet voorziene bouwverbod "wanneer dit verbod, volgend uit een definitieve aanduiding als beschermd duinge-bied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied, een einde maakt aan de bestemming volgens de geldende plannen van aanleg of verkavelingsvergunningen die de grond had de dag voorafgaand aan de bekendmaking van het besluit tot voorlopige aanduiding als beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied'.

Overeenkomstig artikel 54, § 2, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud ontstaat het recht op schadevergoeding "bij overdracht van het goed, bij de afgifte van een weigering van bouwvergunning of bij de afgifte van een negatief stedenbouwkundig attest, mits de overdracht of de afgifte geschiedt na de bekendmaking van het besluit tot definitieve aanduiding als beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied'.

De minderwaarde ontstaat derhalve op het ogenblik dat de bescherming als duingebied uitwerking heeft, doch het recht op schadevergoeding ontstaat slechts vanaf het ogenblik dat een daad wordt gesteld die de minderwaarde tot uiting brengt.

De vergoedbare schade is, naar luid van artikel 54, § 4, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud "enkel de waardevermindering rechtstreeks voortvloeiende uit het in artikel 52 bedoelde bouwverbod". Echter dient, naar luid van hetzelfde voorschrift, de waardevermindering ten belope van twintig procent zonder vergoeding te worden gedoogd.

Deze waardevermindering die voor schadeloosstelling in aanmerking komt dient, naar luid van artikel 54, § 3, Wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud "te worden geraamd als het verschil tussen eensdeels de waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving, geactualiseerd tot op de dag van het ontstaan van het recht op schadevergoeding en verhoogd met de lasten en kosten, zonder rekening te houden met het bouwverbod, en anderdeels de waarde van het goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding".

Krachtens artikel 1, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 8 oktober 1996 tot uitvoering van artikel 54 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, dient voor de toepassing van artikel 54, § 3, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, in aanmerking te worden genomen als waarde van het goed op het ogenblik van verwerving: "het bedrag dat als grondslag heeft gediend voor de heffing van de registratie- of successierechten over de volle eigendom van het goed van de aanvrager of, bij ontstentenis van zulke heffing, de verkoopwaarde van het goed in volle eigendom op de dag van de verwerving door de aanvrager". Krachtens dezelfde bepaling geldt als waarde van het goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding; "a) in geval van overdracht van het goed, het bedrag dat als grondslag heeft gediend voor de heffing van de registratie- of successierechten over de volle eigendom van het goed van de aanvrager of, indien zulke heffing ontbreekt, de verkoopwaarde van het goed in volle eigendom op de dag van de overdracht door de aanvrager, met als minimum de overeengekomen waarde; b) in geval van weigering van een bouwvergunning of in geval van negatief stedenbouwkundig attest, de verkoopwaarde op het ogenblik van de afgifte van de weigering of van de afgifte van het negatief stedenbouwkundig attest".

2. Luidens artikel 1153 Burgerlijk Wetboek bestaat de schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering van een verbintenis die alleen betrekking heeft op de betaling van een bepaalde geldsom, nooit in iets anders dan de wettelijke interest, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen (eerste lid) en is de wettelijke interest verschuldigd te rekenen van de dag der aanmaning tot betaling (derde lid). Deze interest is moratoir, niet compensatoir is.

Om moratoire intrest te kunnen vorderen, dient de schuldeiser, overeenkomstig de artikelen 1139, 1146 en 1153 Burgerlijk Wetboek, zijn schuldenaar in gebreke te stellen, m.a.w. aan zijn schuldenaar duidelijk en ondubbelzinnig te kennen geven dat hij wil dat de verbintenis wordt uitgevoerd.

De wanprestatie van een verbintenis die geen betrekking heeft op de betaling van een bepaalde geldsom, kan daarentegen leiden tot het toekennen van een bijkomende schadevergoeding wegens waardevermindering en van vergoedende interest die bedoeld is om de schade door de vertraging bij het betalen van de schadevergoeding te vergoeden. Deze vergoedende intresten zijn verschuldigd vanaf de dag waarop de niet-nakoming van de verbintenis vaststaat, ongeacht de datum van de ingebrekestelling.

3. De schade ingevolge het uit de bescherming als duingebied voortvloeiend bouwverbod kan alleen worden hersteld door de in artikel 54 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud voorgeschreven vergoeding, zonder enige verhoging, al was het door toekenning van vergoedende interest.

Deze schadevergoeding wegens bescherming als duingebied wordt berekend op het tijdstip, volgens de criteria en binnen de perken als aangegeven in artikel 54 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud. In de in die bepaling bedoelde gevallen heeft de eigenaar van een goed dat in waarde verminderd is, enkel recht op een geldsom die wordt berekend op de aldus in de wet bepaalde wijze.

De verbintenis tot betaling van deze vergoeding heeft alleen betrekking op de betaling van een zekere geldsom, in de zin van artikel 1153 Burgerlijk Wetboek, zodat bij vertraging in de uitvoering, de bij die bepaling vastgestelde wettelijke interest slechts verschuldigd is vanaf de aanmaning.

4. De eiser betwistte in conclusie voor de appelrechters de beslissing van de eerste rechter waarbij vergoedende intresten ("compensatoire intresten") werden toegekend vanaf de datum van het negatief stedenbouwkundig attest, dit is vanaf 6 december 1995. Wat deze laatste datum betreft blijkt uit de vaststellingen van het bestreden arrest dat het attest dateert van 20 november 1995, doch dat partijen het situeren op 6 december 1995.

De eiser betwistte inzonderheid dat vergoedende intresten verschuldigd konden zijn, nu de verbintenis tot betaling van schadevergoeding ingevolge het bouwverbod geen waardeschuld is, doch een geldschuld, zodat hoogstens moratoire intrest (‘verwijlintrest') kan verschuldigd zijn, en deze ten vroegste vanaf de ingebrekestelling kan lopen. De eiser voerde in dit verband ook aan dat de eerste verweerster pas op 8 augustus 1997 een aanvraag tot schadevergoeding indiende, en pas op 3 april 1998 dagvaardde.

5. Het bestreden arrest kwalificeert de verbintenis tot betaling van de schadevergoeding wegens de bescherming als duingebied, die te dezen is ontstaan bij de afgifte van het negatief stedenbouwkundig attest, evenwel als een waardeschuld, waarop vergoedende intresten verschuldigd zijn vanaf het ogenblik dat de betalingsverplichting ontstond, m.n. te dezen bij de afgifte van het negatief stedenbouwkundig attest, door partijen gesitueerd op 6 december 1995 (hoewel het attest zelf dateert van 20 november 1995).

Nu de verbintenis tot betaling van de schadevergoeding wegens de bescherming als duingebied een geldschuld is in de zin van artikel 1153 Burgerlijk Wetboek, waarvan de schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering alleen kan bestaan in moratoire intresten aan de wettelijke rentevoet, die, bij afwezigheid van andersluidende wettelijke bepaling, slechts verschuldigd zijn na ingebrekestelling, kon het bestreden arrest niet wettig voornoemd verweer van de eiser in conclusie verwerpen, niet wettig de schuld van de eiser kwalificeren als een waardeschuld waarop vergoedende intresten verschuldigd zijn vanaf het ontstaan van de schuldvordering, en niet wettig intresten toekennen op de schadevergoeding vanaf 6 december 1995 zonder vaststelling van een ingebrekestelling van de eiser door de eerste verweerster (schending van alle in de aanhef van het middel aangevoerde wetsbepalingen).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 54, § 1, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, zoals hier van toepassing, is schadevergoeding ingevolge het in artikel 52 bedoelde bouwverbod verschuldigd wanneer dit verbod, volgend uit een definitieve aan-duiding als beschermd duingebied of als voor het duingebied belangrijk land-bouwgebied, een einde maakt aan de bestemming volgens de geldende plannen van aanleg of verkavelingsvergunningen die de grond had voorafgaand aan de be-kendmaking van het besluit tot voorlopige aanduiding als beschermd duingebied of als voor het duingebied belangrijk landbouwgebied.

Krachtens artikel 54, § 3, van deze wet dient de waardevermindering die voor de schadeloosstelling in aanmerking genomen wordt, te worden geraamd als het ver-schil tussen eensdeels de waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving, geactualiseerd tot op de dag van het ontstaan van het recht op schadevergoeding en verhoogd met de lasten en kosten, zonder rekening te houden met het bouw-verbod, en anderdeels de waarde van het goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding.

Volgens artikel 54, § 4, van deze wet komt enkel de waardevermindering die rechtstreeks voortvloeit uit het in artikel 52 bedoelde bouwverbod in aanmerking voor schadevergoeding en moet de waardevermindering ten belope van twintig procent zonder vergoeding worden gedoogd.

Krachtens artikel 1, § 1, van het Besluit van de Vlaamse Regering van 8 oktober 1996 tot uitvoering van artikel 54 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbe-houd wordt voor de toepassing van artikel 54, § 3, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud in aanmerking genomen:

1° als waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving: het bedrag dat als grondslag heeft gediend voor de heffing van de registratie- of successierechten over de volle eigendom van het goed van de aanvrager of, bij ontstentenis van zulke heffing, de verkoopwaarde van het goed in volle eigendom op de dag van de verwerving door de aanvrager;

2° als waarde van het goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding:

a) in geval van overdracht van het goed, het bedrag dat als grondslag heeft ge-diend voor de heffing van de registratie- of successierechten over de volle eigen-dom van het goed van de aanvrager of, indien zulke heffing ontbreekt, de ver-koopwaarde van het goed in volle eigendom op de dag van de overdracht door de aanvrager, met als minimum de overeengekomen waarde;

b) in geval van weigering van een bouwvergunning of in geval van negatief ste-denbouwkundig attest, de verkoopwaarde op het ogenblik van de afgifte van de weigering of van de afgifte van het negatief stedenbouwkundig attest.

2. Uit de samenhang van die wettelijke bepalingen volgt dat enkel de waarde-vermindering die rechtstreeks voortvloeit uit het bouwverbod in beschermd duin-gebied of in het voor het duingebied belangrijk landbouwgebied in aanmerking komt voor vergoeding.

Wanneer de waardevermindering die zich voordoet tussen de verwerving van het goed en het ontstaan van het recht op schadevergoeding voor een deel kan worden toegerekend aan een andere oorzaak dan aan het bouwverbod, mag de financiële weerslag die het gevolg is van die andere oorzaak niet in de berekening van de waardevermindering worden opgenomen.

Het voorgaande leidt tot een aanpassing van de restwaarde, waarbij de externe oorzaak wordt weggedacht bij het bepalen van de verkoopwaarde van het goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding.

3. Het onderdeel dat volledig ervan uitgaat dat de verwervingswaarde van het goed moet worden aangepast om rekening te houden met de waardevermindering die het gevolg is van een andere oorzaak dan het bouwverbod en die het goed treft in de periode tussen de verwerving van het goed en het bouwverbod volgend uit de bescherming van het duingebied, berust op een onjuiste rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht.

Tweede onderdeel

4. Het arrest oordeelt dat voor de berekening van de waarde op het ogenblik van de verwerving "het goed" moet begrepen worden als het gehele onroerend goed, dit is met inbegrip van de gebouwen en niet enkel de grond.

5. Het onderdeel dat gericht is tegen het arrest in zoverre het oordeelt dat de verduidelijking, in artikel 52, § 1, derde lid, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, dat het bouwverbod niet geldt voor instandhoudingswerken aan gebouwen of woningen in de voor het duinengebied belangrijke landbouwgebie-den, pas werd ingevoerd bij decreet van 21 oktober 1997 en dat instandhoudings-werken aan gebouwen in beschermd duingebied niet toegelaten zijn, komt op te-gen een overtollig motief.

Het onderdeel is, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.

Tweede middel

6. De vergoeding bedoeld in artikel 54, § 2, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud wordt berekend op het tijdstip, volgens de criteria en binnen de per-ken als aangegeven in die wetsbepaling.

De verplichting tot betaling van de bij die wetsbepaling vastgestelde vergoeding is een verbintenis die, in de zin van artikel 1153 Burgerlijk Wetboek, alleen betrek-king heeft op het betalen van een geldsom.

Ingevolge dat artikel bestaat de schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoe-ring in de regel in de wettelijke intrest te rekenen van de dag van de aanmaning tot betaling.

7. De appelrechters die oordelen dat de betalingsverplichting bedoeld in artikel 54, § 2, van de wet van 12 juli 1973 een waardeschuld uitmaakt en vergoedende intrest toekennen vanaf de afgifte van het negatief stedenbouwkundig attest, ver-antwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de intrest en de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Koen Mestdagh, Antoine Lievens en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 26 september 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky B. Wylleman A. Lievens

K. Mestdagh B. Deconinck E. Dirix

Vrije woorden

  • Natuurbehoud

  • Duingebied

  • Bescherming

  • Bouwverbod

  • Schadevergoeding

  • Waardevermindering

  • Berekening