- Arrest van 26 september 2013

26/09/2013 - C.11.0743.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De NMBS HOLDING kan de verplaatsing vorderen van de leidingen die zich bevinden op de aan hem overgedragen goederen die deel uitmaken van het voormalig Staatsspoorwegnet en de kosten van de verplaatsing ervan zijn ten laste van de concessiehouder of van de onderneming die de leiding heeft aangelegd indien de verplaatsing gevorderd wordt in het belang van de aanleg van nieuwe wegen; noch uit de toepasselijke wettelijke bepalingen noch uit de beginselen van veranderlijkheid en continuïteit van de openbare dienst kan echter worden afgeleid dat hij de verplaatsing kan bevelen van leidingen gelegen op andere gronden dan diegene die hem zijn overgedragen door de Belgische Staat in uitvoering van artikel 4 van de wet van 23 juli 1926.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0743.N

NMBS HOLDING nv, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Frankrijkstraat 85,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorstlaan 36, waar de eiseres woon-plaats kiest,

tegen

IVERLEK, opdrachthoudende vereniging, met zetel te 3012 Leuven (Wilsele), Aarschotsesteenweg 58,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Paul Lefèbvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480, bus 9, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 12 april 2011.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. In zoverre het middel aanvoert dat de Belgische Staat en niet de NMBS de beslissing nam om de nodige gedeelten van het openbaar domein te intercepteren en te onteigenen, verplicht dit tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk.

2. Het laatste lid van het enig artikel van de wet van 17 januari 1938 tot rege-ling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen van gemeenten en de concessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van de Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen, geeft de Staat, de provincies en de gemeenten het recht om in alle gevallen op hun domein de inrichting of het plan van aanleg van een water- of gasleiding en de werken die ermee verband houden, te doen wijzigen.

Krachtens die bepaling moet de kostprijs van die wijzigingen door de concessie-houder worden gedragen als de wijzigingen vereist zijn in het belang van de we-gen.

Artikel 13, derde lid, van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorzie-ning geeft de Staat, de provinciën en de gemeenten, in alle gevallen, het recht de schikkingen of het plan van een inrichting van elektriciteitsleidingen en de werken die ermee verband houden, te laten wijzigen.

Krachtens die bepaling moet de kostprijs van die wijzigingen worden gedragen door de onderneming die de leidingen heeft aangelegd als de wijzigingen vereist zijn in het belang van de wegen.

3. Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 4, eerste lid, van de wet van 23 juli 1926 betreffende NMBS Holding en haar verbonden vennootschappen draagt de Staat de eigendom van het Staatsspoorwegnet, met inbegrip van de Noord-Zuidverbinding, zonder vergoeding over aan de NMBS.

Krachtens het tweede lid van die wetsbepaling heeft deze overdracht van rechts-wege plaats en is zij zonder verdere formaliteiten tegenstelbaar aan derden vanaf de dag waarop dit artikel in werking treedt.

Krachtens het derde lid van die wetsbepaling wordt de lijst van de goederen die het voorwerp van deze overdracht uitmaken, op voorstel van de NMBS, bij ko-ninklijk besluit vastgesteld.

Krachtens het vierde lid van die wetsbepaling neemt de NMBS de rechten en ver-plichtingen van de Staat betreffende de haar krachtens dit artikel overgedragen goederen over, met inbegrip van de rechten en verplichtingen verbonden aan han-gende en toekomstige gerechtelijke procedures.

4. Uit de samenhang tussen die wettelijke bepalingen volgt dat de eiseres de verplaatsing kan vorderen van de leidingen die zich bevinden op de aan haar overgedragen goederen die deel uitmaken van het voormalig Staatsspoorwegnet en dat de kosten van de verplaatsing ervan ten laste zijn van de concessiehouder of van de onderneming die de leiding heeft aangelegd indien de verplaatsing ge-vorderd wordt in het belang van de aanleg van nieuwe wegen.

Noch uit de vermelde wettelijke bepalingen noch uit de beginselen van verander-lijkheid en continuïteit van de openbare dienst kan echter worden afgeleid dat de eiseres de verplaatsing kan bevelen van leidingen gelegen op andere gronden dan diegene die haar zijn overgedragen door de Belgische Staat in uitvoering van arti-kel 4 van de wet van 23 juli 1926.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt in zoverre naar recht.

Tweede middel

5. Krachtens artikel 7, eerste lid, van de wet van 9 augustus 1948 houdende wijziging van de wetgeving inzake wegen mag de Koning de grote wegen in ge-nummerde trajecten indelen en er vakken van provincie- en gemeentewegen bij inlijven.

Krachtens het tweede lid van hetzelfde artikel mag de Koning van ambtswege de inlijving zonder vergoeding voorschrijven bij de grote wegen van de Staat, van wegen of vakken van wegen, die niet tot de grote wegen behoren, maar in ge-nummerde trajecten begrepen zijn.

6. Krachtens artikel 1 van de wet van 25 juli 1891 houdende herziening der wet van 15 april 1843 op de politie der spoorwegen zijn de spoorwegen ingedeeld in de grote wegenis.

7. Uit de samenhang tussen deze bepalingen volgt dat een rijksweg, een ge-westweg, een provincieweg of een gemeenteweg op de plaats waar die door een spoorweg wordt gekruist, door het feit zelf van zijn nieuwe bestemming, op de kruising zijn oorspronkelijke aard verliest en integrerend deel uitmaakt van de spoorweg, zijnde de grote weg.

Het enkele feit van een bovengrondse kruising van de spoorweg met een daaron-der gelegen rijksweg, gewestweg, provincieweg of gemeenteweg heeft op de plaats van die kruising echter niet de inlijving tot gevolg van de lager gelegen weg, ook al steunt de bovengrondse kruising op een bouwwerk dat rust op een lager gelegen weg.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 744,85 euro en voor de verweerster op 395,61 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Koen Mestdagh, Antoine Lievens en Bart Wylleman, en op de open-bare rechtszitting van 26 september 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bij-stand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky B. Wylleman A. Lievens

K. Mestdagh B. Deconinck E. Dirix

Vrije woorden

  • Voormalig staatsspoorwegnet

  • Overdracht aan de NMBS HOLDING

  • Gevolg

  • Nutsleidingen

  • Verplaatsing

  • Kosten