- Arrest van 26 september 2013

26/09/2013 - C.12.0236.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer voor het Hof de vraag rijst of artikel 33, lid 1, van de Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen zo moet worden uitgelegd dat de weigering, voor het betrokken kalenderjaar, van “het op grond van de betrokken steunregeling toe te kennen steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak zou kunnen maken”, betrekking heeft op het steunbedrag dat in toepassing van de “betrokken steunregeling” zoals opgesomd in artikel 1, lid 1, van de Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad van 27 november 1992 tot instelling van een geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, verschuldigd is, zodat niet enkel het steunbedrag voor de “betrokken gewasgroep” moet worden geweigerd, maar het volledige steunbedrag in toepassing van één van de aldaar opgesomde steunregelingen waarvan de betrokken gewasgroep deel uitmaakt, stelt het een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0236.N

VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de minister-president, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Economie, Buitenlands Beleid, Landbouw en Plattelandsbeleid, met kabinet te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

H.,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 27 juni 2011.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. FEITEN EN VOORAFGAANDE PROCEDURE

De verweerster die landbouwster is, heeft op 9 mei 2003 een "oppervlakte-aangifte voor het verkrijgen van premies voor bepaalde akkerbouwgewassen, voor de biologische productiemethode, voor de geïntegreerde productiemethode voor pitfruit en voor rundvee en schapen" ingediend bij het Vlaams Gewest, de eiser. Hierin werd onder meer een premie aangevraagd voor bepaalde akkerbouwgewassen, met name voor mais (78,34 hectare) en voor erwten "droog geoogst" (8,2 hectare, perceel nr. 104). Er werd ook aangifte gedaan voor braakliggende oppervlakte (10,08 hectare).

Op 30 januari 2004 werden aan de verweerster akkerbouwpremies uitbetaald voor een totaalbedrag van 21.072,42 euro. Evenwel werd hierbij geen premie toegekend voor het perceel nr. 104.

Op 30 juni 2005 vorderde de eiser dit totaalbedrag terug op grond van de vaststelling dat de op het perceel nr. 104 verbouwde erwten niet premiegerechtigd waren, vermits zij niet droog werden geoogst. Omdat de steunaanvraag volgens de eiser opzettelijke fouten inhield, diende de totale voor de oogst van 2003 toegekende akkerbouwpremie te worden geweigerd in toepassing van artikel 33 van de Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, hierna Verordening (EG) nr. 2419/2001.

Bij gebrek aan terugbetaling door de verweerster hield de eiser het voorschot op de bedrijfstoeslag voor de oogst van 2005 in op 22 december 2005.

De verweerster dagvaardde daarop de eiser om te horen vaststellen dat ook een premie verschuldigd was voor de oogst van de erwten. Verder vorderde zij vast te stellen dat de uitgekeerde steun voor het oogstjaar 2003 definitief is verworven. Tevens vorderde zij de eiser te veroordelen tot betaling van het onterecht ingehouden voorschot op de bedrijfstoeslag voor het jaar 2005.

De eerste rechter oordeelde bij vonnis van 22 januari 2008 dat geen premie verschuldigd was voor het perceel waarop de erwten werden geoogst, maar dat de eiser voor het overige onterecht besliste tot terugvordering van de toegekende akkerbouwpremies ten bedrage van 21.072,42 euro. Verder werd de eiser veroordeeld tot de betaling van de bedragen die onterecht werden ingehouden, vermeerderd met de verwijlintrest.

De appelrechters stelden vooreerst vast dat de verweerster haar steunaanvraag opzettelijk onregelmatig indiende. Net zoals de eerste rechter, oordeelden zij in hun arrest van 27 juni 2011 dat het opzettelijk indienen van een onregelmatige steunaanvraag evenwel niet met zich brengt dat de verweerster uitgesloten zou zijn van alle landbouwpremies voor akkerbouwgewassen, uitgekeerd op grond van de Verordening (EEG) nr. 3508/92 voor het jaar 2003, maar slechts van die betreffende het betrokken perceel nr. 104.

III. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.

Geschonden bepalingen

- de artikelen 1, 1°, a), 6, 1° en 5°, en 12 van de verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad van 27 november 1992 tot instelling van een geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (hierna afgekort "verordening nr. 3508/92"), zoals van toepassing vóór de intrekking bij artikel 153, 1°, van de verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001;

- de artikelen 31, 32, 1° en 2°, eerste lid, en 33, eerste lid, verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (hierna afgekort "verordening nr. 2419/2001"), zoals van toepassing vóór de intrekking bij artikel 80, 1°, van de verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004, houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers;

- artikel 32, 2°, tweede lid, van de verordening nr. 2419/2001, zoals van toepassing vóór de wijziging bij artikel 1, 6°, van de verordening (EG) nr. 118/2004 van de Commissie van 23 januari 2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2419/2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen;

- artikel 33, tweede lid, van de verordening nr. 2419/2001, zoals van toepassing vóór de wijziging bij artikel 1, 7°, van de verordening (EG) nr. 118/2004 van de Commissie van 23 januari 2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2419/2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen.

Bestreden beslissing

Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiser ongegrond, bevestigt, na verbetering van een verschrijving in het beschikkend gedeelte van het beroepen vonnis, het beroepen vonnis waarbij voor recht werd gezegd dat de eiser onrechtmatig heeft besloten tot terugvordering van de andere akkerbouwpremies 2003 dan deze die betrekking hebben op de 8,20 hectare erwten, ten bedrage van 21.072,42 euro, dat dit bedrag door verweerster als definitief verworven dient te worden beschouwd, dat eiser gehouden is de bedragen waarop verweerster recht had en die eiser heeft ingehouden ter compensatie/ recuperatie van de voormelde som van 21.072,41 euro aan verweerster uit te keren, te vermeerderen met de verwijlinteresten aan 7% vanaf de gebeurlijke betaaldata, en dit op volgende gronden:

"3.6. De volgende betwisting tussen partijen betreft de vraag welke sanctie verbonden is aan het ‘onregelmatig' aangeven van gewassen die droog zouden worden geoogst in strijd met de werkelijkheid.

Misbruiken worden gesanctioneerd door de EEG Verordening 2419/91 van 11 december 2001.

Artikel 31, lid 2, van deze verordening bepaalt het volgende:

‘Wanneer de in de steunaanvraag "oppervlakten" aangegeven oppervlakte groter is dan de bij een administratieve controle of controle ter plaatse voor dezelfde gewasgroep geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag, onverminderd overeenkomstig de artikelen 32 t.e.m. 35 toe te passen kortingen of uitsluitingen, berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte voor de betrokken gewasgroep.'

Artikel 33 van deze verordening bepaalt het volgende:

‘Wanneer het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, is toe te schrijven aan een opzettelijke onregelmatigheid, wordt het op grond van de betrokken steunregeling toe te kennen steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak zou kunnen maken, voor het betrokken kalenderjaar geweigerd.'

3.7. (De verweerster) betwist in eerste instantie dat de onregelmatige aangifte ‘opzettelijk' gebeurde. Zij betwist m.a.w. wetens en willens een onrechtmatigheid te hebben begaan.

Hier voren werd reeds aangetoond dat de teeltovereenkomst afgesloten op 26 maart 2003 enkel ging over het telen van doperwten, zijnde erwten die nat worden geoogst.

De steunaanvraag diende ten laatste op 30 april 2003 ingediend te worden.

Op dat ogenblik had (de verweerster) reeds een overeenkomst afgesloten met een afnemer voor het oogsten van erwten in natte toestand.

De niet-gedateerde aanvulling bij dat contract verandert aan dat gegeven niets. Uit de aan het contract gehechte brief van 10 juli 2003 blijkt dat de oogst dat jaar vroeg op gang kwam omwille van de weersomstandigheden als gevolg waarvan een aantal percelen niet in verse toestand zouden kunnen geoogst worden gezien de beide vestigingen van LA CORBEILLE moeilijkheden ondervonden om dergelijke erwten te verwerken.

In deze context moet de niet-gedateerde aanvulling aan het teeltcontract gelezen worden, met name dat droog zou geoogst worden - in tegenstelling met wat in het contract zelf voorzien was - ingeval de kwaliteit van de erwten op het ogenblik van het oogsten er zich toe leende om te verwerken in menselijke voeding.

LA CORBEILLE verwerkt enkel producten voor menselijke consumptie maar gelet op het uitzonderlijk karakter van de oogst in 2003 werkte zij het procédé uit om erwten in droge toestand in te voeren die zij dan later tijdens de winterperiode terug zou opweken om te verwerken in de groentemachine.

Op het ogenblik van het aangaan van de teeltovereenkomst was er echter van deze buitengewone omstandigheden nog geen sprake en was het duidelijk de bedoeling om de erwten op het perceel 104 in natte toestand te oogsten.

Komt hierbij dat enkel RIJKE OOGST kon beslissen wanneer tot de oogst zou worden overgegaan - buiten medeweten zelfs van (de verweerster) - en in essentie een overeenkomst werd aangegaan m.b.t. het telen van doperwten zodat (de verweerster) op het ogenblik van haar steunaanvraag over geen enkele aanwijzing beschikte dat haar erwten droog zouden worden geoogst.

Het feit dat de controleurs op 15 juli 2003 bevestigden dat aan het perceel 104 de gewascode 51 werd toegekend, is niet relevant. Op dat ogenblik waren de erwten nog niet geoogst en kwamen zij nog steeds in aanmerking om droog te worden geoogst.

(De verweerster) heeft bijgevolg wel opzettelijk een onregelmatige steunaanvraag ingediend.

3.8. Het feit dat (de verweerster) ‘opzettelijk' een onregelmatige steunaanvraag indiende, brengt echter niet met zich mede dat zij uitgesloten zou zijn van alle landbouwpremies voor het jaar 2003.

Uit het samen lezen van de hier voren geciteerde bepalingen van de desbetreffende EEG - Verordening volgt duidelijk dat ingeval van opzettelijke onregelmatigheid de steunaanvrager uitgesloten wordt van het steunbedrag voor het betrokken kalenderjaar voor de gehele oppervlakte die het voorwerp uitmaakt van die onregelmatigheid.

Artikel 31, 32 en 33 van de toepasselijke EEG Verordening verwijzen telkens naar artikel 31, lid 2 waarbij bij de berekeningsgrondslag de oppervlakte voor de betrokken gewasgroep primordiaal staat.

De stelling ontwikkeld door (de eiser) met name dat (de verweerster) geen recht zou hebben op enige akkerbouwpremie voor het oogstjaar 2003 vloeit niet voort uit voornoemde bepalingen.

(De verweerster) is integendeel enkel uitgesloten op een recht op de steunregeling voor het perceel 104 ter grootte van 8,20 hectaren bezaaid met de kwestieuze erwten maar heeft wel recht op een premie voor de andere gewassen in dat oogstjaar en waarbij geen onregelmatigheid werd vastgesteld.

9. Ook op dit punt wordt het bestreden vonnis bevestigd.

Dit brengt met zich mee dat de inhoudingen die (de eiser) verrichtte op latere verschuldigde bedragen ter recuperatie van het bedrag van 21.072,42 euro dienen teruggestort te worden".

Grieven

1. Het bij de verordening nr. 3508/92 ingestelde "geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen", beheert "de steunregelingen" omschreven in artikel 1 van deze verordening. Het omvat zowel steunregelingen in de "sector plantaardige productie", als steunregelingen in de "sector dierlijke productie". De door de verordening geviseerde "steunregelingen" worden verder in de verordening "de communautaire regelingen" genoemd (art. 1, in fine, verordening nr. 3508/92).

Wat de "sector plantaardige productie" betreft beheert de verordening 3508/92 inzonderheid volgende steunregelingen:

"i) de steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen, ingevoerd bij Verordening (EG) nr. 1251/1999,

ii) de steunregeling voor rijsttelers, ingevoerd bij artikel 6 van Verordening (EG) nr. 3072/95,

iii) de bijzondere maatregel voor bepaalde zaaddragende leguminosen, ingevoerd bij Verordening (EG) nr. 1577/96" (art. 1, 1°, a, verordening nr. 3508/92).

Het geïntegreerd beheers- en controlesysteem wordt ondermeer gekenmerkt door de verplichting van elk bedrijfshoofd dat aanspraak maakt op de "steunregelingen", om elk jaar een "steunaanvraag oppervlakten" in te dienen (art 6, 1°, verordening nr. 3508/92).

Deze "steunaanvraag oppervlakten" wordt beschouwd als de steunaanvraag voor de regelingen inzake de "sector plantaardige productie", zoals omschreven in artikel 1, 1°, onder a) (art. 6, 5°, verordening nr. 3508/92).

Voor de regelingen in de "sector dierlijke productie" dienen de bedrijfshoofden "steunaanvragen dieren" in te dienen (art. 6, 8°, verordening nr. 3508/92).

Overeenkomstig artikel 12 van de verordening nr. 3508/92 dient de Commissie de bepalingen ter uitvoering van de verordening vast te stellen.

2. De verordening nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 "houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen", bevat gedetailleerde voorschriften wanneer verschillen worden vastgesteld tussen de in de steunaanvraag aangegeven oppervlakte en de werkelijke oppervlakte (na controle).

De verordening nr. 2419/2001, bepaalt vooreerst (art. 31 verordening nr. 2419/2001) welke oppervlakte per gewasgroep voor de berekening van het steunbedrag in aanmerking moet genomen worden:

- is de aangegeven oppervlakte voor een gewasgroep kleiner dan de geconstateerde oppervlakte, dan wordt de aangegeven oppervlakte in aanmerking genomen (art. 31, 1°, verordening nr. 2419/2001);

- is de aangegeven oppervlakte voor een gewasgroep groter dan de geconstateerde oppervlakte, dan wordt, onverminderd de kortingen en uitsluitingen voorzien in de artikelen 32 tot 35, de geconstateerde oppervlakte voor de betrokken gewasgroep in aanmerking genomen (art. 31, 2°, verordening nr. 2419/2001).

De verordening nr. 2419/2001 bepaalt vervolgens (art. 32, verordening nr. 2419/2001) de "kortingen en uitsluitingen" die moeten toegepast worden "bij te hoge aangifte", en bevat een dubbele regeling, afhankelijk van oppervlakteverschillen m.b.t. "een gewasgroep", dan wel oppervlakteverschillen m.b.t. "de totale geconstateerde oppervlakte" waarop een steunaanvraag voor de "sector plantaardige productie" (art. 1, 1°, a, verordening nr. 3508/92) betrekking heeft.

Artikel 33 van de verordening nr. 2419/2001 bepaalt de gevolgen van een ‘opzettelijke niet-inachtneming'.

Het eerste lid van artikel 33 van de verordening nr. 2419/2001 bepaalt: "Wanneer het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, is toe te schrijven aan een opzettelijke onregelmatigheid, wordt het op grond van de betrokken steunregeling toe te kennen steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak zou kunnen maken, voor het betrokken kalenderjaar geweigerd".

Uit de samenhang tussen voornoemde artikelen 1 en 6 van de verordening nr. 3508/92, en de artikelen 31, 32 en 33, eerste lid, van de verordening nr. 2419/2001, vloeit voort dat wanneer de in de "steunaanvraag oppervlakten" aangegeven oppervlakte voor een gewasgroep, groter is dan de bij controle voor dezelfde gewasgroep vastgestelde oppervlakte, en dit verschil tussen de aangegeven en de geconstateerde oppervlakte, toe te schrijven is aan een opzettelijke onregelmatigheid, het steunbedrag in de betrokken steunregeling zal geweigerd worden.

Wanneer derhalve in de "steunaanvraag oppervlakten" aangifte wordt gedaan voor de steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen, zoals ingevoerd bij EG verordening nr. 1251/1999, en deze aanvraag verschillende gewasgroepen betreft, dan heeft het oppervlakteverschil tussen de aangegeven en geconstateerde oppervlakte, wanneer dit te wijten is aan een "opzettelijke onregelmatigheid', tot gevolg dat alle premies in de steunregeling akkerbouwgewassen voor het betrokken kalenderjaar zullen geweigerd worden, en niet alleen de premies die betrekking hebben op de gewasgroep waarvoor de "opzettelijke onregelmatigheid'' werd begaan.

De opzettelijke onregelmatigheid in de oppervlakteaangifte heeft dan ook de uitsluiting in de betrokken steunregeling tot gevolg.

3. Te dezen blijkt uit de vaststellingen van het bestreden arrest

- dat verweerster, voor het oogstjaar 2003, op 9 mei 2003, een zgn. "oppervlakte aangifte" indiende waarin zij voor bepaalde akkerbouwgewassen een premie aanvroeg;

- dat deze aangifte o.m. betrekking had op het gewas "erwten (droog)", waarvoor verweerster 8,2 hectare aangaf, gelegen op perceel nummer 104;

- dat, anders dan voorzien in de aangifte, de erwten als "verse erwten" en niet als droge erwten werden geoogst;

- dat verweerster opzettelijk, in de zin van artikel 33 van de verordening nr. 2419/2001, een onregelmatige steunaanvraag had ingediend.

4. De eiser voerde voor de appelrechters aan dat de toepassing van de bij artikel 33 van de verordening nr. 2419/2001 voorziene sanctie tot gevolg heeft dat de verweerster, voor het oogstjaar 2003, niet alleen is uitgesloten van de premies voor de gewasgroep waarvoor de onregelmatige steunaanvraag werd ingediend (te dezen de erwten, als eiwithoudende gewassen, geteeld op het perceel nr. 104 van 8,2 hectaren), maar van alle premies behorende tot de steunmaatregel waarvoor verkeerde aangifte werd ingediend, m.n., te dezen, alle akkerbouwpremies uitbetaald op grond van de EG verordening nr. 1251/1999 van 17 mei 1999 "tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen", zodat voor het oogstjaar 2003 te onrechte akkerbouwpremies, ten belope van 21.072,42 euro, werden toegekend.

5. Het bestreden arrest oordeelt:

- dat uit het samenlezen van de artikelen 31, tweede lid en 33 van de EG verordening nr. 2419/91 duidelijk volgt dat ingeval van opzettelijke onregelmatigheid de steunaanvrager uitgesloten wordt van het steunbedrag voor het betrokken kalenderjaar voor de gehele oppervlakte die het voorwerp uitmaakt van die onregelmatigheid;

- dat artikel 31, 32 en 33 van de toepasselijke EG verordening telkens verwijzen naar artikel 31, lid 2 waarbij bij de berekeningsgrondslag de oppervlakte voor de betrokken gewasgroep primordiaal staat;

- dat de stelling ontwikkeld door eiser, met name dat de verweerster geen recht zou hebben op enige akkerbouwpremie voor het oogstjaar 2003, niet voortvloeit uit voornoemde bepalingen;

- dat integendeel de verweerster enkel is uitgesloten op een recht op de steunregeling voor het perceel 104 ter grootte van 8,20 hectaren bezaaid met de kwestieuze erwten, en wel recht heeft op een premie voor de andere gewassen in dat oogstjaar en waarbij geen onregelmatigheid werd vastgesteld.

Nu de sanctie van opzettelijke onregelmatigheid in de aangegeven oppervlakte de weigering is van de premies "in de betrokken steunregeling", en niet louter de weigering van de premies voor de gewasgroep waarvoor de onregelmatigheid werd begaan, kon het bestreden arrest, waaruit blijkt dat de litigieuze premies ten bedrage van 21.072,42 euro premies betreffen behorende tot dezelfde steunregeling "akkerbouwpremies", niet wettig besluiten dat verweerster enkel is uitgesloten op een recht op de steunregeling voor het perceel nr. 104 van 8,20 hectaren bezaaid met erwten, en niet van de volledige akkerbouwpremie voor het betrokken oogstjaar 2003.

Door derhalve de sanctie van "weigering van het steunbedrag" bij "opzettelijke niet-inachtneming" zoals bepaald in artikel 33, eerste lid, van de verordening nr. 2419/91, te beperken tot de premies voor "de betrokken gewasgroep", in plaats van de premies voor "de betrokken steunregeling", miskent het bestreden arrest de artikelen 1, 1°, a), 6, 1° en 5°, en 12 van de verordening nr. 3508/92, in de versie aangehaald in de aanhef van het middel, evenals de artikelen 31, 32 en 33 van de verordening nr. 2419/2001, in de versies aangehaald in de aanhef van het middel.

Nu ingevolge artikel 267 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Uw Hof verplicht is een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie wanneer een vraag wordt opgeworpen over de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de instellingen, de organen of de instanties van de Unie, verzoekt de eiser Uw Hof de in het dispositief van deze voorziening geformuleerde prejudiciële vraag te stellen met het oog op de uitlegging van bovengenoemde artikelen.

IV. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Het arrest stelt vast dat de verweerster een opzettelijke onregelmatigheid beging in haar steunaanvraag "oppervlakten" van 9 mei 2003 met betrekking tot het perceel nr. 104 waarop erwten werden geoogst.

2. Krachtens artikel 33, lid 1, Verordening (EG) nr. 2419/2001 wordt, in geval van een verschil tussen de aangegeven en geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, toe te schrijven aan een opzettelijke onregelmatigheid, "het op grond van de betrokken steunregeling toe te kennen steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak zou kunnen maken, voor het betrokken kalenderjaar geweigerd".

3. De vraag rijst of "het op grond van de betrokken steunregeling toe te kennen steunbedrag" slaat op het steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak kan maken, zijnde het bedrag berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte van de betrokken gewasgroep, dan wel op het steunbedrag dat toegekend wordt in de betrokken steunregeling zoals opgesomd in artikel 1, lid 1, van de Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad van 27 november 1992 tot instelling van een geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, hierna Verordening (EEG) nr. 3508/92. In het laatste geval zou dan, zoals het middel aanvoert, het te weigeren steunbedrag het gehele bedrag omvatten dat werd uitgekeerd in toepassing van de aldaar opgesomde steunregelingen waarvan de premies voor de betrokken gewasgroep deel uitmaken.

4. De interpretatie van deze bepaling louter op grond van zijn tekst, is niet evident, vermits deze tegelijk refereert aan artikel 31, lid 2, Verordening (EG) nr. 2419/2001, dat verwijst naar de betrokken gewasgroep, en aan "de betrokken steunregeling", die verwijst naar de steunregelingen die zijn opgesomd in artikel 1, lid 1, Verordening (EEG) nr. 3508/92. Ook een vergelijking tussen verschillende taalversies van dezelfde tekst geeft geen uitsluitsel in de ene of andere zin.

De sanctionering bij wijze van trappensysteem, zoals deze tot uiting komt uit de samenhang tussen de artikelen 31 tot 33 Verordening (EG) nr. 2419/2001, samen gelezen met de consideransen 33 en 34 van deze verordening, doet vermoeden, evenwel zonder zekerheid, dat het te weigeren steunbedrag slaat op het steunbedrag dat moet toegekend worden op grond van één van de betrokken steunregelingen zoals bepaald in artikel 1, lid 1, Verordening (EEG) nr. 3508/92.

5. De onder randnummer 3 vermelde vraag kan slechts worden opgelost door een uitlegging van artikel 33 Verordening (EG) nr. 2419/2001.

Het middel werpt aldus een probleem op dat tot de uitsluitende bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie behoort.

Ingevolge artikel 267, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is het Hof in de regel verplicht een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen.

Dictum

Het Hof,

Houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Hof van Justitie van de Europese Unie bij prejudiciële beslissing over de volgende vraag uitspraak zal hebben gedaan:

"Moet artikel 33, lid 1, van de Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen zo worden uitgelegd dat de weigering, voor het betrokken kalenderjaar, van ‘het op grond van de betrokken steunregeling toe te kennen steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak zou kunnen maken', betrekking heeft op het steunbedrag dat in toepassing van de ‘betrokken steunregeling', zoals opgesomd in artikel 1, lid 1, van de Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad van 27 november 1992 tot instelling van een geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, verschuldigd is, zodat niet enkel het steunbedrag voor de ‘betrokken gewasgroep' moet worden geweigerd, maar het volledige steunbedrag in toepassing van één van de aldaar opgesomde steunregelingen waarvan de betrokken gewasgroep deel uitmaakt?"

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Koen Mestdagh, Antoine Lievens en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 26 september 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky B. Wylleman A. Lievens

K. Mestdagh B. Deconinck E. Dirix

Vrije woorden

  • Europese Unie

  • Landbouw

  • Akkerbouwgewassen

  • Premies

  • Steunaanvraag

  • Opzettelijke onregelmatigheid

  • Sanctie

  • Weigering van het steunbedrag