- Arrest van 27 september 2013

27/09/2013 - C.12.0381.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter moet de juridische aard onderzoeken van de voor hem gebrachte eisen en hij kan, ongeacht de omschrijving die de partijen eraan hebben gegeven, deze aanvullen, mits hij geen enkel geschil opwerpt waarvan de partijen het bestaan hebben uitgesloten, zijn beslissing uitsluitend grondt op feiten die hem regelmatig ter beoordeling zijn voorgelegd en het voorwerp van de vordering niet wijzigt; hij is bovendien verplicht om, met eerbiediging van het recht van verdediging, ambtshalve alle rechtsmiddelen op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die de partijen tot staving van hun eisen in het bijzonder hebben aangevoerd (1). (1) Cass. 14 dec. 2012, AR C.12.0018.N, AC 2012, nr. 690.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0381.F

J. D. P.,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

C. M.,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de vonnissen in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel van 28 oktober 2011 en 23 maart 2012.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

In het cassatieverzoekschrift waarvan een eensluidend verklaard afschrift bij dit arrest is gevoegd, voert de eiser twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Tweede middel

Eerste onderdeel

De rechter moet de juridische aard onderzoeken van de voor hem gebrachte eisen en hij kan, ongeacht de omschrijving die de partijen eraan hebben gegeven, deze aanvullen, mits hij geen enkel geschil opwerpt waarvan de partijen het bestaan hebben uitgesloten, zijn beslissing uitsluitend grondt op feiten die hem regelmatig ter beoordeling zijn voorgelegd en het voorwerp van de vordering niet wijzigt. Hij is bovendien verplicht om, met eerbiediging van het recht van verdediging, ambtshalve alle rechtsmiddelen op te werpen waarvan de toepassing geboden is door alle feiten die door de partijen in het bijzonder tot staving van hun eisen zijn aangevoerd.

De verweerster vorderde in haar syntheseconclusie in hoger beroep dat de eiser zou worden veroordeeld om haar, enerzijds, 2.500 euro schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beroep, en anderzijds, 900 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep te betalen.

Zij verantwoordde haar vordering tot schadevergoeding wegens tergend en roeke-loos beroep met de volgende redenen: "Het valt makkelijk in te zien dat die nieuwe - trouwens nutteloze - door [de eiser] ingestelde procedure voor de verdediging heel wat bijkomend werk noodzakelijk maakt"; "het vermenigvuldigen van procedures leidt ook en onvermijdelijk tot ongerustheid en bijkomende kosten die [de verweerster] moet dragen; die talrijke procedures leiden ertoe dat de positieve uitwerking van de onderhoudskeringen gewoonweg wordt tenietgedaan; die ongerechtvaardigde en abnormale toestand hoort gesanctioneerd te worden los van de door de wet vastgestelde rechtsplegingsvergoedingen die verschuldigd zijn in een normaal en zonder verbetenheid noch overdrijving gevoerde rechtspleging".

De eiser voerde in zijn aanvullende en syntheseconclusie aan dat de verweerster "haar vordering herhaalt in hoger beroep en meent dat zij schade lijdt [...] door-dat er advocatenkosten betaald moeten worden; dat is de enige reden die [de verweerster] aanvoert om de omvang van haar ‘schade' te verantwoorden; die vordering is strijdig met de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, aange-zien de bijdrage in de kosten van verdediging sinds die wet, op forfaitaire wijze wordt gedekt door de rechtsplegingsvergoeding" en dat "blijkens de conclusie van [de verweerster] haar enige schade bestaat in de advocatenkosten, die al gedekt worden door de rechtsplegingsvergoeding en niet meer mag bedragen". Het bestreden vonnis van 23 maart 2012 beslist dat de vordering van de verweer-ster "moet worden ontleed in het in het kader van de vordering tot rechtsple-gingsvergoeding, als een vordering waarbij de maximumrechtsplegingsvergoeding van 2.000 euro in plaats van de basisrechtsplegingsvergoeding van 900 euro wordt gevorderd; [dat de eiser] terecht erop wijst dat de advocatenkosten gedekt worden door de rechtsplegingsvergoeding; [dat] artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek preciseert dat het bedrag van de vergoeding kan worden verminderd of verhoogd bij een met bijzondere redenen omklede beslissing die onder meer rekening houdt met de complexiteit van de zaak [en dat] de rechtbank in deze zaak vaststelt dat de rechtspleging in hoger beroep een diepgaand onderzoek vergde (neerlegging van verscheidene rechtsplegingsstukken, een vonnis dat de heropening van het debat heeft bevolen, verscheidene pleitzittingen) wat verantwoordt dat de rechtsplegingsvergoeding wordt vastgesteld op het maximumbedrag van 2.000 euro" en geeft aldus aan de door verweerster aangevoerde feiten een nieuwe juridische omschrijving zonder een geschil op te werpen waarvan de partijen het bestaan uitsloten.

Voorts heeft de eiser, aangezien hij zelf in zijn conclusie voorstelde dat de ver-meende schade van de verweerster door de rechtsplegingsvergoeding zou worden gedekt, zijn standpunt over een eventuele verhoging van een tegen hem uitgespro-ken rechtsplegingsvergoeding naar voren kunnen brengen en zijn recht van verde-diging werd niet miskend.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Het bestreden vonnis dat de verweerster een rechtsplegingsvergoeding van 2.000 euro toekent nadat het haar vordering opnieuw had omschreven als een vor-dering ertoe strekkende de maximumrechtsplegingsvergoeding te verkrijgen, ver-hoogt het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding niet ambtshalve, maar doet uit-spraak over de vordering van de verweerster binnen de perken ervan.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 27 september 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Bevoegdheid van de rechter

  • Ambtshalve vervangen middel

  • Ambtshalve aangevoerd rechtsmiddel