- Arrest van 27 september 2013

27/09/2013 - C120627F-C120629F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De onregelmatigheid van een handeling in hoger beroep ten gevolge van een foutieve vermelding in de identiteit van de gedaagde in hoger beroep, zonder dwaling omtrent zijn persoon, wordt gestraft met een nietigheid waarop de artikelen 861 en 867 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn; de nietigheid kan bijgevolg slechts worden uitgesproken indien de onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt en wanneer uit de gedingstukken niet blijkt dat de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0627.F

J. P.,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

GEMEENTE VIROINVAL,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie, verweerster.

A.R. C.12.0629.F

J. P.,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

GEMEENTE VIROINVAL,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie, verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep AR C.12.0629.F is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Dinant van 23 maart 2011.

Het cassatieberoep AR C.12.0627.F is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van dezelfde rechtbank van 13 juni 2012.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

Tot staving van het cassatieberoep AR C.12.0629.F voert de eiser een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 703, inzonderheid tweede lid, 861, 867, 1042, 1056 en 1057 van het Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis van 23 maart 2011 vermeldt dat de eiser, als appellant, in de zaak AR nr. 10/254/A, als tegenpartij heeft: "het gemeentebestuur van Viroinval, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, in de persoon van de gewestelijk ontvanger, waarvan de kantoren gevestigd zijn te Nismes, Parc communal, gedaagde in hoger beroep", verklaart het hoger beroep in die zaak ingesteld bij verzoekschrift van 15 maart 2010, dat op 18 maart 2010 ter griffie is neergelegd, niet-ontvankelijk; het grondt zijn beslissing op de onderstaande reden:

"[De verweerster] voert terecht aan dat genoemd hoger beroep niet-ontvankelijk is daar het gemeentebestuur van Viroinval geen rechtspersoonlijkheid heeft, zeker niet wanneer het wordt aangemerkt als zijnde ‘het gemeentebestuur van Viroinval, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, in de persoon van de gewestelijk ontvanger'."

Grieven

Krachtens artikel 1057, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, vermeldt de akte van hoger beroep die niet bij conclusie wordt ingesteld (dus onder meer het in artikel 1056, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde appelverzoekschrift ), op straffe van nietigheid de naam, de voornaam en de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats van de gedaagde in hoger beroep.

Volgens artikel 703, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek doet de gedaagde in hoger beroep die een rechtspersoon is, voldoende van zijn identiteit blijken in de akte van hoger beroep door zijn benaming, zijn rechtskarakter en zijn maatschappelijke zetel op te geven.

Artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek luidt als volgt: "de rechter kan een proceshandeling alleen dan nietig verklaren, indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt".

Voor het overige volgt uit artikel 867 van het Gerechtelijk Wetboek dat het verzuim of de onregelmatigheid van de vorm van een handeling niet tot nietigheid kan leiden "wanneer uit de gedingstukken blijkt dat de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt, of dat die niet-vermelde vorm wel in acht is genomen".

Artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek maakt de artikelen 703, 861 en 867 van dat wetboek toepasselijk in hoger beroep.

2. Uit de artikelen 861 en 867 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat de onregelmatigheid in de vermelding in het appelverzoekschrift van de gedaagde in hoger beroep, zoals hier, de aanduiding van een gemeente onder de benaming "gemeentebestuur" slechts kan worden niet-ontvankelijk verklaard indien die fout de gedaagde in hoger beroep heeft geschaad, door hem te beletten zich als gedaagde te beschouwen en door hem de mogelijkheid te ontzeggen zijn recht van verdediging ten volle uit te oefenen.

3. In deze zaak voerde de eiser in conclusie aan dat het vonnis van de eerste rechter uitgesproken was "tussen de gemeente Viroinval en de heer J.P." zodat de vermelding in de akte van hoger beroep van het "gemeentebestuur van Viroinval, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, in de persoon van de gewestelijk ontvanger" haar geen schade had kunnen berokkenen aangezien de gemeente "regelmatig op de terechtzitting verschenen" was.

Een dergelijke conclusie belet het bestreden vonnis bijgevolg het door de eiser bij het op 18 maart 2010 neergelegde verzoekschrift ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren louter omdat het de gedaagde partij vermeldde als "het gemeentebestuur van Viroinval, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, in de persoon van de gewestelijk ontvanger" en omdat genoemd bestuur geen rechtspersoonlijkheid had zonder vast te stellen dat de foutieve vermelding de gemeente Viroinval schade had berokkend door haar te beletten zich als gedaagde te beschouwen en door haar de mogelijkheid te ontzeggen zijn recht van verdediging ten volle uit te oefenen.

Zodoende schendt het bestreden vonnis immers de in het middel vermelde artikelen van het Gerechtelijk Wetboek en meer bepaald de artikelen 861 en 867 van dat wetboek.

Het bestreden vonnis dat nalaat in zijn redenen een grief van de verweerster en de redenen daarvoor te vermelden, biedt op zijn minst het Hof niet de mogelijkheid zijn wettigheidstoetsing uit te voeren. Het is bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).

Tot staving van het cassatieberoep AR C.12.0627.F voert de eiser een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- De artikelen 33, 35, 38, 867, 1042 en 1051 van het Gerechtelijk Wetboek

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis van 13 juni 2012 wijst erop dat de rechtbank in haar vonnis van 23 maart 2011 de uitspraak over de ontvankelijkheid van het op 18 juni 2010 neergelegde tweede appelverzoekschrift had aangehouden, en beslist vervolgens dat het aldus ingestelde hoger beroep in de zaak nr. 10/594/A niet ontvankelijk is omdat het niet binnen de wettelijke termijn is ingesteld; het grondt zijn beslissing op de onderstaande redenen:

"Standpunt van de rechtbank

Artikel 867 van het Gerechtelijk Wetboek luidt als volgt: ‘Het verzuim of de onregelmatigheid van de vorm van een proceshandeling, met inbegrip van de niet-naleving van de in deze afdeling bedoelde termijnen of van de vermelding van een vorm, kan niet tot nietigheid leiden, wanneer uit de gedingstukken blijkt dat de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt, of dat die niet-vermelde vorm wel in acht is genomen'.

Onder betekening dient te worden begrepen de afgifte, bij deurwaardersexploot, van het eensluidend verklaard afschrift van de akte dat de deurwaarder moet be-tekenen.

Er zijn verscheidene wijzen van betekening waarvoor het Gerechtelijk Wetboek een hiërarchie heeft opgesteld waarvan de niet-nakoming, in beginsel, niet met nietigheid wordt gestraft, behoudens het misbruik van recht, de miskenning van het loyaliteitsbeginsel of van het beginsel van het recht van verdediging en het bedrog (G. de Leval, Éléments de procédure civile, 2de uitg., Larcier, 109)

De partijen zijn het ermee eens dat [de eiser] het afschrift van het vonnis van de vrederechter te Couvin op 26 april 2010 ontvangen heeft.

Bijgevolg was [de eiser] op 26 april 2010 vast en zeker op de hoogte van de beslissing van de vrederechter te Couvin van 23 april 2009.

Zijn verzoekschrift werd echter pas op 18 juni 2010 geviseerd op de griffie van die rechtbank, dus meer dan twee maanden na de ontvangst van het vonnis en een jaar na de afgifte van het afschrift op het parket.

De rechtbank oordeelt in dit geval dat [eisers] hoger beroep vervallen is, aangezien de betekening ervan aan het parket het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt, namelijk de afgifte van het afschrift van het vonnis [aan de eiser], die zijn hoger beroep te laat heeft ingesteld.

Bovendien moet aan die partij duidelijk worden gemaakt dat zijn lezing van het arrest van het Hof van Cassatie van 19 april 2002 verkeerd is. Dat rechtscollege bevestigt het standpunt van de rechtbank. Het oordeelt immers dat de betekening aan het parket onregelmatig is, maar dat het middel niet ontvankelijk is wegens gebrek aan belang gelet op artikel 867 van het Gerechtelijk Wetboek.

Bijgevolg is de rechtbank van oordeel dat het hoger beroep niet ontvankelijk is omdat het niet binnen de wettelijke termijn is ingesteld."

Grieven

1. De termijn om hoger beroep in te stellen is één maand, te rekenen vanaf de be-tekening van het vonnis (artikel 1051, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

De betekening moet regelmatig zijn om de appeltermijn te doen lopen, en degene die de betekening heeft gedaan kan zich niet beroepen op het beginsel dat is vastgelegd in artikel 867 van het Gerechtelijk Wetboek (dat krachtens artikel 1042 van dat wetboek toepasbaar is in hoger beroep).

2. Indien de betekening niet aan de persoon kan worden gedaan overeenkomstig artikel 33 van het Gerechtelijk Wetboek, geschiedt zij, in de regel aan de woonplaats, of bij gebreke van een woonplaats, aan de verblijfplaats van de geadresseerde (artikel 35 van het Gerechtelijk Wetboek). Indien de vormvereisten van artikel 35 van het Gerechtelijk Wetboek niet konden worden nageleefd, wordt er, in de regel, gehandeld overeenkomstig artikel 38, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek.

Slechts bij uitzondering op die beginselen kan de betekening gebeuren door het afschrift van het exploot aan de procureur des Konings ter hand te stellen (artikel 38, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek). Artikel 38, § 2, vierde lid, van het Gerech-telijk Wetboek vermeldt dienaangaande dat de betekening aan de procureur des Konings ongedaan is, indien de partij op verzoek van wie zij is verricht "de gekozen woonplaats of, bij voorkomend geval, de verblijfplaats van diegene aan wie betekend werd, kende".

Dienaangaande voerde de eiser in zijn conclusie in hoger beroep na het vonnis van 23 maart 2011 aan dat het perfect mogelijk was het vonnis van de eerste rechter te betekenen overeenkomstig de artikelen 33, 35 of in voorkomend geval 38, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, zodat de betekening aan de procureur des Konings onregelmatig en ongedaan was.

3. Het bestreden vonnis dat in deze zaak vaststelde, zoals de eiser aanvoerde, dat de betekening "aan het parket" "onregelmatig" was, vermocht bijgevolg niet te beslissen dat het hoger beroep dat ingesteld was bij het op 18 juni 2010 op de griffie neergelegde verzoekschrift niet-ontvankelijk was en schendt zodoende de in het middel vermelde bepalingen en meer in het bijzonder de artikelen 867 en 1051, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

De cassatieberoepen zijn gericht tegen vonnissen in twee zaken die door de appel-rechters werden gevoegd. Ze dienen te worden gevoegd.

Cassatieberoep AR C.12.0629.F

Middel

Krachtens artikel 1057, eerste lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek vermeldt de akte van hoger beroep, met uitzondering van het geval waarin het hoger beroep bij conclu-sie wordt ingesteld, op straffe van nietigheid de naam, de voornaam en de woon-plaats of, bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats van de gedaagde in hoger beroep.

Overeenkomstig artikel 703, tweede lid, van dat wetboek doen rechtspersonen, in de regel voldoende van hun identiteit blijken in elke akte van rechtspleging, door hun benaming, hun rechtskarakter en hun maatschappelijke zetel op te geven.

Op de onregelmatigheid van een akte van hoger beroep ten gevolge van een fou-tieve vermelding in de identiteit van de gedaagde in hoger beroep, zonder dwaling omtrent zijn persoon, is de nietigheidssanctie van de artikelen 861 en 867 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing. De nietigheid kan bijgevolg slechts worden uitgesproken indien de onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt en wanneer uit de gedingstukken niet blijkt dat de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het vonnis van de eerste rechter van 23 april 2009 gewezen is de zaak tussen de eiser en "de ge-meente Viroinval, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en sche-penen, in de persoon van de gewestelijk ontvanger, waarvan de kantoren gevestigd zijn te Viroinval (Nismes), Parc communal", terwijl het verzoekschrift in hoger beroep gericht is tegen "het gemeentebestuur van Viroinval, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, in de persoon van de gewestelijk ontvanger, waarvan de kantoren gevestigd zijn in Parc communal 1 te Nismes".

Het bestreden vonnis, dat het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaart op grond dat "het gemeentebestuur van Viroinval geen rechtspersoonlijkheid heeft, zeker niet wanneer het wordt aangemerkt als zijnde ‘het gemeentebestuur van Viroinval, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, in de persoon van de gewestelijk ontvanger'", en niet nagaat of die fout in de vermeldingen in het appelverzoekschrift betreffende de identiteit van de gedaagde partij, de belangen schaadde van de partij die de exceptie opwierp en of uit de geding-stukken blijkt dat het appelverzoekschrift het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt, schendt de voornoemde wetsbepalingen.

Het middel is gegrond.

Cassatieberoep AR C.12.0627.F

Middel

Betreffende de door de verweerster tegen het middel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het middel heeft geen belang

De verweerster betoogt dat de beslissing van het bestreden vonnis van 13 juni 2012 dat eisers hoger beroep laattijdig is, naar recht verantwoord is aangezien de betekening van het vonnis van de eerste rechter op 18 juni 2009 aan de procureur des Konings, regelmatig is.

Het bestreden vonnis beschouwt die betekening echter als onregelmatig en, aan-gezien die overweging niet door het middel wordt bekritiseerd, gaat het Hof zijn bevoegdheid te buiten wanneer het een eigen overweging in de plaats stelt.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Middel

De onregelmatige betekening van een beslissing in eerste aanleg aan de procureur des Konings doet de appeltermijn niet ingaan.

De latere afgifte van een dergelijke betekening aan de degene aan wie betekend wordt, maakt die betekening niet regelmatig en doet evenmin de appeltermijn in-gaan vanaf de datum van die afgifte.

De toepassing van artikel 867 van het Gerechtelijk Wetboek, krachtens hetwelk de onregelmatigheid van een handeling niet tot nietigheid kan leiden, wanneer uit de gedingstukken blijkt dat de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee be-oogt, doet de appeltermijn niet ingaan vanaf de datum van de afgifte van de onre-gelmatige betekeningsakte aan degene aan wie betekend wordt.

Het bestreden vonnis, dat overweegt dat, aangezien de eiser toegeeft dat hij de li-tigieuze betekeningsakte ontvangen heeft van een politieagent, "de betekening [...] aan het parket het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt, namelijk de af-gifte van het afschrift van het vonnis [aan de eiser]", verantwoordt niet naar recht zijn beslissing om het hoger beroep dat de eiser meer dan een maand na ontvangst van die akten had ingesteld, niet-ontvankelijk te verklaren.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Voegt de cassatieberoepen AR nr. C.12.0627.F en nr. C.12.0629.F.

Vernietigt de bestreden vonnissen van 23 maart 2011 en 13 juni 2012.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde vonnissen.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaken naar de rechtbank van eerste aanleg te Namen, rechtszitting houdend in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 27 september 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Vorm

  • Fout in de vermeldingen over de identiteit van de gedaagde

  • Geen dwaling omtrent zijn persoon

  • Ontvankelijkheid