- Arrest van 30 september 2013

30/09/2013 - C.12.0303.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het kind wiens afstamming van vaderszijde niet vaststaat kan van degene die gedurende het wettelijke tijdvak van de verwekking met zijn moeder gemeenschap heeft gehad, een onderhoudsbijdrage vorderen krachtens artikel 203, §1 van het Burgerlijk Wetboek; die verplichting voor de ouders bestaat onafgezien van enige vordering in rechte tot het bekomen van haar uitvoering.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0303.F

V. P.,

Me Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

P. R.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 29 februari 2012.

De zaak is bij beschikking van 16 augustus 2013 door de eerste voorzitter naar de derde kamer verwezen.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikelen 203, 336, 1234 1382, 1383, 2219 en 2277 Burgerlijk Wetboek;

- algemeen rechtsbeginsel dat het verzaken aan een recht strikt uitgelegd moet worden en slechts afgeleid kan worden uit feiten die niet voor een andere inter-pretatie vatbaar zijn;

- algemeen rechtsbeginsel dat niemand misbruik mag maken van zijn recht;

- algemeen rechtsbeginsel dat het scheppen verbiedt van een bedrieglijke schijn met een terechte dwaling tot gevolg van een partij of een derde waardoor deze schade lijden;

Bestreden beslissing

Het arrest beslist dat de verweerder voor het kind L. slechts vanaf 1 januari 2009 een onderhoudsbijdrage van 145 euro per maand moet betalen en verwerpt bijgevolg de vordering tot het veroordelen van de verweerder tot het betalen van een onderhoudsbijdrage vanaf 1 januari 2006, op grond van de volgende motieven:

"Wat betreft de terugwerkende kracht

Een vordering tot terugwerkende kracht is weliswaar ontvankelijk voor al hetgeen dateert van na de vijfjarige verjaring - en dus vanaf 1 januari 2006, zoals gevorderd door de eiseres - maar mag slechts behoedzaam toegestaan worden, aangezien de vordering niet omgezet mag worden in een kapitaalschuld door de nalatigheid van de alimentatiegerechtigde (...).

De verweerder moest evenwel weten dat L. zijn zoon was en dat hij moest bijdragen tot zijn levensonderhoud. Hij verklaart spontaan deels bijgedragen te hebben toen de partijen samenwoonden en ook later toen hij het kind kon ontmoeten tot in 2007. Het contact lijkt toen verbroken te zijn.

De eiseres heeft nooit iets gevraagd en de verweerder ook niet verzocht zijn kind te erkennen. Zij heeft eenvoudigweg, zonder voorafgaand bericht, de procedure tot vaststelling van vaderschap ingeleid.

Beide partijen blijken relatief nalatig geweest te zijn en voor de terugwerkende kracht zal een tussendatum bepaald worden om de alimentatieplichtige enigszins te sparen aangezien de onderhoudsgerechtigde ook nalatig geweest is en de indruk kan hebben gewekt dat zij het kind best wel zelf kon onderhouden.

De bijdragen zullen verschuldigd zijn vanaf 1 januari 2009".

Grieven

(...)

Derde onderdeel

De aansprakelijkheid voor eigen daad, gestoeld op de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, veronderstelt het bestaan van een fout, schade en een oorzakelijk verband tussen die fout en die schade.

De fout kan twee vormen aannemen. Ofwel vloeit ze voort uit de schending van een wettelijke of verordenende regel, ofwel bestaat ze in het miskennen van een norm van goed gedrag dat van een normaal zorgvuldig en voorzichtig persoon kan worden verwacht in dezelfde omstandigheden geplaatst en met dezelfde functie of bekwaamheidsniveau als de persoon die men aansprakelijk wil stellen.

Uit de bestreden motieven blijkt dat het arrest een deel van de vordering van de eiseres verwerpt op grond van de relatieve nalatigheid van de partijen en inzonderheid van de eiseres, omdat zij "nooit iets heeft gevraagd en de verweerder ook niet heeft verzocht het kind te erkennen. Zij heeft eenvoudigweg, zonder voorafgaand bericht, de procedure tot vaststelling van vaderschap ingeleid". Het arrest voegt er overigens aan toe dat de eiseres "de indruk kan hebben gewekt dat zij het kind best wel zelf kon onderhouden".

Er volgt niet uit deze motieven dat de eiseres een fout zou hebben begaan in de zin van artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek; een recht gedurende een bepaalde tijd niet uitoefenen, of de verweerder niet vragen of hij het kind wilde erkennen of een vordering tot erkenning van de aansprakelijkheid instellen zonder voorafgaand bericht, levert geen aquiliaanse fout op daar geen van de twee criteria daartoe zijn vervuld. Een bepaalde tijd het recht niet uitoefenen, zodat de eiseres de indruk kan hebben gewekt dat zij het kind best wel zelf kon onderhouden, is evenmin een fout.

Het arrest stelt verder ook niet vast dat deze verwijten aan de eiseres, ofwel af-zonderlijk ofwel in hun geheel, wijzen op een houding die tegengesteld is aan de houding van een normaal zorgvuldig en omzichtig persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst. Het wijst ook geen schade aan die in oorzakelijk verband zou staan met die fout.

Als men ervan uitgaat dat het arrest de vordering voor de periode die aan 1 januari 2009 voorafgaat, verwerpt op grond van een aquiliaanse fout van de eiseres waardoor zij aansprakelijk is en niet langer het recht heeft voor deze periode een onderhoudsbijdrage te vorderen voor haar zoon, is het arrest niet wettelijk verantwoord en schendt het de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Derde onderdeel

1. Luidens artikel 336 Burgerlijk Wetboek, kan het kind wiens afstamming van vaderszijde niet vaststaat, van degene die gedurende het wettelijke tijdvak van de verwekking met zijn moeder gemeenschap heeft gehad, een onderhoudsbijdrage vorderen op grond van artikel 203, § 1.

Artikel 203, § 1, bepaalt dat de ouders naar evenredigheid van hun middelen die-nen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, de gezondheid, het toe-zicht, de opvoeding, de opleiding en de ontplooiing van hun kinderen en dat, in-dien de opleiding niet voltooid is, de verplichting doorloopt na de meerderjarig-heid van het kind.

Deze verplichting voor de ouders bestaat onafgezien van enige vordering in rechte tot het verkrijgen van haar uitvoering.

2. Krachtens artikel 2277 Burgerlijk Wetboek, verjaren termijnen van uitke-ringen tot levensonderhoud door verloop van vijf jaren. Die bepaling wil meer be-paald de termijnschuldenaar beschermen tegen een blijvende aangroei van zijn schuld en de schuldeiser aanzetten tot zorgzaamheid.

3. Er bestaat overigens geen algemeen rechtsbeginsel dat een subjectief recht uitdooft of in ieder geval niet meer aangevoerd kan worden wanneer het optreden van zijn houder objectief onverenigbaar is met dat recht zodat hij het gewettigd vertrouwen van de schuldenaar en van derden beschaamt.

Het louter niet-uitoefenen van een recht gedurende een bepaalde tijd is, op zich, geen misbruik van dat recht.

4. Het arrest stelt vast dat "een vonnis van 24 december 2010 beslist heeft dat L. de zoon was van de verweerder", dat "de eiseres de verweerder op 5 januari 2011 gedagvaard heeft om vanaf 1 januari 2006 een onderhoudsbijdrage te beta-len voor zijn zoon op grond van artikel 336 Burgerlijk Wetboek" en dat de vorde-ring niet verjaard is voor wat dateert van na 1 januari 2006.

Het overweegt dat de verweerder "zeker moest weten dat L. zijn zoon was en dat hij moest bijdragen tot zijn levensonderhoud; (dat) hij verklaart spontaan deels bijgedragen te hebben toen de partijen samenwoonden en ook nog later toen hij het kind kon ontmoeten tot in 2007".

Het overweegt dat de eiseres "nooit iets gevraagd heeft en de verweerder ook niet verzocht het kind te erkennen", dat "ze eenvoudigweg, zonder voorafgaand be-richt, de procedure tot vaststelling van vaderschap heeft ingeleid" en dat ze "de indruk kan hebben gewekt dat zij het kind best wel zelf kon onderhouden".

5. Het arrest heeft uit deze overwegingen niet kunnen afleiden dat de eiseres een foutieve nalatigheid beging waardoor zij het recht verliest de veroordeling te vorderen van de verweerder tot betaling van een onderhoudsbijdrage voor de niet-verjaarde periode tussen 1 januari 2006 en 31 december 2008.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden en behoeven, mitsdien, geen onderzoek.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de vordering tot uitkering tot levens-onderhoud voor het gemeenschappelijk kind L. van de eiseres afwijst voor de pe-riode tussen 1 januari 2006 en 31 december 2008 en uitspraak doet over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Alain Simon, Mireille Delange en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 30 september 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwe-zigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Uitkering tot levensonderhoud

  • Artikelen 203, § 1 en 336 van het Burgerlijk Wetboek

  • Verplichting voor de ouders onafgezien van enige vordering in rechte