- Arrest van 30 september 2013

30/09/2013 - C.12.0345.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Hoewel het Hof slechts kennisneemt van de punten van de beslissing die in het inleidende verzoekschrift zijn vermeld en de omvang van de vernietiging in de regel beperkt is tot de draagwijdte van het middel waarop deze gegrond is, raakt de vernietiging van een punt van het dictum evenwel het hele dictum, ongeacht de reden voor die vernietiging (1). (1) Zie Cass. 13 jan. 2005, AR C.04.0280.F, AC 2005, nr. 22.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0345.F

S. S.,

Mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. FORTIS BANK nv,

Mr. Isabelle Heenen, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. AG INSURANCE nv.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 23 april 2012, op verwijzing gewezen ten gevolge van het arrest van het Hof van 11 oktober 2010.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 16 augustus 2013 naar de derde kamer verwezen.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. FEITEN

Zoals blijkt uit het bestreden arrest en uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, kunnen de feiten en de voorafgaande rechtspleging als volgt worden sa-mengevat:

De partijen in wier rechten de verweersters treden, hebben de eiseres voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel gedagvaard om kredieten terug te betalen.

Het hof van beroep te Brussel heeft bij arrest van 30 juni 2009 het hoofdberoep van de verweersters en het incidenteel beroep van de eiseres ontvankelijk ver-klaard, het hoofdberoep gegrond verklaard, het incidenteel beroep verworpen en de eiseres veroordeeld om 215.491,75 euro, vermeerderd met de interest en de kosten, aan de verweersters te betalen.

Het Hof heeft bij arrest van 11 oktober 2010 laatstgenoemde beschikking vernie-tigd, op grond dat het verweer van de eiseres waarbij het aanrekenen van een be-taling van 2.433, 37 euro werd betwist, niet was beantwoord.

Het bestreden arrest dat door de verwijzingsrechter gewezen werd, veroordeelt de eiseres om 215.491,75 euro, vermeerderd met de interest en de kosten, aan de verweersters te betalen.

III. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert een middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1082, 1095 en 1110 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest dat op tegenspraak uitspraak doet binnen de perken waarin de zaak aanhangig is gemaakt, vernietigt het vonnis van de eerste rechter in zoverre het uitspraak deed over de vordering tegen de eiseres, opnieuw wijzende, veroordeelt het de eiseres om 215.491,75 euro aan de verweersters te betalen, vermeerderd met de gerechtelijke interest tegen de jaarlijkse rentevoet van 8,45 pct. op het bedrag van 197.395,71 euro, vanaf 3 januari 2009 tot de volledige betaling, en veroordeelt haar tot de kosten van de beide aanleggen van de verweersters.

Die beslissing steunt inzonderheid op de volgende gronden:

"De eiseres heeft een cassatieberoep ingesteld en voerde daarvoor als enig motief een gebrek aan motivering aan omdat het [destijds bestreden arrest] haar conclusie niet had beantwoord waarin zij opkwam tegen het toerekenen op het belastingkrediet van een betaling van 2.433,37 euro die zij zelf had gedaan, terwijl het arrest enkel van het toerekenen van de betalingen van de heer T. gewag maakte.

Luidens het arrest op verwijzing heeft het Hof het [destijds bestreden] arrest vernietigd 'in zoverre het de eiseres veroordeelt om 215.494,75 euro, vermeerderd met de interest en de kosten, aan de verweersters te betalen', het arrest bindend en tegenstelbaar aan de heer T. verklaard, de kosten aangehouden en de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter overgelaten en de aldus beperkte zaak verwezen naar het hof van beroep te Bergen.

Omvang van de cassatie

Na de vernietiging dient de rechter op verwijzing de mate waarin de zaak bij hem aanhangig is in verhouding tot de vernietigde beslissing te bepalen.

Het Hof van Cassatie heeft luidens zijn verwijzend arrest het arrest van het hof van beroep te Brussel van 30 juni 2009 vernietigd 'in zoverre het de eiseres veroordeelt om 215.491,75 euro, vermeerderd met de interest en de kosten, aan de verweersters te betalen'.

De uitgesproken vernietiging is dus gedeeltelijk aangezien de beschikkingen van het arrest van het hof van beroep te Brussel van 30 juni 2009 over de ontvankelijkheid van het hoofdberoep en de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het incidenteel beroep, die in het cassatieverzoekschrift overigens niet werden bestreden, niet vernietigd werden.

Wanneer het Hof een zaak gedeeltelijk verwijst, dan is het zijn bedoeling dat de niet-bestreden of niet-vernietigde beschikkingen van de bestreden beslissing, waartegen geen cassatieberoep meer mogelijk is, niet meer voor de rechter op verwijzing ter discussie kunnen worden gesteld.

Bijgevolg zijn in dit geval enkel de beschikkingen vernietigd die betrekking hebben op de veroordeling van de eiseres tot het betalen van 215.491,75 euro, vermeerderd met de interest en op de veroordeling tot de kosten.

Er moet worden nagegaan of het hof [van beroep op verwijzing] opnieuw mag onderzoeken of het betoog van [de eiseres] betreffende drie betalingstoerekeningen die de verweersters ten onrechte zouden hebben verricht, gegrond is.

Hoewel het ontegensprekelijk vaststaat dat het hof [van beroep] moet bepalen of het toerekenen, door [de verweersters], van een betaling van 2.433,37 euro op 28 oktober 1997 die de eiseres verricht had op het krediet 'belastingprovisie' al dan niet correct was, rijst de vraag of het verwijzend arrest ook de twee andere betalingstoerekeningen bij dat hof aanhangig heeft gemaakt.

Bij twijfel over de precieze omvang van de vernietiging, moet de rechter op verwijzing refereren aan het middel dat het Hof heeft aangenomen, daar de vernietiging steeds beperkt is tot de draagwijdte van de middelen krachtens welke het zich heeft uitgesproken.

Bovendien moet dienaangaande niet alleen rekening worden gehouden met het dictum van het cassatiearrest maar tevens met de redenen die de noodzakelijke grondslag ervan zijn.

Er dient evenwel te worden vastgesteld dat het Hof van Cassatie duidelijk gezegd heeft dat het middel gegrond was in zoverre het destijds bestreden arrest niet had geantwoord op de conclusie van [de eiseres] waarin het toerekenen van een betaling van 2.433,37 euro op 28 oktober 1997 werd betwist.

Bovendien moet erop worden gewezen dat de enige grief van het cassatieverzoekschrift, ten aanzien van het destijds bestreden arrest, het niet-beantwoorden van de conclusie van de eiseres betrof inzake het toerekenen, door de verweersters, van een betaling van de eiseres van 2.433,37 euro op het 'krediet belastingprovisie' dat de heer T. alleen was aangegaan en waarin de eiseres geen aandeel had.

Bovendien voegt het cassatieverzoekschrift bij wijze van opmerking eraan toe dat 'De eiseres in haar appelconclusie verschillende middelen heeft aangevoerd betreffende het toerekenen van betalingen die zij zelf in 1997 en 1998 of die haar echtgenoot sedert mei 2006 heeft gedaan. Het destijds bestreden arrest ontmoet het merendeel van die overwegingen. Geen enkele reden van dat arrest beantwoordt evenwel het middel waarin de eiseres aanvoerde dat de 2.433,37 euro die zij op 28 oktober 1997 had betaald als gedeeltelijke terugbetaling van het hypothecair krediet ten onrechte toegerekend was op het krediet belastingprovisie [...], dat haar echtgenoot alleen was aangegaan en waardoor zij niet gebonden was'.

Uit die overwegingen volgt dat de omvang van de cassatie beperkt is tot de beslissingen van het vernietigde arrest die uitspraak doen over het toerekenen van de betaling van 2.433,37 euro en bijgevolg, rekening houdend met het antwoord op die vraag, tot de tegen die eiseres uitgesproken veroordeling".

Grieven

Artikel 1110 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, ingeval cassatie wordt uitgesproken met verwijzing, deze plaatsheeft naar het gerecht in hoogste feitelijke aanleg van dezelfde rang als datgene dat de bestreden beslissing gewezen heeft. Deze wordt voor het aangewezen gerecht aanhangig gemaakt zoals een gewone zaak.

De rechter op verwijzing zal binnen de perken van de cassatie van de zaak kennisnemen.

Hoewel het Hof slechts kennisneemt van de punten van de beslissing die in het inleidende verzoekschrift zijn aangegeven, zoals blijkt uit de artikelen 1082 en 1095 van het Gerechtelijk Wetboek, en de omvang van de cassatie in de regel beperkt is tot de draagwijdte van het middel waarop deze gegrond is, laat de cassatie van een beschikking van die beslissing niets overeind, ongeacht de reden voor die vernietiging.

Daaruit volgt dat de rechter op verwijzing zich niet mag beperken tot het herstellen van de fout van de rechter wiens beslissing vernietigd werd, maar in diens plaats een volledige beslissing dient te nemen binnen de mate waarin de zaak bij hem aanhangig is.

Wanneer een beslissing vernietigd is op grond dat de conclusie van de eiser niet werd beantwoord, worden de partijen bijgevolg opnieuw in dezelfde situatie geplaats als waarin zij zich bevonden voor de rechter die de achteraf vernietigde beslissing heeft gewezen; het gerecht op verwijzing mag zich bijgevolg niet beperken tot het beantwoorden van de conclusie waarop die beslissing geen acht heeft geslagen en tot het al dan niet bevestigen ervan.

Te dezen heeft het Hof bij arrest van 11 oktober 2010 het arrest van het hof van beroep te Brussel van 30 juni 2009 vernietigd, in zoverre het de eiseres veroordeeld had om 215.491,75 euro, vermeerderd met de interest en de kosten, aan de verweersters te betalen, en de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen verwezen.

Het Hof deed met dat arrest uitspraak over het enige middel dat opkwam tegen de beslissing van het hof van beroep te Brussel om de eiseres te veroordelen tot betaling van het voornoemde bedrag van 215.491,75 euro, vermeerderd met de interest, en dat een gebrek aan motivering aanvoerde.

Het middel kwam meer bepaald op tegen de overwegingen onder het opschrift "toewijzing van de door de heer T. gedane betalingen".

De eiseres betoogde in haar cassatieberoep met name dat zij in haar conclusie opkwam tegen de wijze waarop de verweersters de drie betalingen die zij in 1997 en 1998 had gedaan, hebben toegerekend en, waar het meer in het bijzonder de betaling van 2.433,37 euro betrof die zij in 1997 had gedaan, verweet zij het hof van beroep te Brussel met geen enkele reden de conclusie te hebben beantwoord inzake het toerekenen door de verweersters van dat bedrag op het "krediet belastingprovisie" dat de heer T. was aangegaan.

Het Hof heeft dat middel aangenomen wegens een gebrek aan motivering.

De motivering is een vormvereiste zodat de vernietiging van het arrest zich noodzakelijk uitstrekt tot de volledige beschikking waarop dat gebrek aan motivering betrekking had, te weten de veroordeling van de eiseres tot het betalen van de hoofdsom van 215.491,75 euro, zoals het Hof trouwens expliciet beklemtoond had in het dictum van het arrest van 11 oktober 2011, zodat de partijen vóór de rechter op verwijzing in dezelfde situatie werden geplaatst als waarin zij zich bevonden voordat het hof van beroep te Brussel de eiseres had veroordeeld tot het betalen van de bovenvermelde hoofdsom, aangezien de cassatie niets overeind laat van de vernietigde beschikking.

De rechter op verwijzing mocht zich bijgevolg niet beperken tot het onderzoeken van de gegrondheid van het middel inzake het toerekenen van de 2.433,37 euro alleen, maar diende tevens de gegrondheid te onderzoeken van de andere verweermiddelen die de eiseres had aangevoerd betreffende de hoofdsom die de verweersters van haar vorderden, en inzonderheid met betrekking tot het toerekenen van de bedragen van 1.082,28 euro (43.659 frank) en 6.352,54 euro (256.961 frank) op de hoofdsom van 215.491,75 euro.

Het bestreden arrest dat oordeelt "dat de omvang van de cassatie beperkt is tot de beslissingen van het vernietigde arrest die uitspraak doen over het toerekenen van de betaling van 2.433,37 euro en bijgevolg, rekening gehouden met het antwoord op die vraag, tot de tegen de eiseres uitgesproken veroordeling", en derhalve oordeelt dat het de appelconclusie na cassatie van de eiseres niet hoeft te beantwoorden in zoverre zij daarin met name de bestemming betwistte die de verweersters hadden gegeven aan twee andere betalingen die zij had gedaan en die volgens haar moesten worden toegerekend op de door de verweersters gevorderde hoofdsom, terwijl het arrest van het hof van beroep te Brussel van 30 juni 2009 bij het arrest van het Hof van 11 oktober 2010 vernietigd werd "in zo-verre het de eiseres veroordeelt om 215.491,75 euro, vermeerderd met de interest en de kosten, aan de verweersters te betalen", en zulks wegens een gebrek aan motivering, waardoor die cassatie niets overeind laat van de beschikking, miskent derhalve de omvang van de vernietiging die werd uitgesproken door het voornoemde arrest van 11 oktober 2010 en bijgevolg van zijn saisine (schending van de artikelen 1082, 1095 en 1110 van het Gerechtelijk Wetboek).

IV. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Hoewel het Hof slechts kennis neemt van de punten van de beslissing die in het inleidende verzoekschrift zijn aangegeven en de omvang van de cassatie in de re-gel beperkt is tot de draagwijdte van het middel dat eraan ten grondslag ligt, raakt de cassatie van een punt van het dictum evenwel het hele punt, ongeacht de reden voor die vernietiging.

Daaruit volgt dat de rechter op verwijzing zich niet mag beperken tot het herstel-len van de fout van de rechter wiens beslissing vernietigd werd, maar hij in diens plaats een volledige beslissing dient te nemen in de mate waarin de zaak bij hem aanhangig is.

Wanneer een beslissing vernietigd is op grond dat de conclusie van de eiser niet werd beantwoord, worden de partijen bijgevolg opnieuw in dezelfde situatie ge-plaats als waarin zij zich bevonden voor de rechter wiens beslissing werd vernie-tigd. Het gerecht op verwijzing mag zich bijgevolg niet beperken tot het beant-woorden van het verweer waarop die beslissing geen acht heeft geslagen en het al dan niet te bevestigen ervan.

Het arrest van het hof van beroep te Brussel van 30 juni 2009 had de eiseres ver-oordeeld om 215.491,75 euro, vermeerderd met de interest en de kosten, aan de verweersters te betalen.

Het Hof heeft bij arrest van 11 oktober 2010 laatstgenoemde beschikking vernie-tigd, op grond dat de conclusie van de eiseres, waarin de toerekening van een be-taling van 2.433, 37 euro ter discussie stond, niet was beantwoord.

Het vernietigde arrest had een veroordeling uitgesproken tot betaling van een to-taal bedrag van 215.491,75 euro met interest, waarbij het niet mogelijk is de ge-volgen nader te preciseren die de onwettigheid die tot cassatie heeft geleid op die beslissing heeft, zodat die cassatie noodzakelijkerwijs de volledige bestreden be-schikking betrof, hetgeen het Hof in het dictum van zijn arrest duidelijk heeft ge-steld.

Het hof van beroep op verwijzing diende dus uitspraak te doen over de bedragen die de eiseres aan de verweersters verschuldigd was.

De verweersters hebben in hun conclusie voor dat gerecht op verwijzing gevor-derd om de eiseres te veroordelen tot het betalen van 215.491,75 euro, vermeer-derd met interest en de kosten; de eiseres betwistte niet enkel de toerekening van de betaling van 2.433,37 euro maar ook nog andere posten van de schuld.

Het bestreden arrest oordeelt dat "de omvang van de cassatie beperkt is tot de be-slissingen van het vernietigde arrest die uitspraak doen over de toerekening van de betaling van 2.433,37 euro en bijgevolg, rekening houdend met het antwoord op die vraag, tot de tegen die eiseres uitgesproken veroordeling", en veroordeelt de eiseres, na enkel die toerekening en niet alle betwistingen van de eiseres te hebben onderzocht, om aan de verweersters het bedrag van 215.491,75 euro, vermeerderd met de interest, te betalen.

Door aldus uitspraak te doen, schendt het bestreden arrest artikel 1110 Gerechte-lijk Wetboek.

Het middel is gegrond.

Dictum,

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiseres veroordeelt om aan de verweersters het bedrag te betalen van 215.491,75 euro, vermeerderd met interest, en uitspraak doet over de kosten van de partijen in het cassatiegeding.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Alain Simon, Mireille Delange en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 30 september 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwe-zigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden