- Arrest van 1 oktober 2013

01/10/2013 - P.13.1561.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 22, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet is niet van toepassing op de procedure voor de kamer van inbeschuldigingstelling (1). (1) Zie: Cass. 14 okt. 1992, AR 260, AC 1991-1992, nr. 666; Cass. 12 maart 2003, AR P.03.0333.F, AC 2003, nr. 165; Cass. 7 mei 2003, AR P.03.0607.F, AC 2003, nr. 279.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1561.N

N B,

inverdenkinggestelde, aangehouden,

eiser,

met als raadsman Mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 17 september 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 22, vierde lid, 23 en 30, § 2, laatste lid, Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging.

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert aan dat het arrest onterecht oordeelt dat artikel 22, vier-de lid, Voorlopige Hechteniswet niet van toepassing is op de procedure voor de kamer van inbeschuldigingstelling wanneer nieuwe stukken aan het dossier wor-den toegevoegd na de behandeling van de zaak door de raadkamer.

3. Artikel 22, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet is niet van toepassing op de procedure voor de kamer van inbeschuldigingstelling.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

4. Noch artikel 30 Voorlopige Hechteniswet, noch artikel 5.4 EVRM bepalen dat het dossier aan de verdachte moet worden medegedeeld vóór de rechtszitting van de kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak moet doen over de hand-having van de voorlopige hechtenis wanneer hij daarvan, overeenkomstig de arti-kelen 21, § 3, of 22, vierde lid, van die wet, inzage heeft kunnen nemen vóór de rechtszitting van de raadkamer, tenzij nadien nieuwe stukken bij het dossier wor-den gevoegd.

5. Het arrest stelt onaantastbaar vast dat er geen redenen zijn aan te nemen dat aan het strafdossier meer stukken werden toegevoegd dan die welke de onder-zoeksrechter onder zich heeft en die ter inzage van de verdediging zijn gesteld. Aldus geeft het arrest te kennen dat de eiser vóór de rechtszitting van de kamer van inbeschuldigingstelling alle stukken van het strafdossier heeft kunnen raad-plegen.

In zoverre het onderdeel aanvoert dat er na de beschikking van de raadkamer nieuwe stukken aan het strafdossier werden toegevoegd die de eiser niet heeft kunnen inzien en niet aan de tegenspraak werden onderworpen, komt het op tegen dat oordeel en is het niet ontvankelijk.

Tweede en derde onderdeel

6. De onderdelen voeren aan dat het arrest niet kan oordelen dat eisers recht van verdediging niet wordt miskend, wanneer hij opwerpt geen inzage te hebben kunnen nemen van nieuwe stukken omwille van laattijdige verwittiging hiervan en niet om een uitstel verzoekt, (tweede onderdeel) en wanneer hij verzoekt dat gebrek te remediëren (derde onderdeel) zonder de zaak te hebben verdaagd en vast te stellen dat de zaak niet meer kan worden behandeld binnen de in artikel 30, § 3, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalde termijn; het arrest stelt niet vast dat de kamer van inbeschuldigingstelling zich in de onmogelijkheid bevond om de zaak te behandelen op 18 september 2013; de eiser heeft zich verdedigd over de onmogelijkheid de nieuwe stukken in te zien en heeft zich uiteraard niet verdedigd over de inhoud van die stukken; hij wilde enkel een verdaging van de zaak in zoverre de zaak nog steeds zou kunnen worden behandeld binnen de bij de wet voorziene termijn van behandeling; het kan aan de verdachte niet worden verweten geen verzoek tot uitstel te hebben geformuleerd om zich te kunnen ver-dedigen wanneer daardoor geen beslissing binnen deze termijn kan worden ver-kregen.

7. Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel, oordeelt het arrest dat de eiser vóór de rechtszitting van de kamer van inbeschuldigingstelling alle stuk-ken van het strafdossier heeft kunnen raadplegen. Het oordeelt ook: "Evenmin is verdachte in zijn rechten van verdediging geschonden. Afgezien van de omstan-digheid dat de verdediging bij voorbaat geen verzoek tot uitstel wenste te formule-ren, is gebleken dat hij zich met kennis van zaken en op omstandige wijze heeft verdedigd".

In zoverre de onderdelen ervan uitgaan dat de appelrechters hun oordeel dat eisers recht van verdediging niet werd miskend, hebben afgeleid uit het feit dat de eiser niet om een uitstel heeft verzocht, berusten ze op een onjuiste en onvolledige le-zing van het arrest en missen ze bijgevolg feitelijke grondslag.

8. Voor het overige komen de onderdelen op tegen het onaantastbaar oordeel in feite van de appelrechters dat de eiser zich met kennis van zaken en op omstan-dige wijze heeft verdedigd, zodat zijn recht van verdediging niet werd miskend, of verplichten ze tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre zijn de beide onderdelen niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 64,41 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Geert Jocqué, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechts-zitting van 1 oktober 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afge-vaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

E. Francis A. Lievens

P. Hoet G. Jocqué P. Maffei

Vrije woorden

  • Handhaving

  • Procedure voor de kamer van inbeschuldigingstelling