- Arrest van 2 oktober 2013

02/10/2013 - P.13.1553.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 149 van de Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die, met toepassing van artikel 74/6 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, uitspraak doen over de handhaving van de vrijheidsberovende maatregel (1). (1) Cass. 30 nov. 2010, AR P.10.1735.N, AC 2010, nr. 704.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1553.F

T. M.,

Mr. Emmanuelle Halabi, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 6 september 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Françoise Roggen heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Het middel voert schending aan van de artikelen 7 en 74/6 Vreemdelingenwet, 15 van de Richtlijn 2008/115/EG over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, 1 tot 5 van de wet van 29 juli 1991 Wet Motivering Bestuurshandelingen en 149 Grondwet.

In zoverre het middel de schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, dat niet van toepassing is op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de handha-ving van de met toepassing van artikel 74/6 van de wet van 15 december 1980 ge-nomen administratieve maatregel van vrijheidsberoving, faalt het naar recht.

Voor het overige voert de eiser aan dat hij is vastgehouden op grond van de admi-nistratieve maatregel van 2 april 2013 die op 9 augustus 2013 werd verlengd, met andere woorden buiten de wettelijke geldigheidstermijn van de maatregel, zodat de kamer van inbeschuldigingstelling, door zijn vrijlating niet te bevelen, haar be-slissing niet naar recht heeft verantwoord. Hij voert dienaangaande aan dat, in te-genstelling tot wat het arrest beslist, de titel van vrijheidsberoving van 28 mei 2013 geen autonome titel van vrijheidsberoving kan zijn die twee maanden geldig is.

Artikel 74-6, 1bis, 1°, van de wet van 15 december 1980 bepaalt dat de vreemde-ling die het grondgebied binnengekomen is zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden of wiens verblijf opgehouden heeft regelmatig te zijn en die een asielaanvraag indient, door de minister of zijn gemachtigde in een welbepaal-de plaats kan worden vastgehouden teneinde zijn effectieve verwijdering te waar-borgen, indien de vreemdeling sedert minder dan tien jaar uit het Rijk werd terug-gewezen of uitgezet en die maatregel niet werd opgeschort of ingetrokken.

Het arrest stelt vast dat de op grond van artikel 74-6, 1bis, 1°, van de wet van 15 december 1980 genomen vrijheidsberovende maatregel van 28 mei 2013 met name gemotiveerd is door het feit dat de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een ministerieel besluit tot verwijdering van 4 februari 2004, voor een duur van tien jaar, dat hij sindsdien de uitvoering van een verwijderingsmaatregel en het hem betekende bevel om het grondgebied te verlaten tweemaal heeft belemmerd, dat het weinig waarschijnlijk is dat hij gevolg zou geven aan een bevel om het grond-gebied te verlaten dat hem opnieuw zou worden betekend en dat zijn vasthouding noodzakelijk is om zijn effectieve verwijdering van het grondgebied mogelijk te maken.

Het arrest verantwoordt bijgevolg de beslissing dat de vrijheidsberovende maatre-gel van 28 mei 2013 een autonome titel van vrijheidsberoving was, naar recht.

In zoverre het middel aanvoert dat een autonome titel geen administratieve hech-tenis kan stuiten en geen nieuwe termijn van hechtenis kan doen ingaan, faalt het naar recht.

Door vast te stellen dat de beslissing van 28 mei 2013 tot vasthouding in een wel-bepaalde plaats, twee maanden geldig is en dat de duur van de vasthouding van rechtswege was opgeschort gedurende de termijn waarbinnen een verzoekschrift bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen werd ingediend, met name van 17 juni tot 1 juli 2013, zodat de beslissing tot verlenging binnen de wettelijke termijn is genomen, schenden de appelrechters de in het middel bedoelde wetsbepaling niet en doen zij evenmin uitspraak over de opportuniteit van de maatregel.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

De eiser verwijt de appelrechters dat zij niet op zijn conclusie antwoorden en oe-fent in het algemeen kritiek uit op het feit dat er geen onderzoek is gevoerd naar de proportionaliteit van de verlengingsmaatregel ten aanzien van het privé- en ge-zinsleven van de eiser, die een kind ten laste heeft en trouwplannen heeft.

Het middel, dat de schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, dat niet toepas-selijk is op de rechtspleging voor de kamer van inbeschuldigingstelling, faalt naar recht.

Uit de stukken van de rechtspleging blijkt niet dat de eiser conclusie heeft geno-men op de rechtszitting. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Het middel, dat een onderzoek van feiten vereist, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is in zoverre niet ontvankelijk.

Het arrest stelt voor het overige vast dat de vrijheidsberovende maatregel op 9 au-gustus 2013 werd verlengd, met toepassing van artikel 74/6, § 2, eerste lid, van de wet van 15 december 1980, op grond dat de betrokkene op 22 mei 2013 een asiel-aanvraag heeft ingediend die op 17 juni 2013 werd geweigerd, dat hij vervolgens een verzoekschrift heeft ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat werd verworpen op 16 juli 2013, dat de nodige maatregelen om de betrokkene te verwijderen werden genomen binnen zeven werkdagen na de eindbeslissing in de asielprocedure en dat op heden de betrokkene nog steeds binnen een redelijke termijn kan worden verwijderd.

De appelrechters omkleden hun beslissing dus regelmatig met redenen en verant-woorden ze naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 2 oktober 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Bloch en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Vrijheidsberovende maatregel

  • Beroep bij de rechterlijke macht

  • Beslissing van de onderzoeksgerechten

  • Artikel 149 van de Grondwet

  • Toepassing