- Arrest van 4 oktober 2013

04/10/2013 - C.12.0614.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de artikelen 1710.1 en 1710.2 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat, in afwijking van de artikelen 1033 en 1122 van dat wetboek, alleen de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is gevraagd derdenverzet kan doen tegen de beslissing die de arbitrale uitspraak uitvoerbaar verklaart (1). (1) Zie concl. O.M. dat concludeerde tot vernietiging op het derde middel, in Pas. 2013, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0614.F

INTERNATIONAL HOTELS WORLDWIDE Inc., vennootschap naar het recht van de Britse Maagdeneilanden,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Buitenlandse Zaken,

2. BANCA MONTE PASCHI BELGIO nv,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 26 juni 2012.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 9 september 2013 een conclusie neer-gelegd ter griffie.

Raadsheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert vier middelen aan waarvan het tweede gesteld is als volgt.

Geschonden wettelijke bepalingen

- De artikelen 17, 1025, 1033, 1122 en 1712.1 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart de hogere beroepen van de verweerders ontvankelijk en ge-grond en doet het vonnis van de eerste rechter teniet, behalve in zoverre hij de vorderingen ontvankelijk verklaart en de kosten vaststelt. Het arrest, dat voor het overige opnieuw uitspraak doet, doet de beschikking van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 26 april 2007 teniet en verklaart de vordering tot uitvoerbaarverklaring van de arbitrale uitspraak van 8 oktober 2001 ontvankelijk maar niet-gegrond. Het verklaart het hoger beroep van de eiseres ten slotte ontvankelijk maar niet-gegrond en veroordeelt haar in de kosten van de twee instanties.

Die beslissingen zijn gegrond op alle redenen van het arrest die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en meer bepaald om de volgende redenen:

"4. Het derdenverzet [van de verweerder] en de vrijwillige tussenkomst van de [verweerster] zijn ontvankelijk.

Het incidenteel beroep van [de eiseres] is op dat punt niet gegrond.

Eenieder die niet behoorlijk is opgeroepen of niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussengekomen, kan immers derdenverzet doen tegen een beslissing die zijn rechten benadeelt en die gewezen is door een burgerlijk gerecht (artikel 1122 van het Gerechtelijk Wetboek).

De beschikking die de arbitrale uitspraak uitvoerbaar verklaart, is gewezen op eenzijdig verzoekschrift; hieruit volgt dat [de verweerders] geen partij zijn in de zaak.

Voor zover [de verweerders] verplichtingen hebben ten aanzien van de NAVO - die de onschendbaarheid aanvoert -, kunnen [zij] door de uitvoerbaarverklaring benadeeld worden, daar zij het risico lopen hun verplichtingen ten aanzien van de NAVO onvoorwaardelijk te moeten nakomen en dat zij, ingeval zij berusten in het uitvoerend beslag onder derden, de gelden moeten overhandigen aan de instrumenterende notaris die optreedt in naam van de schuldeiser, [de eiseres].

Hoewel ‘de uitvoerbaarverklaring' inderdaad ‘niet de tenuitvoerlegging is', dient ‘de uitvoerbaarverklaring' niettemin als grondslag voor de tenuitvoerlegging, te weten het verzoek van de gerechtsdeurwaarder [aan de verweerders] om van die gelden afgifte te doen in handen van de deurwaarder.

Indien [de verweerders] tegen de beschikking van 26 april 2007 geen verzet doen, lopen zij dus het risico twee keer te moeten betalen.

De rechtsvordering kan worden toegelaten indien zij, zelfs tot verkrijging van een verklaring van recht, is ingesteld om schending van een ernstig bedreigd recht te voorkomen (artikel 18 van het Gerechtelijk Wetboek).

De vaststelling dat de rechten van de verzetdoende partijen benadeeld kunnen worden, zorgt ervoor dat zij niet alleen de hoedanigheid maar ook het belang heb-ben om tussen te komen (artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek).

Dat belang is een reeds verkregen en dadelijk belang, het is een rechtstreeks be-lang.

Het feit dat de vermeende schuldenaar (de NAVO) de litigieuze maatregel al dan niet heeft betwist, kan de rechten van de derden niet beperken.

Het derdenverzet is ontvankelijk zodra de rechtspositie van de verzetdoende partij door de bekritiseerde beslissing kan worden aangetast (vgl. Cass., 21 maart 2003). Dat is hier het geval; een mogelijke benadeling volstaat.

In tegenstelling tot wat [de eiseres] betoogt, zijn de artikelen 1711 en 1712 van het Gerechtelijk Wetboek geen ‘lex specialis derogat legi generali'.

Die artikelen regelen de (gewone) rechtsmiddelen van partijen in de arbitragepro-cedure.

Die artikelen beperken de rechten van de derden om verzet te doen (buitengewoon rechtsmiddel) niet".

Grieven

1. Volgens artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechtsvordering niet worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen.

2. Volgens artikel 1025 van het Gerechtelijk Wetboek zijn de rechtsplegingen op verzoekschrift, meer bepaald op eenzijdig verzoekschrift behoudens in de gevallen waarin de wet uitdrukkelijk ervan afwijkt, geregeld zoals is bepaald in de titel V van boek II van het Gerechtelijk Wetboek, dat met name ook artikel 1033 van dat wetboek omvat.

3. Volgens artikel 1033 van het Gerechtelijk Wetboek kan al wie niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussengekomen, verzet doen tegen de beslissing die zijn rechten benadeelt.

4. Volgens artikel 1122, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek kan eenieder die niet behoorlijk is opgeroepen of niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussengekomen, derdenverzet doen tegen een, zij het voorlopige, beslissing die zijn rechten benadeelt en die gewezen is door een burgerlijk gerecht of door een strafgerecht, voor zover dit over burgerlijke belangen uitspraak heeft gedaan.

4. Volgens artikel 1710.1 van het Gerechtelijk Wetboek kan de tenuitvoerlegging van een arbitrale uitspraak slechts plaatsvinden nadat zij, op verzoekschrift van de belanghebbende partij, door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg uitvoerbaar is verklaard, zonder dat de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is verzocht, aanspraak kan maken om in deze stand van het geding te worden gehoord.

Uit die bepaling volgt dat de uitvoerbaarverklaring van een arbitrale uitspraak wordt toegekend op eenzijdig verzoekschrift.

5. Volgens artikel 1712.1 van het Gerechtelijk Wetboek moet de beslissing tot uitvoerbaarverklaring van de uitspraak door de verzoeker aan de wederpartij worden betekend. Binnen een maand na deze betekening kan tegen de beslissing verzet bij de rechtbank van eerste aanleg worden gedaan.

6. Uit die bepalingen volgt dat artikel 1712.1 van het Gerechtelijk Wetboek, in af-wijking van de artikelen 1033 en 1122 van dat wetboek, alleen aan de partij in de arbitrageprocedure tegen wie de arbitrale uitspraak is gedaan, de hoedanigheid toekent om derdenverzet te doen tegen de beschikking die de voormelde beschikking uitvoerbaar verklaart.

7. Het arrest beslist, om de in de aanhef van het middel weergegeven redenen, dat artikel 1712 van het Gerechtelijk Wetboek geen lex specialis is, zodat overeenkomstig het gemeen recht van de artikelen 17 en 1122 van het Gerechtelijk Wetboek iedere derde die benadeeld wordt - of zelfs nog maar dreigt benadeeld te worden - door een beschikking tot uitvoerbaarverklaring van een arbitrale uitspraak de vereiste hoedanigheid heeft om daartegen derdenverzet te doen. Het verklaart het derdenverzet van de verweerders tegen de beschikking van 26 april 2007 bijgevolg gegrond.

8. Het arrest miskent aldus de aard van het verzet dat tegen een beschikking tot uitvoerbaarverklaring van een arbitrale uitspraak wordt gedaan, daar het verzet een rechtsmiddel is dat voorbehouden is voor de partijen in de arbitrageprocedure (schending van alle in de aanhef van het middel bedoelde wettelijke bepalingen, en inzonderheid van artikel 1712.1 van het Gerechtelijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede middel

De door de verweerders tegen het middel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: de eiseres heeft in het eerste middel erkend dat de bepa-lingen waarvan de schending wordt aangevoerd, toepasselijk zijn op het der-denverzet van de verweerders:

De omstandigheid dat de eiser in cassatie in een middel de schending van bijzon-dere wettelijke bepalingen aanvoert, ontzegt hem niet het recht om, in een ander middel, aan te voeren dat die bepalingen niet van toepassing waren op het geschil.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Gegrondheid van het middel

Luidens artikel 1710.1 Gerechtelijk Wetboek, zoals het op het geschil van toepas-sing is, kan de tenuitvoerlegging van een arbitrale uitspraak slechts plaatsvinden nadat zij, op verzoekschrift van de belanghebbende partij, door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg uitvoerbaar is verklaard, zonder dat de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is verzocht, aanspraak kan maken om in deze stand van het geding te worden gehoord.

Volgens artikel 1712.1 van dat wetboek, zoals het op het geschil van toepassing is, moet de beslissing tot uitvoerbaarverklaring van de uitspraak door de verzoeker aan de wederpartij worden betekend en kan binnen een maand na deze betekening tegen de beslissing verzet bij de rechtbank van eerste aanleg worden gedaan.

Uit die bepalingen volgt dat, in afwijking van de artikelen 1033 en 1122 Gerechte-lijk Wetboek, alleen de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is gevraagd derden-verzet kan doen tegen de beslissing die de arbitrale uitspraak uitvoerbaar verklaart.

Het arrest stelt vast dat de arbitrale uitspraak is gedaan in de zaak tussen de eiseres en de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, dat de eiseres de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel gevraagd heeft om die beslissing uitvoerbaar te verklaren, dat die beslissing uitvoerbaar is verklaard bij beschikking van 26 april 2007, dat de eiseres die beslissing ten uitvoer heeft gelegd door bij de verweerders beslag onder derden te leggen en dat laatstgenoemden tegen de be-schikking van 26 april 2007 derdenverzet hebben gedaan.

Het arrest, dat beslist dat de verweerders, die geen partij zijn in de arbitrageproce-dure, krachtens artikel 1122 Gerechtelijk Wetboek de hoedanigheid hebben om verzet te doen tegen de beslissing die de arbitrale uitspraak uitvoerbaar verklaart, verantwoordt niet naar recht zijn beslissing om het derdenverzet van de verweer-ders ontvankelijk te verklaren.

Het middel is gegrond.

Overige grieven

Er bestaat geen grond tot onderzoek van de overige middelen, die niet kunnen lei-den tot ruimere cassatie.

Dictum

Het Hof

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het de hogere beroepen van de verweerders ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Michel Lemal, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 4 okto-ber 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Antoine Lievens en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Arbitrale uitspraak

  • Beslissing tot uitvoerbaarverklaring

  • Derdenverzet

  • Partij die de vereiste hoedanigheid heeft