- Arrest van 4 oktober 2013

04/10/2013 - F.12.0023.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de artikelen 6, 7, §1, 2°, 37, eerste lid, en 90, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 volgt dat de inkomsten van verhuurde onroerende goederen binnen de categorie van onroerende goederen vallen in de zin van de voormelde artikelen 6 en 7 en, indien ze niet onder de toepassing vallen van artikel 37, eerste lid, als zodanig onderworpen zijn aan de gewone taxatieregeling van onroerende inkomsten in de personenbelasting, zonder dat ze op grond van artikel 90, 1°, als diverse inkomsten belast mogen worden (1). (1) Zie andersl. concl. O.M. in Pas. 2013, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.12.0023.F

1. R. P.,

2. M.-J. D.,

Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 3 juni 2011.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 29 mei 2013 ter griffie een conclusie neergelegd.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren een middel aan in het cassatieverzoekschrift, waarvan een eens-luidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het middel

Eerste onderdeel

Artikel 6 WIB1992 bepaalt, in het eerste lid, dat het belastbare inkomen wordt gevormd door het totale netto-inkomen, verminderd met de aftrekbare bestedingen en, in het tweede lid, dat het totale netto-inkomen de som is van de netto-inkomens van de volgende categorieën: 1° inkomen van onroerende goederen; 2° inkomen van roerende goederen en kapitalen; 3° beroepsinkomen; 4° divers inkomen.

Volgens artikel 7, § 1, 2°, van dat wetboek bevatten de inkomsten van de eerste categorie met name de inkomsten van verhuurde onroerende goederen.

Onverminderd de toepassing van de onroerende voorheffing worden inkomsten van onroerende goederen krachtens artikel 37, eerste lid, van datzelfde wetboek als beroepsinkomsten aangemerkt wanneer de desbetreffende onroerende goe-deren worden gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger van die inkomsten.

Krachtens artikel 90, 1°, van dat wetboek zijn diverse inkomsten de winst of ba-ten, hoe ook genaamd, die zelfs occasioneel of toevallig buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid voortkomen uit enige prestatie, verrichting of speculatie of uit diensten bewezen aan derden, daaronder niet begrepen normale verrich-tingen van beheer van een privévermogen bestaande uit onroerende goederen, por-tefeuillewaarden en roerende voorwerpen.

Uit die bepalingen volgt dat de inkomsten van verhuurde onroerende goederen binnen de categorie van de inkomsten van onroerende goederen vallen in de zin van de voormelde artikelen 6 en 7 en, indien ze niet onder de toepassing vallen van artikel 37, eerste lid, als zodanig onderworpen zijn aan de gewone taxatiere-geling van onroerende inkomsten in de personenbelasting, zonder dat ze op grond van artikel 90, 1°, als diverse inkomsten belast mogen worden.

Het bestreden arrest, dat beslist dat "hoewel artikel 7, § 1, 2°, a), Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 niet vermeldt dat het van toepassing is onverminderd artikel 90, 1°, van dat wetboek, de inkomsten uit de verhuur van onroerende goe-deren die behoren tot het eigen vermogen van een aan de personenbelasting on-derworpen belastingplichtige kunnen worden belast als diverse inkomsten [...], aangezien die inkomsten voortvloeien uit activiteiten die niet tot het gewone beheer van het privévermogen behoren maar daarom nog niet als beroepswerkzaamheden beschouwd kunnen worden", en daaruit afleidt dat "de belastingadministratie en, vervolgens, de eerste rechter terecht geoordeeld hebben dat de inkomsten uit de verhuur van die onroerende goederen als diverse inkomsten moesten worden aangemerkt", schendt die wettelijke bepalingen.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

Er bestaat geen grond tot onderzoek van het tweede onderdeel, dat niet kan leiden tot ruimere cassatie.

Dictum

Het Hof

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het, met bevestiging van het vonnis van de eerste rechter, uitspraak doet over de wettelijkheid van de belasting van de huurgelden als diverse inkomsten en het uitspraak doet over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Mireille Delange, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 4 okto-ber 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Onroerend goed

  • Huur

  • Belasting

  • Regeling