- Arrest van 7 oktober 2013

07/10/2013 - S.11.0055.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Zowel uit de bewoordingen van de artikelen 191, eerste lid, 7° ZIV-wet en 1, a) van het koninklijk besluit van 15 september 1980 tot uitvoering van artikel 191, 7° ZIV-wet als uit de wetsgeschiedenis volgt dat de bij de hier toepasselijke versie van artikel 191, eerste lid, 7°, ZIV-wet bedoelde inhouding van toepassing is op alle gepensioneerden, ongeacht de samenstelling van hun loopbaan, wanneer het totaal van de pensioenen en aanvullende voordelen die zij genieten, een bepaald bedrag overschrijdt; de bedoelde inhouding kan aldus niet alleen toepassing vinden op een werknemerspensioen of een overheidspensioen, maar eveneens op een pensioen als zelfstandige, evenals op de voordelen toegekend ter aanvulling van deze pensioenen. Uit artikel 52bis Pensioenwet Zelfstandigen volgt dat het aanvullend pensioen dat voortkomt uit dit bij artikel bepaalde aanvullend pensioenstelsel, een voordeel ter aanvulling van het wettelijk rustpensioen uitmaakt dat wordt toegekend in toepassing van wettelijke bepalingen, zoals bedoeld in artikel 191, eerste lid, 7°, ZIV-wet; de omstandigheid dat krachtens die wettelijke bepalingen een verzekeringsovereenkomst moet worden gesloten om het aanvullend pensioen te vormen, doet daaraan niet af. (1) Zie concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.11.0055.N

KBC VERZEKERINGEN nv, met zetel te 3000 Leuven, Professor Roger Van Overstraetenplein 2,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187, bus 302, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKE-RING, openbare instelling, met zetel te 1150 Sint-Pieters-Woluwe, Tervurenlaan 211,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 20 januari 2011.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 9 september 2013 een schriftelij-ke conclusie neergelegd.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel dat aanvoert dat het arrest op verkeerde gronden een argu-ment verwerpt dat de eiseres heeft ingeroepen tot staving van haar verweer dat ar-tikel 191, eerste lid, 7°, ZIV-wet niet van toepassing is op de bij artikel 52bis Pen-sioenwet Zelfstandigen bedoelde aanvullende pensioenen voor zelfstandigen, maar artikel 191, eerste lid, 7°, ZIV-wet niet als geschonden aanwijst, voldoet niet aan het vereiste van artikel 1080 Gerechtelijk Wetboek.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

2. Artikel 191, eerste lid, 7°, ZIV-wet bepaalt in zijn hier toepasselijke versie dat de verzekeringsinkomsten van de verweerder onder meer bestaan uit de op-brengst van een inhouding van 3,55 pct., verricht op de wettelijke ouderdoms-, rust-, anciënniteits- en overlevingspensioenen of op elk ander als zodanig geldend voordeel, alsmede op elk voordeel, bedoeld als aanvulling van een pensioen, zelfs als dit laatste niet is verworven, en toegekend hetzij bij toepassing van wettelijke, reglementaire of statutaire bepalingen, hetzij bij toepassing van bepalingen die voortvloeien uit een arbeidscontract, een ondernemingsreglement, een collectieve ondernemings- of sectoriële overeenkomst. Deze inhouding mag niet tot gevolg hebben dat het totaal van de voormelde pensioenen of voordelen wordt vermin-derd tot lager dan het aan de spilindex 132,13 gekoppelde bedrag van 21.399 frank per maand, verhoogd met 3.962 frank voor de rechthebbenden met ge-zinslast.

Verder bepaalt artikel 191, eerste lid, 7°, ZIV-wet in zijn hier toepasselijke versie dat de Koning alle nodige modaliteiten ter uitvoering van deze maatregel bepaalt, alsmede de verdeling van de opbrengst en het gedeelte ervan dat bestemd is voor de financiering van andere regelingen van geneeskundige verzorging, en dat de Koning de toepassing van deze inhouding kan uitbreiden tot andere aan de gepen-sioneerden toegekende voordelen, alsmede tot de beroepsinkomsten die zij genie-ten en die niet onderworpen zijn aan inhoudingen van sociale zekerheid.

Artikel 1, a), van het koninklijk besluit van 15 september 1980 tot uitvoering van artikel 191, eerste lid, 7°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, bepaalt in zijn hier toepasselijke versie dat in dit besluit onder pensioen wordt verstaan: elk wettelijk, reglementair of statutair ouderdoms-, rust-, anciënniteits- of overle-vingspensioen, of elk ander als zodanig geldend voordeel alsook de renten ver-worven door stortingen bedoeld bij de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen geldelijke gevolgen van ou-derdom en vroegtijdige dood, ongeacht het periodieke of eenmalige voordelen be-treft.

3. Zowel uit de bewoordingen van de voormelde bepalingen als uit de wetsge-schiedenis volgt dat de bij de hier toepasselijke versie van artikel 191, eerste lid, 7°, ZIV-wet bedoelde inhouding van toepassing is op alle gepensioneerden, onge-acht de samenstelling van hun loopbaan, wanneer het totaal van de pensioenen en aanvullende voordelen die zij genieten, een bepaald bedrag overschrijdt. De be-doelde inhouding kan aldus niet alleen toepassing vinden op een werknemerspen-sioen of een overheidspensioen, maar eveneens op een pensioen als zelfstandige, evenals op de voordelen toegekend ter aanvulling van deze pensioenen.

Het onderdeel dat geheel ervan uitgaat dat de bij de hier toepasselijke versie van artikel 191, eerste lid, 7°, ZIV-wet bedoelde inhouding niet van toepassing is op aan zelfstandigen toegekende pensioenen, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

Het onderdeel faalt naar recht.

Derde onderdeel

4. Artikel 52bis, § 1, Pensioenwet Zelfstandigen bepaalt in zijn hier toepasse-lijke versie dat de zelfstandigen die de voorwaarden vervullen bepaald door de Koning, een verzekeringscontract kunnen sluiten ten einde hetzij een aanvullend rustpensioen, hetzij een aanvullend rustpensioen en een aanvullend overlevings-pensioen ten voordele van de overlevende echtgenoot te vormen.

Krachtens artikel 52bis, § 2, Pensioenwet Zelfstandigen, zoals hier van toepassing, dient de zelfstandige om het aanvullend pensioen samen te stellen een bijdrage te storten bij het sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen waarbij hij is aangesloten en maakt dit laatste de bijdrage over aan de verzekeringsinstelling. Die bijdrage wordt uitgedrukt in een percentage van het bedrijfsinkomen bepaald bij artikel 11, § 2, Sociaal Statuut Zelfstandigen.

Volgens § 3 van dit artikel, zoals hier van toepassing, hebben de bedoelde bijdra-gen, inzake de belastingen op de inkomsten, het karakter van bijdragen verschul-digd in uitvoering van de sociale wetgeving.

Artikel 52bis, § 4, Pensioenwet Zelfstandigen bepaalt in zijn hier toepasselijke versie dat het aanvullend pensioenstelsel wordt georganiseerd volgens de modali-teiten bepaald door de Koning, op de gezamenlijke voordracht van de minister van Financiën en van de minister van Middenstand.

5. Hieruit volgt dat het aanvullend pensioen dat voortkomt uit dit bij artikel 52bis Pensioenwet Zelfstandigen bepaalde aanvullend pensioenstelsel, een voor-deel ter aanvulling van het wettelijk rustpensioen uitmaakt dat wordt toegekend in toepassing van wettelijke bepalingen, zoals bedoeld in artikel 191, eerste lid, 7°, ZIV-wet. De omstandigheid dat krachtens die wettelijke bepalingen een verzeke-ringsovereenkomst moet worden gesloten om het aanvullend pensioen te vormen, doet daaraan niet af.

Het onderdeel dat op een tegengestelde rechtsopvatting berust, faalt naar recht.

Vierde en vijfde onderdeel

6. De onderdelen die geheel zijn afgeleid van de in het derde onderdeel ver-geefs aangevoerde grief, zijn niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 307,96 euro en voor de verweerder op 150,27 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit voorzitter Christian Storck, en de raadsheren Koen Mestdagh, Alain Simon, Mireille Delange en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 7 oktober 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols

A. Lievens

M. Delange

A. Simon

K. Mestdagh

Chr. Storck

Vrije woorden

  • Financiering

  • Bijdrage

  • Zelfstandigenpensioen