- Arrest van 7 oktober 2013

07/10/2013 - S.11.0072.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.11.0072.N

RECUBO nv, met zetel te 9041 Gent (Oostakker), Eksaardserijweg 149,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kan-toor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met ze-tel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Gent van 17 ja-nuari 2011.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 9 september 2013 een schriftelij-ke conclusie neergelegd.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 38, § 3quater, 1°, eerste lid, Algemene Beginselenwet So-ciale Zekerheid is een solidariteitsbijdrage verschuldigd door de werkgever die een voertuig dat ook voor andere dan beroepsdoeleinden is bestemd, rechtstreeks of onrechtstreeks ter beschikking stelt van zijn werknemer, ongeacht elke financi-ele bijdrage van de werknemer in de financiering of het gebruik van dit voertuig.

Artikel 38, § 3quater, 1°, tweede lid, Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid dat pas in werking is getreden op 1 juli 2005, bepaalt dat ieder voertuig dat op naam van de werkgever is ingeschreven of dat het voorwerp uitmaakt van een huur- of leasingcontract of van gelijk welk ander contract voor het gebruik van het voertuig, wordt verondersteld ter beschikking van de werknemer te zijn gesteld voor andere dan louter beroepsdoeleinden, behalve indien de werkgever aantoont ofwel dat het gebruik voor andere dan beroepsdoeleinden uitsluitend gebeurt door een persoon die niet valt onder het toepassingsgebied van de sociale zekerheid voor werknemers, ofwel dat het voertuig voor louter beroepsdoeleinden wordt ge-bruikt.

Volgens artikel 38, § 3quater, 1°, vierde lid, Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid dient daarbij onder "andere dan loutere beroepsdoeleinden" te worden verstaan de woon-werkverplaatsing die individueel afgelegd wordt, het privége-bruik en het collectief vervoer van werknemers.

Artikel 38, § 3quater, 2°, Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid bepaalt: "In geval van ter beschikking stelling van een voertuig voor het collectief vervoer van werknemers is de bij dit artikel bepaalde solidariteitsbijdrage verschuldigd behalve indien het gaat om een systeem van vervoer van werknemers overeenge-komen door de sociale partners waarin gebruik wordt gemaakt:

a) ofwel van een voertuig, behorend tot de categorie N1, waarin, naast de chauf-feur, minstens twee andere werknemers van de onderneming aanwezig zijn gedu-rende minstens 80 pct. van het afgelegde traject van en naar de woonplaats van de chauffeur en voor zover de werkgever bovendien bewijst dat er geen ander privé-gebruik wordt gemaakt van dit voertuig; wanneer het gebruikte voertuig minder dan drie plaatsen bevat of wanneer de ruimte voorbehouden voor het vervoer van personen uit één enkele zitbank of slechts één rij zitplaatsen bestaat, volstaat het dat, naast de chauffeur, minstens een andere werknemer van de onderneming aanwezig is gedurende minstens 80 pct. van het afgelegde traject van en naar de woonplaats van de chauffeur;

b) ofwel van een voertuig, behorend tot de categorie M1, met ten minste vijf plaat-sen, de zetel van de chauffeur niet inbegrepen, en maximum acht plaatsen, de zetel van de chauffeur niet inbegrepen; in dit geval moeten de volgende voorwaarden vervuld zijn: (...)."

Uit die bepalingen volgt dat met "collectief vervoer van werknemers" in de zin van artikel 38, § 3quater, Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid de collectief georganiseerde woon-werkverplaatsing wordt bedoeld.

2. Artikel 31, § 1, CAO van 2 juni 2005, gesloten in het Paritair Comité voor het bouwbedrijf, betreffende de arbeidsvoorwaarden, algemeen verbindend ver-klaard bij KB van 27 september 2006, bepaalt dat de verplaatsingen die de arbei-ders moeten doen tussen hun woonplaats en de sociale zetel of de plaats van te-werkstelling, op eigen kracht dienen te gebeuren, uitgezonderd indien de werkge-ver voor deze verplaatsingen een voertuig ter beschikking stelt.

Artikel 31, § 2, van deze CAO bepaalt dat de werkgever moet tussenkomen in de kosten die de arbeider maakt wanneer hij zich op eigen kracht verplaatst. Deze tussenkomst omvat een terugbetaling van de reiskosten, berekend op basis van de tarieven van het spoorwegvervoer, aangevuld met een mobiliteitsvergoeding die is vastgesteld in functie van de afstand in vogelvlucht tussen de woonplaats van de arbeider en zijn plaats van tewerkstelling.

Artikel 31, § 3, van deze CAO bepaalt dat wanneer de werkgever een voertuig ter beschikking stelt voor de verplaatsingen, hetzij voor het volledige traject hetzij voor een gedeelte ervan, de arbeiders genieten van een terugbetaling van de reis-kosten zoals bepaald in § 2, voor de eventuele verplaatsing tussen de woonplaats en de opstapplaats, en van de mobiliteitsvergoeding zoals bepaald in § 2. De ar-beider die personeel naar en van de werkplaats vervoert buiten de werkuren, met een voertuig, ter beschikking gesteld door de werkgever, heeft recht, gelet op de afstanden die moeten worden afgelegd en de bijzondere onkosten eigen aan de werkgever, op een gecorrigeerde mobiliteitsvergoeding ten titel van forfaitaire compensatie.

3. De organisatie van de verplaatsingen tussen de woonplaats van de arbeiders en de plaats van tewerkstelling met toepassing van artikel 31, § 3, van de voor-melde CAO van 2 juni 2005 door een werkgever die onder de bevoegdheid van het Paritair Comité voor het bouwbedrijf ressorteert, is te aanzien als een systeem van vervoer van werknemers overeengekomen door de sociale partners zoals be-doeld in artikel 38, § 3quater, 2°, aanhef, Algemene Beginselenwet Sociale Ze-kerheid.

Daarvoor is niet vereist dat de regeling daarenboven in de onderneming is inge-voerd met akkoord van de syndicale delegatie of van de individuele werknemers.

4. Het arrest stelt vast dat:

- de eiseres een bouwbedrijf is dat zich op afbraakwerken toelegt;

- zij aan de arbeiders lichte vrachtwagens ter beschikking stelt;

- de arbeiders deze voertuigen gebruiken voor het collectief vervoer tussen hun woonplaats en de werven waarop zij werkzaam zijn;

- de eiseres aan de werknemers geen verplaatsingsvergoeding betaalt, maar wel de mobiliteitsvergoeding zoals bepaald in artikel 31 van de CAO gesloten in het Paritair Comité voor het bouwbedrijf.

5. Het arrest grondt zijn beslissing dat de eiseres over de volledige betwiste pe-riode van 1 januari 2005 tot 30 juni 2006 de gevorderde solidariteitsbijdrage ver-schuldigd is voor alle ter beschikking gestelde voertuigen op de vaststelling dat deze voertuigen ter beschikking werden gesteld voor het collectief vervoer van werknemers, maar dit niet werd overeengekomen door de sociale partners.

Niettegenstaande uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat het collectief ver-voer van werknemers door de eiseres werd georganiseerd bij toepassing van artikel 31, § 3, van de CAO van 2 juni 2005, gesloten in het Paritair Comité voor het bouwbedrijf, betreffende de arbeidsvoorwaarden, oordeelt het dat dit geen door de sociale partners overeengekomen systeem van vervoer van werknemers betreft zoals bedoeld in artikel 38, § 3quater, 2°, aanhef, Algemene Beginselenwet Socia-le Zekerheid, op grond dat uit de aanvoeringen van de eiseres en verklaringen van werknemers blijkt dat zij de werknemers heeft verplicht gebruik te maken van het collectief vervoer.

Het arrest geeft aldus te kennen dat de organisatie van de verplaatsingen tussen de woonplaats van de arbeiders en de plaats van tewerkstelling met toepassing van artikel 31, § 3, van de voormelde CAO van 2 juni 2005 door een werkgever die onder de bevoegdheid van het Paritair Comité voor het bouwbedrijf ressorteert, slechts kan worden beschouwd als een systeem van vervoer van werknemers overeengekomen door de sociale partners zoals bedoeld in artikel 38, § 3quater, 2°, aanhef, Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid, op voorwaarde dat de re-geling daarenboven in de onderneming is ingevoerd met akkoord van de syndicale delegatie of van de individuele werknemers.

De appelrechters die op die grond oordelen dat de terbeschikkingstelling van voertuigen door de eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van de in artikel 38, § 3quater, 2°, Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid bepaalde uitzondering, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

6. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvanke-lijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit voorzitter Christian Storck, als voorzitter, en de raadsheren Koen Mestdagh, Alain Simon, Mireille Delange en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 7 oktober 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van grif-fier Johan Pafenols.

J. Pafenols A. Lievens M. Delange

A. Simon K. Mestdagh C. Storck

Vrije woorden

  • Collectief vervoer

  • Solidariteitsbijdrage