- Arrest van 7 oktober 2013

07/10/2013 - S.11.0122.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Uit de artikelen 39, 41 en 42 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakanties van de werknemers volgt dat de gelijkstelling van dagen arbeidsonderbreking met effectief gewerkte dagen voor de berekening van het bedrag van het vakantiegeld, slechts zin heeft als die dagen arbeidsonderbreking geen aanleiding geven tot een bezoldiging waarop sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd zijn; uit artikel 19, §1 Uitvoeringsbesluit RSZ-wet volgt dat hoewel vakantiedagen dagen van arbeidsonderbreking zijn en zij door artikel 41 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 niet met effectief gewerkte dagen worden gelijkgesteld, het enkel vakantiegeld voor die dagen voor de toepassing van artikel 39 van dit besluit als werkelijk verdiend loon moet worden aangezien en niet als fictief loon voor gelijkgestelde dagen (1). (1) Zie concl. O.M.


Arrest - Integrale tekst

Nr. S.11.0122.N

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met ze-tel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

BEKAERT COÖRDINATIECENTRUM nv, met zetel te 8550 Zwevegem, Bekaertstraat 2,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerster woonplaats kiest,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, van 22 oktober 2010.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 16 september 2013 een schrifte-lijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 14, §1 en §2, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (RSZ-wet);

- artikel 23, eerste en tweede lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers (Algemene beginselenwet sociale zekerheid);

- de artikelen 38, 39, 41 en 42 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers (Vakantiebesluit), artikel 39 zowel vóór als ná zijn wijziging bij KB van 12 maart 2003, artikel 41, zowel vóór als ná zijn wijziging bij KB van 10 juni 2001, bij KB van 22 juni 2004 en bij KB van 14 februari 2006, doch vóór zijn wijziging bij wet van 27 december 2006, artikel 42, zowel vóór als ná zijn wijziging bij KB van 10 juni 2001, vóór zijn wijziging bij wet van 27 december 2006;

- artikel 9 van de gecoördineerde wetten van 28 juni 1971 betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers (Jaarlijkse Vakantiewet);

- artikel 19, §1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (Uitvoeringsbesluit RSZ-wet).

- artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers (Loonbeschermingswet).

Bestreden beslissing

Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van eiser ongegrond en bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank dat de vordering van eiser ongegrond ver-klaarde.

Het bestreden arrest oordeelt dat geen enkele bepaling van de Vakantiewet toelaat een bepaalde som als een effectieve of fictieve bezoldiging te bestempelen waarop vakantiegeld verschuldigd is, enkel maar omdat deze som tot het heffen van socialezekerheidsbijdragen aanleiding geeft, zodat bij de berekening van het enkel en dubbel vakantiegeld op het variabel loon geen rekening dient te worden gehouden met het enkel vakantiegeld van het vorig jaar, verschuldigd op het variabel loon:

"5.2.1. Artikel 38 van het KB van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, hierna Vakantiebesluit genoemd, bepaalt dat de werkgever aan de bediende die vakantie neemt, de ‘normale bezoldiging in overeenkomst met de vakantiedagen' betaalt.

Artikel 39, eerste lid, van het Vakantiebesluit bepaalt dat de bedienden wier wedde geheel veranderlijk is, per vakantiedag recht hebben op een vakantiegeld dat gelijk is ‘aan het dagelijks gemiddelde der brutobezoldigingen die verdiend werden gedurende elk der twaalf maanden die de maand waarin de vakantie genomen wordt, voorafgaan (...), eventueel verhoogd met een fictieve wedde voor met dagen normale werkelijke arbeid gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking'. Voor bedienden wier wedde slechts gedeeltelijk veranderlijk is, wordt deze bepaling slechts toegepast voor dit veranderlijk gedeelte.

Dat de premies die de (verweerster) aan 37 werknemers betaalde, een ‘veranderlijke wedde' uitmaken en dat bijgevolg artikel 39 van het Vakantiebesluit moet worden toegepast wordt niet betwist. Het staat ook vast dat de (verweerster) het enkel vakantiegeld elk jaar daadwerkelijk mede heeft berekend op deze premies. Vraag is alleen of dit enkel vakantiegeld het daaropvolgende jaar zelf onderdeel is van het variabel loon waarop het enkel vakantiegeld moet berekend worden, wat, zoals de eerste rechter stelt, enkel het geval is wanneer dit vakantiegeld hetzij deel uitmaakt van de ‘brutobezoldigingen die verdiend werden gedurende elk der twaalf maanden die de maand waarin de vakantie genomen wordt [voorafgaan]' hetzij een ‘fictieve wedde voor met dagen normale werkelijke arbeid gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking' uitmaakt.

5.2.2. Het arbeidshof is het met de eerste rechter eens dat onder de term ‘brutobezoldiging' - en de term brutowedde - moet verstaan worden, het arbeidsrechtelijk loon, zijnde het loon dat de tegenprestatie voor de arbeid, verricht ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst, uitmaakt, zij het dat, volgens artikel 38bis van het Vakantiebesluit, dit loon slechts als basis voor de berekening van vakantiegeld in aanmerking kan komen, wanneer het aan de gewone rsz-bijdragen onderworpen wordt. Het Hof van Cassatie hanteert overigens eenzelfde loonbegrip.

Enkel vakantiegeld is niet de tegenprestatie van de ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid. Het maakt aldus geen deel uit van de ‘brutobezoldiging' waarvan sprake is in artikel 39, eerste lid, van het Vakantiebesluit.

5.2.3. De eerste rechter is van oordeel dat het enkel vakantiegeld evenmin kan aangezien worden als een ‘fictieve wedde voor met dagen normale werkelijke arbeid gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking'.

Artikel 41 van het Vakantiebesluit somt op welke de ‘met dagen normale werkelijke arbeid gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking' zijn. Periodes van schorsing wegens ‘jaarlijkse vakantie' worden hierin niet vermeld. Voor deze periodes kan dus evenmin een fictieve wedde in aanmerking genomen worden. Het enkel vakantiegeld waarop in casu bijdragen worden gevorderd, kan dus geenszins onder de bewoordingen van artikel 39, eerste lid van het Vakantiebesluit gebracht worden.

Artikel 42 van het Vakantiebesluit kan de (eiser) niet ter ondersteuning van zijn thesis aanvoeren. Deze bepaling heeft enkel betrekking op de in artikel 41 van het besluit opgesomde dagen van arbeidsonderbreking, en vakantiedagen horen daar zoals gezegd niet bij.

De vordering heeft geen betrekking op het vakantiegeld in artikel 46 van het Vakantiebesluit.

Geen enkele bepaling van de Vakantiewet laat toe een bepaalde som als een effectieve of fictieve bezoldiging te bestempelen waarop vakantiegeld verschuldigd is, enkel maar omdat deze som tot het heffen van socialezekerheidsbijdragen aanleiding geeft.

5.2.4. Het arbeidshof sluit zich dus aan bij het oordeel van de eerste rechter, dat overigens ook in de rechtsleer wordt gevolgd."

Grieven

1. Overeenkomstig artikel 38 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 (Vakantiebesluit) betaalt de werkgever aan de bediende met een vaste wedde die vakantie neemt de normale bezoldiging in overeenkomst met de vakantiedagen en per maand in de loop van het vakantiedienstjaar gepresteerde of daarmee gelijkgestelde dienst, een toeslag berekend op de brutowedde der maand waarin de vakantie ingaat.

De bedienden wier wedde geheel veranderlijk is (provisies, premies, percenten, kortingen, enz.), hebben, overeenkomstig artikel 39, eerste lid, Vakantiebesluit, per vakantiedag recht op een vakantiegeld dat gelijk is aan het dagelijks gemiddelde der brutobezoldigingen die verdiend werden gedurende elk der twaalf maanden die de maand waarin de vakantie genomen wordt voorafgaan, eventueel verhoogd met een fictief loon voor gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking.

Artikel 39, vijfde lid, van het genoemde Vakantiebesluit, bepaalt dat voor de bedienden wier wedde gedeeltelijk veranderlijk is, artikel 38 moet worden toegepast voor het vast gedeelte van het loon, terwijl de vorige leden van artikel 39 toepassing vinden voor de berekening van het vakantiegeld verschuldigd op het veranderlijk gedeelte van het loon.

2. Artikel 41 van het Vakantiebesluit bepaalt, voor de berekening van het vakantiegeld op variabel loon, de gevallen waarin de dagen arbeidsonderbreking gelijkgesteld worden met effectief gewerkte dagen.

Artikel 42 van datzelfde besluit bepaalt dat de in artikel 41 opgesomde dagen arbeidsonderbreking, voor de berekening van het vakantiegeld op variabel loon, niet als gelijkgestelde doch als effectief gewerkte dagen worden aangezien, zo de werkgever verplicht is ze als zodanig aan te geven voor de berekening van het bedrag van de sociale zekerheidsbijdragen.

Uit die bepalingen volgt dat de gelijkstelling van dagen arbeidsonderbreking met effectief gewerkte dagen, voor de berekening van het bedrag van het vakantiegeld op variabel loon, alleen zin heeft als die dagen arbeidsonderbreking geen aanleiding geven tot de uitbetaling van loon waarop socialezekerheidsbijdragen verschuldigd zijn.

De toepassing van de regel vervat in artikel 42 Vakantiebesluit is niet beperkt tot de in artikel 41 Vakantiebesluit opgesomde gevallen van arbeidsonderbreking en vindt toepassing op alle dagen van arbeidsonderbreking waarvoor de werkgever verplicht is ze als zodanig aan te geven voor de berekening van het bedrag van de sociale zekerheidsbijdragen.

In de context van artikel 42 Vakantiebesluit, slaat de term «brutobezoldiging», waarvan sprake in artikel 39 Vakantiebesluit, op elk voordeel dat door de werkge-ver, voor dagen van arbeidsonderbreking, aan de werknemer met een RSZ-inhouding wordt toegekend.

3. Artikel 19, §1, eerste lid, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet, bepaalt, met afwijking van artikel 2, derde lid, 1°, Loonbeschermingswet, dat het gedeelte van het vakantiegeld dat overeenstemt met het normaal loon voor de vakantiedagen, als loon wordt beschouwd voor de sociale zekerheid en in aanmerking komt voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen.

Hoewel vakantiedagen dagen van arbeidsonderbreking zijn en door artikel 41 Vakantiebesluit niet met effectief gewerkte dagen worden gelijkgesteld, volgt uit voormelde verplichting om het enkel vakantiegeld voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen aan te geven, dat het enkel vakantiegeld voor die dagen, voor de toepassing van artikel 39 van datzelfde besluit, aangezien moet worden als daadwerkelijk verdiend loon en niet als een fictief loon voor gelijkgestelde dagen.

Voor de berekening van het enkel en dubbel vakantiegeld van de bediende wiens loon veranderlijk is, komt het enkel vakantiegeld van het vorig jaar derhalve in aan-merking in zoverre die vakantiedagen aanleiding hebben gegeven tot de uitbetaling van loon waarop socialezekerheidsbijdragen verschuldigd zijn.

Het bestreden arrest dat oordeelt dat eiser artikel 42 Vakantiebesluit niet kon aanvoeren ter ondersteuning van zijn vordering tot betaling van sociale zekerheids-bijdragen op het enkel vakantiegeld van het variabel loon van het vorig jaar, is niet naar recht verantwoord.

4. Anders dan het bestreden arrest aanneemt, vormt het enkel vakantiegeld op het variabel loon, voor de toepassing van artikel 39 Vakantiebesluit, wel de tegenpres-tatie van de ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid in zoverre dit vakantiegeld werd behaald in de referteperiode van 12 maanden die voorafgaan aan de maand waarin de vakantie wordt genomen, en proportioneel is aan het werk dat voordien werd verricht.

In de mate dat de "brutobezoldiging" bedoeld in artikel 39 Vakantiebesluit, krachtens artikel 42 Vakantiebesluit, alle vergoedingen omvat waarop socialezeker-heidsbijdragen zijn verschuldigd, zal het enkel vakantiegeld, zelfs al maakt het geen tegenprestatie uit voor verrichte arbeid, voor de toepassing van artikel 39 Vakantiebesluit, in ieder geval als een werkelijk verdiend loon moeten worden beschouwd waarop vakantiegeld is verschuldigd, enkel maar omdat op dit vakantie-geld socialezekerheidsbijdragen zijn verschuldigd.

5. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig heeft geoordeeld dat het enkel vakantiegeld geen deel uitmaakt van de «brutobezoldiging», waarvan sprake in artikel 39, eerste lid, Vakantiebesluit, op grond dat het niet de tegenprestatie vormt van de ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid (schending van de in de aanhef van het middel vermelde wetsbepalingen, in het bijzonder van artikel 39, eerste lid, Vakantiebesluit), noch wettig heeft beslist dat geen enkele bepaling van de Vakantiewet toelaat een bepaalde som als een effectieve of fictieve bezoldiging te bestempelen waarop vakantiegeld verschuldigd is, enkel maar omdat deze som tot het heffen van socialezekerheidsbijdragen aanleiding geeft (schending van de in de aanhef van het middel vermelde wetsbepalingen, in het bijzonder van de artikelen 41 en 42 Vakantiebesluit), mitsdien niet wettig het enkel vakantiegeld op het variabel loon van het vorig jaar uit de grondslag voor de berekening van het enkel en dubbel vakantiegeld op het variabel loon heeft gehouden en de vordering van eiser tot betaling van socialezekerheidsbijdragen op dit enkel vakantiegeld niet wettig heeft afgewezen (schending van de artikelen 14, §1 en §2, RSZ-wet, 23, eerste en tweede lid, Algemene beginselenwet sociale zekerheid, 38, 39, 41 en 42 Vakan-tiebesluit, 9 Jaarlijkse Vakantiewet, 19, §1, eerste lid, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet, 2 Loonbeschermingswet).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 39 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepa-ling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaar-lijkse vakantie van de werknemers (hierna: Uitvoeringsbesluit Vakantiewet) wordt het vakantiegeld van de bedienden wier wedde veranderlijk is, berekend op grond van de brutozoldigingen die verdiend werden gedurende de twaalf maanden die de maand waarin de vakantie genomen wordt voorafgaan, eventueel verhoogd met een fictieve wedde voor met effectief gewerkte dagen gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking.

Terwijl artikel 41 Uitvoeringsbesluit Vakantiewet de gevallen bepaalt waarin de dagen van arbeidsonderbreking voor de berekening van het bedrag van het vakan-tiegeld worden gelijkgesteld met effectief gewerkte dagen, bepaalt artikel 42 dat de in artikel 41 opgesomde dagen van arbeidsonderbreking voor die berekening niet als gelijkgestelde doch als effectief gewerkte dagen worden aangezien, zo de werkgever verplicht is ze als zodanig aan te geven voor de berekening van de so-cialezekerheidsbijdragen.

2. Uit die bepalingen volgt dat de gelijkstelling van dagen arbeidsonderbreking met effectief gewerkte dagen voor de berekening van het bedrag van het vakantie-geld, slechts zin heeft als die dagen arbeidsonderbreking geen aanleiding geven tot een bezoldiging waarop socialezekerheidsbijdragen verschuldigd zijn.

3. Artikel 19, § 1, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet bepaalt dat het gedeelte van het vakantiegeld dat overeenstemt met het normaal loon voor de vakantiedagen, als loon wordt beschouwd voor de sociale zekerheid en in aanmerking komt voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen.

4. Hieruit volgt dat hoewel vakantiedagen dagen van arbeidsonderbreking zijn en zij door artikel 41 Uitvoeringsbesluit Vakantiewet niet met effectief gewerkte dagen worden gelijkgesteld, het enkel vakantiegeld voor die dagen voor de toe-passing van artikel 39 van dit besluit als werkelijk verdiend loon moet worden aangezien en niet als fictief loon voor gelijkgestelde dagen.

5. Het arrest dat oordeelt dat het enkel vakantiegeld voor bedienden met een variabel loon geen deel uitmaakt van de brutobezoldiging bedoeld in artikel 39, eerste lid, Uitvoeringsbesluit Vakantiewet, op grond dat enkel vakantiegeld niet de tegenprestatie is van de ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid en geen enkele bepaling van de Vakantiewet toelaat een bepaalde som als een effectieve of fictieve bezoldiging te bestempelen waarop vakantiegeld ver-schuldigd is, schendt artikel 39 Uitvoeringsbesluit Vakantiewet.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Brussel.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit voorzitter Christian Storck, als voorzitter, en de raadsheren Koen Mestdagh, Alain Simon, Mireille Delange en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 7 oktober 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van grif-fier Johan Pafenols.

J. Pafenols A. Lievens M. Delange

A. Simon K. Mestdagh Chr. Storck

Vrije woorden

  • Vakantiegeld

  • Enkel en dubbel vakantiegeld

  • Bediende

  • Veranderlijk loon

  • Berekening