- Arrest van 8 oktober 2013

08/10/2013 - P.12.1043.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De op artikel 283 AWDA gesteunde vordering van de administratie tot betaling van de ontdoken rechten vloeit niet voort uit het misdrijf inzake douane en accijnzen, maar vindt rechtstreeks haar grondslag in de wet die de betaling van die rechten oplegt (1). (1) Cass. 19 nov. 1997, AR P.97.1077.F, AC 1997, nr. 490; Cass. 12 sept. 2012, AR P.11.1001.F, AC 2012, nr. 457.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1043.N

P J M,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Karolien Van De Moer, advocaat bij de balie te Turnhout,

tegen

BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de direc-teur der douane en accijnzen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21,

vervolgende partij,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 3 mei 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel in zijn geheel

1. De onderdelen voeren schending aan van artikel 283 AWDA, evenals mis-kenning van het specialiteitsbeginsel inzake actieve uitlevering, zoals tevens op-genomen in artikel V van het bilateraal uitleveringsverdrag van 14 januari 1937 tussen België en Siam: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de strafrechter regelmatig werd geadieerd met het aan de eiser verweten douanemisdrijf en dat zij van de civielrechtelijke vordering van de verweerder konden kennis nemen; de ei-ser werd door Thailand aan België uitgeleverd voor andere feiten, zodat hij krach-tens het in artikel V van de bilaterale uitleveringsovereenkomst van 14 januari 1937 tussen België en Siam bepaalde specialiteitsbeginsel voor het douanemisdrijf niet kon worden vervolgd en veroordeeld; de waarborg van het specialiteits-beginsel houdt in dat de uitgeleverde persoon als niet aanwezig wordt beschouwd voor feiten waarvoor hij niet werd uitgeleverd; de eiser kon dan ook niet regelma-tig in het strafproces betrokken zijn (eerste onderdeel); er kon geen ontvankelijke strafvordering bestaan en die was er bijgevolg ook niet op het ogenblik van het in-stellen van de fiscaalrechtelijke vordering van de verweerder (tweede onderdeel).

2. Artikel 283 AWDA bepaalt: "Wanneer de overtredingen, fraudes, misdrij-ven of misdaden, in de artikelen 281 en 282 bedoeld, onverminderd de strafvorde-ring, tevens tot betaling van rechten en accijnzen, en alzo tot een civiele actie aanleiding geven, zal de kennisneming en berechting daarvan in beide opzichten tot de bevoegde criminele of correctionele rechter behoren."

De op die bepaling gesteunde vordering van de administratie tot betaling van de ontdoken rechten vloeit niet voort uit het misdrijf inzake douane en accijnzen, maar vindt rechtstreeks haar grondslag in de wet die de betaling van die rechten oplegt.

De bevoegdheid van de strafrechter om te oordelen over de burgerlijke rechtsvor-dering van de administratie tot betaling van ontdoken rechten veronderstelt dat op het ogenblik van de aanhangigmaking van die burgerlijke rechtsvordering de strafrechter regelmatig was geadieerd van overtredingen, fraudes, misdrijven of misdaden als bedoeld in de artikelen 281 en 282 AWDA.

3. Artikel V, vierde lid, Uitleveringsovereenkomst van 14 januari 1937 tussen België en Siam bepaalt dat de uitgeleverde persoon in de drie in die bepaling ver-melde gevallen mag worden vervolgd of gestraft voor een ander misdrijf dan dit waarop zijn uitlevering werd gegrond.

4. Het aldus vastgelegde specialiteitsbeginsel en de eruit voortvloeiende fictie dat de uitgeleverde geacht wordt niet aanwezig te zijn, houdt in dat de uitgelever-de buiten de in het verdrag bepaalde uitzonderingen niet tegensprekelijk kan wor-den vervolgd voor enig ander feit vóór de uitlevering begaan, dan het feit dat de reden tot de uitlevering is geweest.

Een met het specialiteitsbeginsel strijdige vervolging is niet ontvankelijk.

5. De strafrechter is niet bevoegd om kennis te nemen van een burgerlijke rechtsvordering van de administratie tot betaling van ontdoken rechten die tezelf-dertijd werd ingesteld als de strafvordering, indien de strafvordering wegens mis-kenning van het specialiteitsbeginsel niet ontvankelijk is.

6. De appelrechters die oordelen dat in deze zaak de strafrechter wel degelijk regelmatig is geadieerd van overtredingen, fraudes, misdrijven en misdaden als bedoeld in de artikelen 281 en 282 AWDA gelet op de regelmatige inleidende rechtstreekse dagvaardingen betekend aan medebeklaagden en aan de eiser, mis-kennen de in het middel aangehaalde bepalingen.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Zegt dat er geen grond is tot verwijzing.

Bepaalt de kosten op 70,62 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 8 oktober 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen A. Lievens P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei

Vrije woorden

  • Administratie van Douane en Accijnzen

  • Vordering tot betaling van ontdoken rechten

  • Grondslag