- Arrest van 8 oktober 2013

08/10/2013 - P.13.0803.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de tekst van artikel 430, §2, a), Programmawet 2004 volgt dat reservoirs die niet door de fabrikant zelf in het voertuig zijn aangebracht geen normale reservoirs zijn in de zin van de artikelen 430, §2, a) en 438, derde lid, Programmawet 2004.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0803.N

BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1040 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de direc-teur der douane en accijnzen te Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voor-straat 43 bus 70,

vervolgende partij,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. F A M V R,

beklaagde,

2. D V,

beklaagde,

verweerders,

met als raadsman mr. Frederik Vanden Bogaerde, advocaat bij de balie te Kortrijk.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 6 maart 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Excepties van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep

Eerste exceptie

1. De verweerders voeren aan dat de ingevolge artikel 418 Wetboek van Straf-vordering op de eiser rustende verplichting om zijn cassatieberoep te betekenen aan de verweerders binnen de drie dagen niet is nageleefd, minstens dat de stuk-ken die zulks aantonen niet tijdig ter griffie van het Hof werden neergelegd.

2. De termijn van drie dagen voor de betekening van het cassatieberoep is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid.

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser zijn cassatieberoep op 14 juni 2013 heeft laten betekenen aan de verweerders en dat de stukken van betekening op 19 juni 2013 werden neergelegd ter griffie van het Hof, dit is binnen de door artikel 420bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn.

De exceptie wordt verworpen.

Tweede exceptie

4. De verweerders voeren aan dat eisers cassatieberoep klaarblijkelijk is gericht tegen de beschikking van vrijspraak voor het voorhanden hebben van een niet normaal reservoir en dat dit cassatieberoep op grond van artikel 409 Wetboek van Strafvordering niet ontvankelijk is.

5. Artikel 413, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat "in correc-tionele en in politiezaken de in artikel 408 vermelde middelen van vernietiging onderscheidenlijk ter beschikking staan van de partij die wegens wanbedrijf of overtreding is vervolgd, van het openbaar ministerie en van de burgerlijke partij, als er een is, tegen alle arresten of vonnissen in laatste aanleg, zonder onderscheid tussen die waarbij de partij is vrijgesproken of veroordeeld."

Uit die bepaling volgt dat het openbaar ministerie cassatieberoep kan aantekenen tegen een in laatste aanleg gewezen arrest of vonnis dat een beklaagde vrijspreekt wegens een wanbedrijf of een overtreding.

De exceptie wordt verworpen.

Derde exceptie

6. Eisers cassatieberoep schendt artikel 411 Wetboek van Strafvordering, aan-gezien de miskenning van de redelijke termijn niet wordt betwist: het al dan niet voorhanden zijn van een niet-normaal reservoir zal de op te leggen sanctie niet wijzigen.

7. Artikel 411 Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Wanneer de uitgesproken straf dezelfde is als die welke bepaald is door de op de misdaad toepasselijke wet, kan niemand de vernietiging vorderen, onder voorgeven dat bij de vermelding van de tekst van de wet een vergissing is begaan."

8. Uit artikel 411 Wetboek van Strafvordering en de niet bestreden vaststelling van het arrest dat de redelijke termijn is overschreden, volgt niet dat de appelrech-ters op verwijzing de door artikel 438, derde lid, Programmawet 2004 bepaalde verplichte sanctie van de bijzondere verbeurdverklaring niet meer zouden kunnen toepassen.

De exceptie wordt verworpen.

Middel

9. Het middel voert schending aan van de artikelen 430, § 1, en § 2, a), en 438 Programmawet 2004: het arrest oordeelt ten onrechte dat niet vaststaat dat de vloeibare carburant bevattende Solvent Yellow 124 en rood kleursel voorhanden was in een niet normaal reservoir in de zin van artikel 430, § 2, a), Programmawet 2004; uit de tekst van dit artikel volgt dat uitsluitend door de voertuigfabrikant zelf blijvend in of aan alle voertuigen van hetzelfde type als het betrokken voer-tuig aangebrachte reservoirs als normale reservoirs kunnen worden beschouwd; het arrest betwist niet dat de kwestieuze tank, die werd aangetroffen achter sierplaten die door middel van bouten en een speciale sleutel dienden te worden verwijderd, niet door de fabrikant zelf in het betrokken voertuig was aangebracht, maar bijkomend werd geïnstalleerd door de firma Atelier de construction te Recht; reservoirs die door anderen dan de fabrikant bijkomend in een voertuig worden geplaatst zijn geen normale reservoirs in de zin van de voormelde bepaling; de overwegingen van het arrest dat het voertuig steeds regelmatig werd gekeurd door de autokeuring die geen tekorten vaststelde, dat de fabrikant aanvaardt dat een dergelijke extra brandstoftank wordt aangebracht in zijn voertuigen, dat de fabrikant bevestigt dat de aangetroffen extra tank gelijkaardig is aangebracht als de reservoirs die hijzelf plaatst in de voertuigtypes die met een dubbele tank wor-den uitgerust, dat volgens de officiële merkenverdeler van Scania Belgium het ge-bruikelijk en wettelijk is dat sommige chassis worden toegelegd met een optionele alu- of inox(sier)plaat, dat een vertegenwoordiger van Scania meldde dat aan het brandstofsysteem geen gebreken werden vastgesteld en dat in 100 % van de voer-tuigen van Scania die "af-fabriek" worden geleverd met twee originele tanks, de tweede tank rechts onderling verbonden is met de eerste tank links en dat het be-trokken voertuig is uitgerust met een originele tankvlotter en brandstofleidingen aan de linkerzijde van het voertuig, zijn in het licht van het feit dat de bijkomende brandstoftank door een derde en niet door de fabrikant zelf werd geïnstalleerd niet relevant.

10. Artikel 430, § 2, a), Programmawet 2004 bepaalt dat voor de toepassing van artikel 430 onder normale reservoirs wordt verstaan: "de door de fabrikant blijvend in of aan alle voertuigen van hetzelfde type als het betrokken voertuig aangebrachte reservoirs, waarvan de blijvende inrichting het rechtstreeks verbruik van brandstof mogelijk maakt, zowel voor de voortbeweging van het voertuig als, in voorkomend geval, voor de werking van koelsystemen en andere systemen tijdens het vervoer. Als normale reservoirs gelden ook gasreservoirs die zijn aangepast voor het gebruik in voertuigen en die het rechtstreeks verbruik van gas als brandstof mogelijk maken, alsmede de reservoirs die zijn aangesloten op andere systemen waarmee die voertuigen eventueel zijn uitgerust".

Artikel 438, derde lid, Programmawet schrijft het beslag en de verbeurdverklaring voor van het voertuig waarvan de motor op de openbare weg wordt aangedreven met energieproducten die niet beantwoorden aan de overeenkomstig artikel 433 door de minister van Financiën bepaalde voorwaarden, wanneer het is uitgerust met een ander reservoir dan die bepaald in artikel 430, § 2, a).

Uit de tekst van de eerste vermelde bepaling volgt dat reservoirs die niet door de fabrikant zelf in het voertuig zijn aangebracht geen normale reservoirs zijn in de zin van de artikelen 430, § 2, a), en 438, derde lid, Programmawet 2004.

11. Uit de vaststellingen van het arrest volgt dat het kwestieuze reservoir bijko-mend werd geïnstalleerd door de firma Atelier de construction te Recht en dus niet door de fabrikant.

Het arrest kon ook niet wettig beslissen dat niet vaststond dat de vloeibare carbu-rant bevattende Solvent Yellow 124 en rood kleursel voorhanden was in een niet normaal reservoir in de zin van artikel 430, § 2, a), Programmawet 2004 en dat op die grond de door artikel 438, derde lid, Programmawet 2004 bedoelde bijzondere verbeurdverklaring van het voertuig Scania met nummerplaat XLH253 en chas-sisnummer YS2R6X20002022006 niet werd bevolen.

Het middel is gegrond.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing voor het overige

12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt dat niet vaststaat dat de vloeibare carburant bevattende Solvent Yellow 124 en rood kleursel voorhanden was in een niet normaal reservoir in de zin van artikel 430, § 2, a), Programmawet 2004 en dat op die grond de door artikel 438, derde lid, Programmawet 2004 be-doelde bijzondere verbeurdverklaring van het voertuig Scania met nummerplaat XLH253 en chassisnummer YS2R6X20002022006 niet wordt bevolen.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.

Bepaalt de kosten op 661,44 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 8 oktober 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen A. Lievens P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei

Vrije woorden

  • Rijden op rode mazout

  • Gebruik van een niet normaal reservoir