- Arrest van 9 oktober 2013

09/10/2013 - P.13.0772.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter die de overschrijding van de redelijke termijn vaststelt kan met name een straf uitspreken die lager is dan de wettelijke minimumstraf; die verlaging heeft betrekking op de straf en niet op de strafuitvoering.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0772.F

I. D. K.,

II. 1. N. I. O.,

2. J.-D. O.,

III. F. M. E.,

Mrs. Serge Mascart, advocaat bij de balie te Luik, en Steve Lambert, advo-caat bij de balie te Brussel,

de eiseres tegen

H. G. S.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 25 maart 2013.

De eiseres F. M. E. voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoepen van de eisers

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

B. Cassatieberoep van de eiseres

1. In zoverre het gericht is tegen de beslissing op de tegen haar ingestelde strafvordering

Het middel in zijn geheel

Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, arti-kel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 8 Probatie-wet.

Het verwijt het arrest dat de overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, dat het die overschrijding niet bestraft door aan de eiseres het uitstel toe te kennen waarop ze door haar staat van herhaling geen recht had.

De eiseres voerde in haar conclusie aan dat de strafverlaging die in het in het mid-del bedoelde artikel 21ter is bepaald, met name inhoudt dat de rechter die de overschrijding vaststelt van de termijn uit artikel 6 EVRM, de beklaagde uitstel kan verlenen buiten de wettelijk bepaalde voorwaarden om.

Met verwijzing naar de tekst van artikel 21ter, antwoordt het arrest op die conclu-sie dat de in de wet bedoelde verlaging betrekking heeft op de straf en niet op de strafuitvoering.

Het hof van beroep, dat bovendien niet alle argumenten van de eiseres moet weer-leggen die geen afzonderlijk middel vormen, antwoordt aldus op de voormelde conclusie en omkleedt zijn beslissing regelmatig met redenen en verantwoordt haar naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

2. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster

De eiseres voert geen middel aan.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 9 oktober 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Luc Van hoogen-bemt en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Strafvervolging

  • Duur

  • Overschrijding van de redelijke termijn

  • Veroordeling

  • Straf lager dan de wettelijke minimumstraf