- Arrest van 9 oktober 2013

09/10/2013 - P.13.1191.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Observatie kan worden aangewend wanneer het onderzoek zulks vereist en de overige middelen van onderzoek niet lijken te volstaan om de waarheid aan de dag te brengen; het toezicht op de wettelijke voorwaarde van subsidiariteit gebeurt niet via een toetsing van de redenen waarmee de machtiging van de onderzoeksmagistraat dienaangaande moet zijn omkleed; dat toezicht steunt op het geheel van de aan het gerecht voorgelegde gegevens en bestaat erin zich ervan te vergewissen of de onderzoeksrechter, in het licht van het voorwerp van het onderzoek, de verkregen resultaten, de ondervonden moeilijkheden en de beschikbare middelen, heeft kunnen oordelen dat alleen nog met een bijzondere opsporingsmethode vooruitgang kon worden geboekt bij het achterhalen van de waarheid.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1191.F

R. B., zonder gekende woon- of verblijfplaats in België,

Mr. Marc Nève, advocaat bij de balie te Luik,

tegen

1. E. B. e.a.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, cor-rectionele kamer, van 27 mei 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvor-dering tegen de eiser

Het middel voert schending aan van artikel 189ter Wetboek van Strafvordering en van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek. Het is gericht tegen de weigering van het hof van beroep om de zaak voor de kamer van inbeschuldi-gingsteling te brengen met het oog op een nieuwe controle van de bijzondere op-sporingsmethode. De eiser oefent kritiek uit op de overweging dat de kamer van inbeschuldigingstelling over alle nodige gegevens heeft beschikt vermits ze on-mogelijk uitspraak heeft kunnen doen zonder zowel het proces-verbaal met ver-melding van de machtiging van de onderzoeksrechter als de bevestigende be-schikking van laatstgenoemde.

Volgens het middel is die overweging een loutere gissing en miskent ze de be-wijskracht van de inventaris van het strafdossier voor zover van de voormelde stukken, na afloop van het gerechtelijk onderzoek, geen inventaris werd opge-maakt door de griffier van de onderzoeksrechter.

Krachtens artikel 47sexies, § 2, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, kan een observatie worden toegepast wanneer het onderzoek zulks vereist en de overige middelen van onderzoek niet lijken te volstaan om de waarheid aan de dag te brengen.

De eiser heeft voor de feitenrechters aangevoerd dat de opsporingsmethode onre-gelmatig was, op grond dat de subsidiariteitsvereiste bepaald in het voormelde ar-tikel niet was nageleefd, vermits de speurders op het ogenblik dat de methode werd toegepast, de identiteit van de verdachte reeds kenden.

Het toezicht op de wettelijke voorwaarde van subsidiariteit gebeurt niet via een toetsing van de redenen waarmee de machtiging van de onderzoeksmagistraat dienaangaande moet zijn omkleed. Dat toezicht steunt op het geheel van de aan het gerecht voorgelegde gegevens en bestaat erin zich ervan te vergewissen dat de onderzoeksrechter, in het licht van het voorwerp van het onderzoek, de verkregen resultaten, de ondervonden moeilijkheden en de beschikbare middelen, heeft kun-nen oordelen dat er alleen nog vooruitgang kon worden geboekt bij het achterha-len van de waarheid via een bijzondere opsporingsmethode.

De kamer van inbeschuldigingstelling heeft niet het alleenrecht op het toezicht op de eerbiediging van de subsidiariteitsvereiste en de verwijzing van het dossier naar de kamer van inbeschuldigingstelling is naar luid van artikel 189ter alleen maar facultatief.

De aangevoerde wetsbepaling verbiedt het vonnisgerecht niet om zelf de opge-worpen grief te onderzoeken indien de voorgelegde stukken het toestaan. Uit het feit dat die stukken pas bij het strafdossier zouden zijn gevoegd na het door de kamer van inbeschuldigingstelling verrichte toezicht, volgt niet dat de feitenrech-ter de zaak opnieuw voor de kamer van inbeschuldigingstelling moet brengen.

Het arrest wijst erop dat de speurders de identiteit van de beklaagde weliswaar kenden op het ogenblik dat de beslissing tot observatie werd genomen, maar dat zulks niet wegneemt dat het nog erg moeilijk kon blijken hem te vinden, aangezien hij geen vaste verblijfplaats had en de staandehouding van de betrokkene, gezien zijn gewelddadig verleden, alleen overwogen kon worden door middel van een observatie, wat de interventie van gespecialiseerde agenten mogelijk maakte.

Aangezien het hof van beroep het onderzoek van de door de eiser opgeworpen be-twisting zelf heeft kunnen verrichten, verantwoordt het daardoor reeds zijn weige-ring om artikel 189ter toe te passen naar recht.

De grieven, die kritiek uitoefenen op de overweging betreffende het ontbreken van gegevens die dateren van na het toezicht door de kamer van inbeschuldiging-stelling, kunnen niet tot cassatie leiden omdat de weigering van de appelrechters steunt op redenen die niet afhangen van de datum waarop de aangevoerde gege-vens bij het dossier werden gevoegd.

Het middel is dus niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 9 oktober 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Bijzondere opsporingsmethoden

  • Observatie

  • Subsidiariteitsvoorwaarde

  • Toezicht