- Arrest van 10 oktober 2013

10/10/2013 - C.12.0274.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De krenking van een belang kan enkel tot een rechtsvordering leiden als het om een rechtmatig belang gaat; diegene die enkel het behoud nastreeft van een toestand in strijd met de openbare orde of van een onrechtmatig voordeel heeft geen rechtmatig belang (1). (1) Cass. 20 feb. 2009, AR C.07.0127.N, AC 2009, nr. 142.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0274.N

1. PRICE & QUALITY FIDUCIAIRE nv, met zetel te 8550 Zwevegem, Avelgemstraat 53/B,

2. PRICE & QUALITY CONSULTING nv, met zetel te 8670 Oostduinkerke, Dahlialaan 21,

eiseressen,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen Brussel, Amerikalei 187, bus 302, waar de eiseressen woonplaats kiezen,

tegen

MAVISTA bvba, met zetel te 8980 Passendale, Kraaiveldstraat 9C,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 14 november 2011.

Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseressen voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee mid-delen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Ontvankelijkheid

1. Het middel dat gericht is tegen de beslissing waarbij de vordering van de tweede eiseres als onontvankelijk wordt afgewezen en die de eerste eiseres niet benadeelt, is bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk in zoverre het uitgaat van de eerste eiseres.

Gegrondheid

2. Krachtens artikel 17 Gerechtelijk Wetboek kan de rechtsvordering niet wor-den toegelaten indien de eiser geen belang heeft om ze in te dienen.

De krenking van een belang kan enkel tot een rechtsvordering leiden als het om een rechtmatig belang gaat.

Diegene die enkel het behoud nastreeft van een toestand in strijd met de openbare orde of van een onrechtmatig voordeel heeft geen rechtmatig belang.

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de tweede ei-seres voor de appelrechters de veroordeling vorderde van de verweerster tot het terugbetalen van de voor de overdracht van het cliënteel reeds betaalde bedragen en tot het betalen van een vergoeding voor de minwaarde op dit gedeelte van haar goodwill, berekend op basis van het verlies van de jaarlijkse vergoeding die door de eerste eiseres was verschuldigd voor de terbeschikkingstelling van dit cli-enteel.

4. De appelrechters die oordelen dat de tweede eiseres over geen rechtmatig belang beschikt omdat zij bij gebrek aan erkenning niet meer gerechtigd was boekhoudprestaties te verrichten, terwijl haar de vorderingen geen verband hou-den met door haar te verrichten boekhoudprestaties en derhalve niet strekken tot het behoud van een toestand in strijd met de openbare orde of tot het verkrijgen van een onrechtmatig voordeel, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

In zoverre het middel uitgaat van de tweede eiseres is het gegrond.

Tweede middel

5. Het tweede middel kan ten aanzien van de tweede eiseres niet leiden tot ruimere cassatie.

6. De appelrechters oordelen dat:

- uit de overgelegde stukken blijkt dat van bij de opstart van de samenwerking tussen de tweede eiseres en de verweerster was overeengekomen dat de ver-weerster bij het beëindigen van de samenwerking de dossiers van haar klanten-groep opnieuw zou overnemen;

- uit de overgelegde stukken tevens blijkt dat de opgestarte samenwerking eind november - begin december 2007 in onderling overleg werd beëindigd;

- uit de enkele omstandigheid dat de verweerster naar aanleiding van deze min-nelijke beëindiging van de samenwerking haar klantengroep opnieuw overnam, zoals van meet af aan afgesproken, geen contractuele wanprestatie of contract-breuk kan worden afgeleid;

- het enkele feit dat, bij gebrek aan overeenstemming desbetreffend, nog geen prijs voor het terug overnemen van de klantengroep werd betaald, hieraan geen afbreuk doet.

Zij oordelen aldus dat de overdracht van het cliënteel afhankelijk was van het ver-der zetten van de samenwerking tussen de tweede eiseres en de verweerster en dat bij het einde van deze samenwerking het cliënteel contractueel terug toekwam aan de verweerster.

7. In zoverre het uitgaat van de eerste eiseres, mist het middel dat geheel ervan uitgaat dat de verweerster haar cliënteel definitief aan de tweede eiseres had over-gedragen, zodat de verweerster dit cliënteel onder geen beding mocht terugwin-nen, feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de vordering van de tweede eiseres tegen de verweerster en over de kosten.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Veroordeelt de eerste eiseres in de helft van de kosten.

Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Bepaalt de kosten voor de eiseressen op 888,54 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 10 oktober 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Di-rix, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen B. Wylleman G. Jocqué

K. Mestdagh B. Deconinck E. Dirix

Vrije woorden

  • Rechtsvordering

  • Rechtmatig belang