- Arrest van 11 oktober 2013

11/10/2013 - C.11.0643.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
In land- en tuinbouw hebben de wettige, natuurlijke of adoptieve afstammelingen van een land- of tuinbouwer of van zijn echtgenoot en de echtgenoten van deze afstammelingen die, onder de bij wet bepaalde voorwaarden, een niet-beloonde normale arbeid hebben verricht op het bedrijf van die land- of tuinbouwer of van zijn echtgenoot, recht op een uitgesteld loon, en wordt degene die bij de exploitant inwoont en als helper aangesloten is geweest bij de stelsels inzake kinderbijslagen of rust- en overlevingspensioenen, of in deze hoedanigheid onderworpen is geweest in de inkomstenbelastingen, behoudens tegenbewijs, geacht een dergelijke arbeid te hebben verricht; voor de toepassing van die bepaling wordt inwoning verstaan als het feit dat twee of meer personen samenwonen onder hetzelfde dak en een gemeenschappelijk huishouden vormen (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. … .

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0643.F

J. D.,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. J. D.,

2. A. D.,

3. G. D.,

4. L. M.,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel van 13 april 2011.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft op 19 augustus 2013 een conclu-sie neergelegd ter griffie.

Raadheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht en procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert de volgende twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- De artikelen 1 en 5 van de wet van 28 december 1967 houdende een uitgesteld loon in land- en tuinbouw.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis, dat het vonnis van de eerste rechter bevestigt, verklaart eisers vordering niet-gegrond die ertoe strekt een uitgesteld loon te verkrijgen voor de arbeid die hij in het familiale landbouwbedrijf van zijn ouders tijdens de litigieuze periode van januari 1968 tot december 1977 heeft verricht.

Het bestreden vonnis grondt zijn beslissing op de redenen sub 3 en inzonderheid op de volgende redenen:

"De basisvoorwaarden

Artikel 1 van de wet van 28 december 1967, dat de voorwaarden voor de toeken-ning van een uitgesteld loon preciseert, bepaalt dat de rechtverkrijgende een af-stammeling van een landbouwer of van zijn echtgenoot moet zijn en dat hij gedurende ten minste vijf jaar doorlopend een niet-beloonde normale arbeid op het bedrijf moet hebben verricht. Dat artikel preciseert het volgende: ‘Zij die wegens hun arbeid op het bedrijf geen volledig loon hebben ontvangen maar wel bijzondere voordelen die niet aan andere afstammelingen van dezelfde graad zijn verleend, worden geacht, behoudens tegenbewijs, deze voordelen te hebben ontvangen in vergelding voor dergelijke arbeid en zij hebben slechts aanspraak op het verschil tussen het uitgesteld loon [...] en de waarde van die voordelen'. Artikel 5 is dan weer gesteld als volgt : ‘Hij die bij de exploitant inwoont en als helper aangesloten is geweest bij de stelsels inzake kinderbijslagen of rust- en overlevingspensioenen, ofwel in deze hoedanigheid onderworpen is geweest in de inkomstenbelastingen, wordt, behoudens tegenbewijs, geacht een dergelijke arbeid te hebben verricht'.

[...] Standpunt van de rechtbank

Wat betreft de inwoning

De rechtbank oordeelt dat inwoning een tijdsgebonden sociologisch begrip is, dat dus naargelang het tijdperk en de plaats een andere invulling krijgt. Het zal altijd gaan om een persoonlijke omschrijving die gebaseerd is op waarden die zelf sub-jectief zijn.

Bijgevolg moeten niet alleen de bewijzen uit het dossier worden onderzocht maar zal ook de precieze situatie van de partijen in verband moeten worden gebracht met de doelstellingen van de wet van 28 december 1967.

De parlementaire voorbereiding preciseert dienaangaande het volgende: ‘In dit verband mag niet uit het oog worden verloren dat het uitgesteld loon een netto-inkomen voor de rechthebbende betekent. Hij maakt immers gedurende die jaren meestal deel uit van het gezin van zijn ouders en, volgens het voorstel, wordt dit loon vrijgesteld van alle zakelijke en personele belastingen en van afhoudingen voor de Rijksdienst voor sociale zekerheid'

Feitelijke situatie, vaststelling van de deurwaarder en foto's

Uit de plaatsgesteldheid volgt dat het landbouwbedrijf bestaat uit een vierkants-hoeve met twee wooneenheden, gelegen op nummer 24 en 22 van de rue ... .

Volgens de vaststelling van de deurwaarder en de daarbij gevoegde foto's [...] zijn er sporen van een recentere constructie van ongeveer twee meter hoogte en ongeveer een meter twintig breed zichtbaar, wat volgens [de eiser] betekent dat er een doorgang van nummer 22 naar de binnenplaats bestond, hoewel de toegang tot dat huis aan de straatkant gelegen is. Die oude doorgang wordt door de tegenpartijen trouwens niet betwist maar toont daarom nog niet aan dat er sprake is geweest van inwoning.

Uittreksels uit de kadastrale leggers en uit het bevolkingsregister van Waver

Het onderzoek van de kadastrale leggers [...] toont met zekerheid aan dat de wo-ningen op de nummers 24 en 22 van de rue ... beschouwd worden als afzonderlijke entiteiten, aangezien beide een verschillende kadastrale legger hebben. De uittreksels uit het bevolkingsregister van de Waverse bevolking [...] tonen aan dat het huis op nummer 22 aan J.B. T. toebehoorde en dat het na zijn overlijden in 1959 toekwam aan zijn broer G., de vader van de partijen.

Daarenboven is aangetoond dat [de eiser] in 1965, dus in het jaar dat hij in het huwelijk is getreden, met zijn echtgenote nummer 22 heeft betrokken en dat alle kinderen D. uit nummer 24 zijn weggetrokken op het ogenblik dat zij de ouderlijke woonst hebben verlaten. [De eiser] is ten slotte in 1978, op het ogenblik dat hij het familiale landbouwbedrijf heeft overgenomen, met zijn gezin in nummer 24 ingetrokken, terwijl zijn vader naar nummer 22 is verhuisd.

In dat opzicht maakt het weinig uit dat de administraties en de banken brieven naar het oude adres zijn blijven versturen, aangezien het uittreksel uit het bevolkingsregister de wijzigingen van woonplaats voldoende aantoont.

De getuigenissen en de onderzoekingen

[De eiser] heeft in de procedure voor de vrederechter verschillende schriftelijke getuigenissen neergelegd, waaruit hij afleidt dat hij tijdens de litigieuze periode, te weten van 1 januari 1968 tot 31 december 1977, bij zijn ouders inwoonde.

Die getuigen en familieleden [van de eiser] zijn tijdens de onderzoekingen opnieuw gehoord.

Wat dat betreft rijst de vraag of de vijf verklaringen van de rechtstreekse en onrechtstreekse leden van de familie [van de eiser] geldig zijn, aangezien allen bij het afleggen van de eed erop hebben gewezen dat zij geen bloed- of aanverwanten waren en evenmin in dienst stonden van de persoon die de onderzoekingen vor-derde.

Die onderzoekingen hebben in elk geval geen relevante bewijzen opgeleverd:

- de heer O., een buur, spreekt van een doorgang tussen de twee huizen langs de binnenplaats (waarop de deurwaarder in zijn vaststelling ook had gewezen) en van de uitwisseling van huizen in 1978, alsook van de aanwezigheid van de bewoners van de twee huizen op de binnenplaats, en wijst op de geringe afmetingen van de woningen, maar zegt enkel de benedenverdieping te hebben bezocht. Zijn getuigenis komt verward over, met name wat de data betreft;

- de heer M., net als [de eiser] een duivenmelker, zegt dat hij enkel nummer 24 heeft bezocht en preciseert dat de twee huizen op de binnenplaats uitgeven en dat er een doorgang bestond;

- de heer E. bevestigt dat G. en zijn vrouw in nummer 24 leefden en dat het huis volgens hem door niemand anders werd bewoond. Hij vermeldt de doorgang en verduidelijkt dat hij in nummer 24 bleef eten, maar hij kan niet zeggen waar zich de keuken bevond;

- de heer S., een buur, kent alleen de binnenplaats en kan niets meer zeggen;

- de heer D., een buur, verduidelijkt dat de ouders in nummer 24 woonden en de zoon in nummer 22, dat hij de hele familie op de binnenplaats tegenkwam en dat er twee constructies voor de duiven waren. Hij spreekt van een doorgang en van het feit dat hij de nieuwe keuken van G. heeft gezien;

- de heer D. preciseert dat de ouders in nummer 24 woonden en de zoon in nummer 22, dat de doorgang werd verplaatst en dat de riolering van nummer 22 langs nummer 24 loopt.

De getuigenissen van de familieleden brengen evenmin verheldering, aangezien ze verklaren dat de maaltijden vaker genuttigd werden in nummer 24, net zoals de baden ook meestal in dat huis genomen werden, maar dat de was werd gedaan in nummer 22.

De rechtbank oordeelt, in slotsom, dat er daadwerkelijk een leefgemeenschap heeft bestaan in het kader van de beroepsuitoefening, waarbij met name de maaltijden samen werden genuttigd en andere voorzieningen werden gedeeld, maar dat eenieder voor het overige over een eigen privéwoonst beschikte, getuige de twee verschillende huizen. Toen [de eiser] vlak na zijn huwelijk de ouderlijke woonst verliet, heeft hij zodoende duidelijk te kennen gegeven dat hij het nieuwe gezin, dat hij met zijn nieuwe echtgenote had gesticht en dat hij wilde individualiseren en een intimiteit geven, administratief, feitelijk en symbolisch heeft willen losmaken van het gezin dat hij voordien met zijn ouders had gevormd".

Grieven

Artikel 1 van de wet van 28 december 1967 houdende een uitgesteld loon in land- en tuinbouw bepaalt de voorwaarden voor de toekenning van een uitgesteld loon. Dat recht kan worden toegekend aan de afstammelingen van een landbouwer of van zijn echtgenoot die gedurende ten minste vijf jaar doorlopend een niet-beloonde normale arbeid hebben verricht op het bedrijf.

Artikel 5 van de wet voert, met betrekking tot de uitoefening van doorlopende normale arbeid overeenkomstig de bepalingen van artikel 1, een vermoeden in ten gunste van degene die bij de exploitant inwoont en als helper aangesloten is geweest bij de stelsels inzake kinderbijslagen of rust- en overlevingspensioenen of in deze hoedanigheid onderworpen is geweest in de inkomstenbelastingen.

Het begrip inwoning uit artikel 5 van de wet van 28 december 1967 wordt in de wet niet bepaald. Bij gebrek aan een wettelijke omschrijving moet het begrip inwoning dus worden verstaan in de gebruikelijke zin, in het licht van de doelstellingen van de betrokken reglementering.

Inwoning in de zin van artikel 5 veronderstelt dus het samenwonen in gebouwen die deel uitmaken van hetzelfde bedrijf, zelfs als er daarin gescheiden wooneenheden zijn.

Het bestreden vonnis beslist te dezen dat de eiser de inwoning niet aantoont en dat hij zich bijgevolg niet op het vermoeden uit artikel 5 van de wet van 28 december 1967 niet mag beroepen.

Het bestreden arrest, dat de feitelijke situatie, de vaststelling van de gerechtsdeur-waarder en de foto's analyseert, wijst erop dat "uit de plaatsgesteldheid volgt dat het landbouwbedrijf bestaat uit een vierkantshoeve met twee wooneenheden, gele-gen op nummer 24 en 22 van de rue ...". Het preciseert in dat verband dat, hoewel er volgens de vaststelling van de gerechtsdeurwaarder en de daarbij gevoegde fo-to's een doorgang vanuit nummer 22 naar de binnenplaats bestond, zulks daarom nog niet aantoont dat er sprake was van inwoning.

Het bestreden vonnis vermeldt vervolgens dat uit het onderzoek van de kadastrale leggers met zekerheid kan worden aangetoond dat de woningen op de nummers 24 en 22 van de rue ... afzonderlijke woningen zijn. Met betrekking tot de uittreksels uit het bevolkingsregister van Waver wijst het bestreden vonnis erop dat bewezen is dat de eiser in 1965, dus in het jaar dat hij in het huwelijk is getreden, met zijn echtgenote nummer 22 heeft betrokken en dat alle kinderen D. uit nummer 24 zijn weggetrokken op het ogenblik dat zij de ouderlijke woonst hebben verlaten, en dat de eiser in 1978, op het ogenblik dat hij het familiale landbouwbedrijf heeft overgenomen, met zijn gezin in nummer 24 is ingetrokken, terwijl zijn vader naar nummer 22 is verhuisd.

Het bestreden vonnis wijst er ook op dat de onderzoekingen geen relevante bewijzen hebben opgeleverd en dat de getuigenissen van de familieleden niet alleen een geldigheidsprobleem vertonen maar daarenboven geen verheldering brengen, aangezien zij verklaren dat de maaltijden vaker genuttigd werden in nummer 24, net zoals de baden ook meestal in dat huis genomen werden, maar dat de was werd gedaan in nummer 22.

De rechtbank leidt hieruit af dat "er daadwerkelijk een leefgemeenschap heeft be-staan in het kader van de beroepsuitoefening, waarbij met name de maaltijden samen werden genuttigd en andere voorzieningen werden gedeeld, maar dat eenieder voor het overige over een eigen privéwoonst beschikte, getuige de twee verschillende huizen".

Het bestreden vonnis, dat besluit dat er geen sprake was van inwoning omdat er twee gescheiden wooneenheden bestonden maar tegelijkertijd vaststelt dat die woningen in hetzelfde landbouwbedrijf gelegen waren en dat er daadwerkelijk een leefgemeenschap heeft bestaan in het kader van de beroepsuitoefening, miskent het wettelijk begrip inwoning (schending van artikel 5 van de wet van 28 december 1967 houdende een uitgesteld loon in land- en tuinbouw) en is derhalve niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 1 en 5 van de wet van 28 december 1967 houdende een uitgesteld loon in land- en tuinbouw).

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Krachtens artikel 1, eerste lid, van de wet van 28 december 1967 houdende een uitgesteld loon in land- en tuinbouw, hebben recht op een vergoeding, uitgesteld loon genoemd, de wettige, natuurlijke of adoptieve afstammelingen van een land- of tuinbouwer of van zijn echtgenoot, en de echtgenoten van deze afstammelin-gen, die na de leeftijd van 18 jaar gedurende ten minste vijf jaar doorlopend een niet-beloonde normale arbeid hebben verricht op het bedrijf van die land- of tuin-bouwer of van zijn echtgenoot.

Luidens artikel 5, tweede lid, van die wet, wordt degene die bij de exploitant in-woont en als helper aangesloten is geweest bij de stelsels inzake kinderbijslagen of rust- en overlevingspensioenen, of in deze hoedanigheid onderworpen is geweest in de inkomstenbelastingen, behoudens tegenbewijs, geacht een dergelijke arbeid te hebben verricht.

Het vermoeden dat die wetsbepaling invoert ten gunste van degene die bij de ex-ploitant inwoont, is gegrond op de overweging dat het kind dat, behoudens tegen-bewijs, na zijn meerderjarigheid bij zijn ouders blijft wonen, zijn arbeid overeen-komstig de bepalingen van artikel 1 noodzakelijkerwijs in het familiale land-bouwbedrijf verricht.

Voor de toepassing van het voormelde artikel 5, tweede lid, wordt inwoning in die context verstaan als het feit dat twee of meer personen samenwonen onder hetzelfde dak en een gemeenschappelijk huishouden vormen.

Het bestreden vonnis beslist, op grond van de in het middel vermelde feitelijke vaststellingen, dat "er daadwerkelijk een leefgemeenschap heeft bestaan in het kader van de beroepsuitoefening, waarbij met name de maaltijden samen werden genuttigd en andere voorzieningen werden gedeeld, maar dat eenieder voor het overige over een eigen privéwoonst beschikte, getuige de twee verschillende hui-zen" en dat "[de eiser], toen hij vlak na zijn huwelijk de ouderlijke woonst verliet, zodoende duidelijk te kennen heeft gegeven dat hij het nieuwe gezin, dat hij met zijn nieuwe echtgenote had gesticht en dat hij wilde individualiseren en een intimiteit geven, administratief, feitelijk en symbolisch heeft willen losmaken van het gezin dat hij voordien met zijn ouders had gevormd".

Het bestreden vonnis verantwoordt derhalve naar recht zijn beslissing dat de eiser niet aantoont dat er tijdens de litigieuze periode sprake was van inwoning in de zin van artikel 5, tweede lid, van de wet van 28 december 1967.

Het middel kan niet worden aangenomen.

(...)

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Alain Simon, Michel Lemal en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 11 oktober 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Antoine Lievens en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Uitgesteld loon

  • Bedrijf

  • Arbeid

  • Vermoeden

  • Landbouwer

  • Inwoning